1891 – Zes Elfstedenrijders uit Dronrijp

 

Auteur Ron Couwenhoven, 2026

Het vroor een graad of tien toen de broers Abraham (27), Douwe (24) en Bindert (21) Kuperus zaterdag 3 januari 1891 om vijf uur ’s ochtends in Dronrijp van start gingen voor een tocht langs de elf steden van Friesland. Sjoerd en Gerben Sijtsma en Sijtse Terpstra gingen ook mee. Het bleef de hele dag minimaal zes graden vriezen. De zes van Dronrijp waren die dag deel van een Elfstedenpeloton, dat overal van start ging en waarvan zich tachtig deelnemers bij kastelein J.U. de Jong in Sloten meldden voor een aantekening op het briefje dat ze allemaal meenamen en overal door kasteleins lieten aftekenen. Ook de zeven broers Altenburg uit Tirns legden deze dag de 200 kilometerlange tocht af.

 

links: Abraham Kuperus en rechts: Bindert Kuperus

 

De winter had Nederland al lang in zijn onwrikbare greep en het bewijs daarvan legde de Franeker Courant vast in een opmerkelijk bericht  dat op 4 januari werd gepubliceerd: ‘Doode musschen, doode kraaien, doode uijlen, doode visschen, doode menschen. De kraaien nemen gratig cadavers op al zit er n iet veel aan te pluizen. In het klare ijs ziet men duizenden visschen bevroren. In de bijten bij huizen staat geen water meer. Het zijn diepe putten tot de bodem en waar nog wel water in zit kan men vette palingen met de hand vangen, zodat dit lekkers in veel huizen op tafel staat.’

In Leeuwarden werd die derde januari een collecte gehouden voor de  armen. Er werd f. 2601,65 en een bon voor 50 halve broden opgehaald. Bij de Israëlieten ging men een dag later langs, want die vierden sabbath. Ruim 700 Leeuwarders gingen naar een uitdeling van warme koffie en boterhammen. Veehouder E. van den Enden uit Oosterend was met zijn vrouw Ynske op 1 januari langs alle steden geschaatst. Daarmee was zij de derde vrouw die de Elfstedentocht volbracht. In Groningen werd voor 5 januari een hardrijderij aangekondigd, maar Friezen mochten niet meedoen. De Groningers wilden zelf wel eens winnen, maar ze kwamen bedrogen uit. Rinske van der Zee ging er op zijn gemak met de eerste prijs van 100 gulden vandoor. Hij kwam uit Workum, maar woonde al een tijdje in Groningen waar hij voor een rederij actief was als schipper en daarom kon de ijsclub hem niet weigeren.

Zoals gebruikelijk bracht de winter veel ellende, maar ook volop plezier. Overal kon geschaatst worden. Eind december reden de boerenzoons Gerben en Sjoerd Sijtsma die op Dotinga Zathe in Dronrijp woonden, naar een zieke zuster in Groningen. Dezelfde avond schaatsten ze ook weer terug. Toen ze thuis bij de kachel zaten, zeiden ze tegen elkaar: ‘Wij kunnen best bij de elf steden langs.’ Ze spraken er over in het dorp waarna de broers Kuperus, gardeniers – dus tuinmannen – van hun vak er ook wel wat inzagen. Zij woonden op een boerderij die later plaats moest maken voor het Van Harinxmakanaal. Jochem Jeltes Donis uit Baard zou ook mee gaan, maar hij kwam die derde januari om vijf uur niet opdagen.


Sportieve kerels

Abraham, Douwe en Bindert Kuperus waren sportieve mannen. Jan Kuperus, de oudste broer van het trio, sprak er in 1904 over met P. Palma uit Dronrijp. Die herinnerde zich: ‘Ze waren erg sportief en de eerste in Dronrijp die een velocipède hadden. Zo’n fiets met een heel hoog voorwiel en een klein achterwiel met ijzeren hoepels om de wielen.’

Het Elfstedenbriefje 1891 van de zes Elfstedenrijders uit Dronrijp

De gebroeders Kuperus en hun aanhang volgden niet de klassieke route vanuit Leeuwarden, maar reden vanuit Dronrijp, even ten westen van de Friese hoofdstad, rechtstreeks naar Dokkum, waar ze om kwart over zeven hun eerste handtekening haalden. Vervolgens gingen ze via Leeuwarden naar Sneek waar ze om half elf aftekenden bij de weduwe S. van der Zijl. Een half uurtje later stapten ze de herberg van J. Heslinga in IJlst binnen. Heslinga registreerde alle rijders die bij hem langs kwamen en een handtekening aan hem vroegen. Zijn lijst telde deze winter uiteindelijk 202 namen, maar dat waren nog lang niet alle Elfstedenrijders van deze bijzondere winter, want Pim Mulier ontbrak er op.

Op de meren werd de Kuperus-groep met problemen geconfronteerd. Jan Kuperus noteerde er bijzonderheden over. Bindert had het hem verteld. Sietse Terpstra zat er door zat. ‘Hij was erg lang en sluggerig (slap – r.c.) van gestalte en begon te klagen over zijn rug,’ meldde de jongste Kuperus. ‘Hij zei: ‘Laat mij hier maar blijven. Ik kan het toch niet volhouden.’ Maar daar wilden wij niets van weten. Wij zijn als zes Rijpster boerenjongens op pad gegaan en wij komen ook met zijn zessen weer op De Rijp aan. Wij volbrengen het allemaal of geen een.’

Gerben Sijtsma was een sterke vent. Hij nam Sietse op sleeptouw. Dat deed hij later ook met zijn broer Sjoerd. Het Kuperus-trio kende onderweg geen problemen. Ze schaatsten mooi in elkaars slag en waren erg gelijkwaardig.

Om kwart over twee was de tocht over de meren volbracht. S. Dooper tekende in Stavoren in het café dat later altijd als stempelpost werd gebruikt, hun briefje af. Ze waren toen halverwege hun tocht. De eerste honderd kilometer hadden zij in zeven uur en een kwartier afgelegd. Vermoedelijk moesten ze bij de passage van Leeuwarden stukken lopen voordat ze op het Zwette richting Sneek kwamen.

Van Stavoren naar Dronrijp hadden zij zes-en-een-half uur nodig. Om kwart voor negen ’s avonds zette E. de Boer in hun woonplaats de laatste krabbel op hun Elfstedenbriefje dat altijd bewaard zou blijven bij Bindert’s achterkleindochter Silvia Kuperus. Naar Leeuwarden, het klassieker eindpunt, schaatsten ze niet meer. Tenslotte waren ze daar al geweest.

Bovenkant van de pagina