50 jaar Zaanse IJskronieken

Van strenge winters en ijsvermaak in vroeger eeuwen

Waren de winters in vroeger eeuwen werkelijk zoveel strenger? Voor een goede vergelijking ten opzichte van de winters uit de twintigste eeuw is het wenselijk om daar eerst eens dieper op in te gaan.

Helaas kan echter nimmer met juistheid worden vastgesteld hoe streng een winter uit de zeventiende eeuw bijvoorbeeld wel precies geweest moet zijn, om de eenvoudige reden dat de thermometer omstreeks 1630 werd uitgevonden. De barometer dateert  van 1643.  De eerste waarnemingen met deze instrumenten werden in Nederland pas in het begin van de achttiende eeuw verricht.
Zo was men voordien dus aangewezen op oude kronieken, die lang niet altijd betrouwbaar bleken.

Wel is bekend dat het in sommige winters vroor vanaf oktober tot maart of 'tot diep in het voorjaar', maar het staat vast dat in zo'n winter de vorst werd onderbroken door een periode van dooi, hetzij van korte of langere duur, evenals dit in de laatste strenge winters het geval is geweest. 

Dr. C. EASTON vermeldt in zijn werk "Les Hivers dans l' Europe occidentale" dat harde, uiterst strenge winters (Grands Hivers) voorkwamen in 554, 764, 1077 en 1150. De schrijver plaatst hierbij echter een vraagteken in verband met te onvolledige gegevens. 'Grote Winters' van later datum zijn o.m. die van 1408, 1435, 1608, 1667, 1672, 1709, 1740, 1789, 1795 en 1830.
Ongetwijfeld zijn daarnaast nog vele andere strenge winters te noemen maar het ligt niet op mijn weg om daar uitvoerig op in te gaan. Wie er meer van wil weten, leze genoemd werk van Dr. Easton, uitgegeven bij de firma E.J. Brill te Leiden in 1928.

Als voorbeelden heb ik deze winters uitsluitend genoemd om aan te tonen dat door de eeuwen heen, strenge winters zijn voorgekomen en dit zal m.i. altijd wel zo blijven; het is alleen moeilijk te voorspellen wanneer zo'n strenge winter weer eens komt opdagen.

Ook is bekend dat in vroeger eeuwen de winter pas laat inviel en in de maand maart nog ongekende koude bracht. De winter van 1674 is daar een goed voorbeeld van. "Op 1 februari zijn de rivieren en de Zuiderzee toegevroren. De Noordzee was, zoo ver men zien kon, een ijsveld. Nog op 3 april gingen zes man over het ijs van Uitdam naar Marken, den 4den reed men nog schaatsen op het Haarlemmermeer" (Easton).
Grote kou in maart bracht ook de winter van 1844/45 die vooral befaamd is omdat men toen - Pasen viel op 22 maart - in verschillende plaatsen van ons land Paaseieren op het ijs kon eten.

Ook in de Zaanstreek is dit het geval geweest. Mevrouw Neeltje Mulder, weduwe van Jae. Honig Jansz. Jr. schrijft hierover het volgende:
"Bij den strengen winter van 1844  (d.i. 1944/45) die zoolang duurde dat men met Paschen nog op een gedeelte der Zaan arde en aan een tent paaseieren op het ijs at, was  het  en groot ongerief toen de brandstoffen verteerd waren. Met behielp zich met dure, slechte zwavelachtige Assendelver turf, die niet alleen het koper aantastte, maar velen in vertrek, school en kerk hoofdpijn en eene flauwte bezorgde".

 

"Uit het Handelsblad van donderdag 20 maart 1845":

De allerbekendste winter uit de 19e eeuw is echter wel de beroemde "winter van negentig" ofwel die van 1890/91, waarvan men  gaarne zei "dat sinds  mensenheugenis zulk een strenge koude  niet was voorgekomen". Zelfs nu  nog wordt deze winter vaak genoemd, maar is het gebleken dat de strenge winters uit de 20e eeuw 1891 in vele opzichten hebben overtroffen.

Bittere armoede is er ook toen geleden, juist omdat die winter zo vroeg begon (25/26 november 1890). De koudste dag was 30 december 1890. Maar legio zijn de verhalen die de ronde deden. Op de Zuiderzee bijvoorbeeld, werd op 14 januari 1891 een geweldig ijsfeest gehouden; er waren ruim 16.000 personen rondom Marken op het ijs. Een baanveger bij Monnickendam ontving die dag een emmer vol centen, ruim 10.000 stuks!

In Zaandam organiseerde men een groots gecostumeerd ijsfeest op de Zaan. (17 januari 1891). Vanaf de Dam tot de HBS was de ijsbaan geheel verlicht met lampions, vetpotjes enz. Ook branden er teertonnen en werd Bengaals vuur ontstoken. Bovendien stond er een "Stoom-Velocipède spel" van Slieker op het ijs. (stroomdraaimolen), naast vele andere kermistenten, hetgeen nog nooit was voorgekomen.

Diverse ijsclubs hielden ook wedstrijden in het zogenaamde "spekrijden". Daaraan kon iedereen meedoen en de deelnemers hadden altijd prijs, het minste was een pond spek en een kop erwten. Men kon ook voor een ander rijden, bijvoorbeeld voor een arme weduwe of iemand die gebrekkig was. Op die manier hielp men dan zijn medemens aan een warm maaltje.

De Zaan bij Zaandam ter hoogte van het zogenaamde Ruiterveer in de winter van 1895

 

Een boekdeel zou er te vullen zijn met verhalen over strenge winters  van weleer. En voor het ijsvermaak geldt hetzelfde.
Ontleend  aan het  werk van Dr. Joh. Brouwer "Kronieken van Spaanse soldaten uit het begin van de Tachtigjarigen Oorlog" wordt dit ijsvermaak door een zekere kapitein Alonso Vázquez als volgt beschreven:

"Bij wintertijd, als het vriest, is het een wonderschoon gezicht allerlei slag van lieden op schaatsen zich op kanalen en rivieren zien te vermaken. Zij glijden zeer snel over het ijs voort; de vrouwen zijn er zeer behendig is en zonder te vallen, doen zij ook nog een handwerk (!). Vliegensvlug scheren over de ijsvlakte, twee, drie of vier mijlen, als dit nodig is.
Om te kunnen stilhouden in hun woeste vaart draaien zij eenige malen in  de  rondte  en houden hun voeten dan zoo, dat zij hun vaart stuiten. De sleeën, die de adel en de voorname heren gebruiken bij sneeuw of ijs, zijn zeer sierlijk. In de slee zit de vrouwe, hun echtgenote of bloedverwante, en de slee wordt getrokken door sterke en snelvoetige paarden, die scherpe ijzeren pennen in de voetijzers hebben. Doorgaans kan er slechts één vrouw in de slee zitten, en de man staat achterop en stuurt de paarden en vuurt ze aan. In vliegende vaart gaat het dan door de gladste straten, heuvel op, heuvel af, zonder dat de paarden ooit struikelen of de slee omslaat en dit is heel merkwaardig, daar die sleeën weinig groter zijn dan de karretjes waarmee kinderen spelen.
Zij zijn echter heel stevig gemaakt en sierlijk geverfd. Er zijn ook nog andere sleeën, die zijn veel groter en kunnen wel vijf of zes mensen bevatten. Deze staan op twee balken met twee klampen en hebben ijzeren sporen. De paarden die deze sleeën snel voorttrekken, staan eveneens op scherp, de punten in hun hoeven zijn hard en scherp als diamant en vliegensvlug en met groot gemak gaat men zo van de eene naar de andere.

ARRESLEE-WEDSTRIJDEN OP DE ZAAN BIJ WORMERVEER.
Winter van 1890/91
Naar een schilderij van Klaas van Vliet, Krommenie.
Het grijze paard, rechts op de voorgrond, is de “Tabor”van de heer Ab. De Ridder.
Links molen “de Spatter”

Zij hebben ook kleine sleetjes waarin maar één man kan zitten. Dit gelijken wel karretjes zonder wielen. In het Nederlandsch noemt men dit vehikel IJSVAGUEN. Degene die in dit voertuigje zit, houdt zijn voeten uitgestrekt voor zich en steunt ze tegen een dwarshout, en met in iedere hand een stok, die voorzien is van een vlijmscherpen stalen punt, prikt hij in het ijs en duwt zich op die manier vooruit. Door zijn krachtig stoten gaat hij snel voort; hij kan gaan waarheen hij wil, en bovendien is dit een zeer geschikte oefening om zich te verwarmen, want men wordt door de grote inspanning heel warm en soms weet men niettegenstaande men op het ijs is blootgesteld aan de felle koude en de scherpe wind."

Uit deze zo aardige beschrijving, nu ruim vier eeuwen oud, ziet men dus dat er niets nieuws is onder de zon en hetzelfde geldt ook voor de ijsschuitjes. Het zeilen met deze schuitjes; waarom o.m. ook de Zaan zich in strenge winters bij uitstek goed leende, was al in de 17e eeuw en mogelijk nog eerder, in zwang.

LOOTSMA (Uit: S.Lootsma "De Zaanstreek voorheen en thans") noemt ons in de "Veijlboecken van W.Zaendam" het volgende:
"Uit den boedel van Claes Corn. Kalff wordt op 9  februari 1667 gepresenteerd een seer sierlijck ijss schuytje daerbij  omtrent 30 metalen stucken, geschickt met mastzeyl, een sijen vlag, wimpel en vleugel".

De snelheid waarmee deze schuitjes zich voortbewogen, was vooral in die tijd, werkelijk fantastisich. Bekend is het verhaal dat Berkhey  en  verschillenden na hem doen over "den Duitschen reiziger die zich te Amsterdam in zodanig schuitje begaf, om ermee naar Zaandam, ruim een uur gaans van die stad gelegen, te zeilen; en aldaar gekomen zijnde, niet twijfelde, of men had hem door Toverkracht overgevoerd. De stuurman, aan 't Roer gezeten, waarschuwt den Duitscher tegen de snerpende koude; hij raadt hem op de bodem te gaan zitten, of zig ter neder te liggen, en zig in zijnen Reismantel in te wikkelen. De Duitscher volgt den raad; maar nauwelijks heeft hij zich op 't gemakkelijkst nedergevleid, en den Mantel wel digt om 't lijf geslaagen, of de Schipper verzoekt hem aan Land te stappen. Zulks verbaast den Reiziger; hij springt uit het Vaartuig en houd stijf en strak staande, dat de Duivel aan 't Roer gezeten heeft'.

De liefhebberij om grote tochten te maken zat onze voorouders ook al in het bloed. Zeer vermeldenswaardig en legendarisch is   de  Noord-Hollandse Twaalf stedentocht van vier inwoners uit Koog aan de Zaan, gehouden in het jaar 1676, waarvan de originele tekst   bewaard is gebleven; opqetekend door Claes Arisz. Caescooper, olie-slager en reder in zijn "Nootysye Boeck" van 1669 - l729:
'Anno 1676. Den 19  December stiltes d'w:int (O. en S., Ben ick in comp. met Maijnder Arent Jakop  Blau en Jakop  Buir op scaetsen uyt gereden van dittoo M. Arentses (z'n  huis). de cloc smorgens 4 ur (en) in heldere maenescijn tot Harlem vandaer tot Amsterdam vandaer tot Wesop tot Naerde vandaer tot Muiden vandaer  over Pampoes tot Munkedam vandaer tot Eedam vandaer door Purmerent vandaer op de Ouwendijc daer wij de  eerste mael plaijst(e)rde sijnde omtrent de cloc een uer vandaer tot Hooren vandaer tot Enchuysen vandaer tot Medenblic vandaer tot Alcmaer daar nogh eens plaijsterde en vandaer naer huys. doen wij even van Alcmaer af waare begoste snouwen (begon te sneeuwen) en quame soo thuijs omtrent de clock half nege sav(e}nts hebbende 12 steeden besoght op een dagh".

Buitengewoon zwaar moet deze tocht zijn geweest en het heeft dan ook heel lang geduurd alvorens  men weer eens een poging waagde om deze prestatie opnieuw te volbrengen. Dit gelukte de broers Klaas en Willem Oostindie, eveneens uit Koog aan de Zaan en wel op 29 december van het jaar 1822. Deze mannen hebben het echter nog veel zwaarder gehad dain hun voorgangers uit de zeventiende eeuw. Zij kampten met allerlei tegenslagen, harde, Z.O.-wind, op sommige plaatsen "bomijs" waar zij niet op konden schaatsen, enz.enz. Ook moest men een heel eind lopen omdat het ijs niet sterk genoeg bleek te zijn en was de trekvaart naar Haarlem met zand bestoven. De mannen hebben precies een héél etmaal werk gehad om hun doel te bereiken, zij kwamen 's nachts na drie uur thuis en waren 's morgens om kwart voor drie op pad gegaan ....

Het volledige en zeer boeiende verslag van deze monstertocht staat vermeld in de "Algemene Konst en Letterbode voor het jaar 1823". Om een dergelijke tocht te volbrengen moet men wel over een enorm uithoudingsvermogen beschikken en ik heb mij afge­vraagd, of het in de twintigste eeuw ooit nog eens mogelijk zou kunnen zijn om een Noord-Hollandse Twaalfstedentocht uit te rijden. Helaas, ik geloof er niet erg in, we zijn nu al blij met een Dorpentocht en het is zelfs al een unicum, wanneer er in Friesland een Elfstedentocht kan worden gehouden.

De. laatste keer - tot heden - was dat in 1963 en wanneer we dan bedenken dat in de veertiger jaren viermaal een Elfstedentocht plaats vond, in de vijftiger jaren tweemaal en in de jaren zestig slechts eenmaal, dan blijkt daaruit dat we, wat grote schaatstochten betreft,er niet op vooruit gaan. x) Maar het kàn verkeren! Want strenge, minder strenge of kwakkelwinters zullen elkaar blijven afwisselen, ongeacht of men ervan houdt of niet!

x) Aanvulling: De zeventiger jaren, zijn inmiddels voorbij gegaan zonder één Elfstedentocht...............................................

Schilderij van Andreas Schelfout (1787 – 1870)

 

Bovenkant van de pagina