Elfstedentocht 1940, een moordende tocht

30 januari 1940

Auteur Ron Couwenhoven

Erik en Guus Zeegers uit Amsterdam ploeterden over de Finkummervaart. Althans dat dachten ze. Tot een half onder gesneeuwde boer zei: 'Jullie schaatsen over mijn land!'

'We dachten ook al: wat vallen we toch veel,' antwoordden de broers. Sneeuw had de vaart ‘tot de rand’gevuld. De top lag gelijk met het land op de hoge oever.

Bij Birdaard moesten drie Elfstedenrijders uit de sneeuw gered worden. Zo’n 150 rijders werden met bussen uit Vrouwbuurstermolen gehaald en deden er drie uur over om in Leeuwarden te komen. Tot drie keer toe raakten de bussen vast in de sneeuw en moesten de Elfstedenrijders er uit om ze op te duwen.

Jan Zeegers, een broer van het edele tweetal Erik en Guus en een begenadigd atleet, deed twee uur (!) over een afstand van bijna drie kilometer op de Dokkumer Ee.

Een verslaggever van het ANP raakte met zijn auto in een slip en verdween half in een sloot bij Bolsward. Met behulp van een paard werd zijn wagen weer op de spekgladde weg gezet. Hij kon nog wel naar Den Haag seinen: 'Op sommige plaatsen was het ijs zo hobbelig dat het wel leek over er kinderkopjes op lagen.'

Rijders gingen tot hun heupen door de sneeuw. In de woning van de directeur van de Frico-fabriek in Bartlehiem werden diverse rijders bewusteloos binnen gedragen.

Karikatuur met Elfstedenvoorzitter mr. Hepkema als centrale figuur

Elke kenner van de Elfstedenhistorie zal u bij het horen van deze nog maar summiere gegevens zeggen: dat was de tocht van ’63. Maar niets is minder waar. Het gebeurde allemaal op 30 januari 1940 tijdens de zesde Elfstedentocht. De ruigste tocht, die ooit werd gehouden.

Van de 2716 tochtrijders arriveerden er slechts 27 (!) in Leeuwarden. Van de 688 wedstrijdrijders kwamen er maar 124 binnen. Het Kwintet van Dokkum, dat in de kroeg beslist had dat men samen over de eindstreep zou gaan, deed 11 uur en 30 minuten voor de 200 kilometer. Twee-en-een-half uur na de aankomst van Sjouke Westra, Auke Adema, Piet Keyzer, Dirk van der Duim en Cor Jongert waren er nog maar 65 rijders binnen.

Als de maatstaven van 1963 waren aangehouden – wie binnen twee uur na de winnaar arriveert wordt geklasseerd, de rest niet – hadden er maar 40 rijders in de uitslag gestaan. En er waren er 688 van start gegaan! Uiteindelijk werden er liefst 342 deelnemers in de uitslag opgenomen, want ook iedereen die Franeker was gepasseerd voordat de tocht om half zeven ’s avonds door het noodweer moest worden afgeblazen, kreeg een plek op deze ere-lijst.

Hetzelfde gebeurde bij de tochtrijders. Na een onderzoek dat liefst een jaar in beslag nam, werden 927 Elfstedenkruizen uitgereikt.

Zo werden de eindcijfers door het Elfstedenbestuur flink vervalst. In werkelijkheid bereikte slechts 0,99 procent van de tochtrijders de eindstreep, terwijl van de wedstrijdrijders slechts 5,8 procent binnen twee uur van de winnaars aankwam. Dat is nog 4,2 procent minder dan in de gruwelijke wedstrijd van 1963!

Protesten van rijders
Talloze rijders spraken er schande van dat de uitvallers toch een kruisje kregen. Zelfs vanuit de groep uitgevallen rijders kwamen krachtige protesten. Maar Dirk Huizinga Bruins uit Usquert was zeer tevreden. Hij ontving zijn vijfde Elfstedenkruis, waarmee hij recordhouder was. Dirk was vlak na Berlicum maar gaan lopen, omdat schaatsen onmogelijk was geworden. Hij zag alleen maar een onafzienbare witte toendra. Twaalf kilometer lang ploeterde hij tot zijn knieën door de sneeuw. Vlakbij Finkum kwam hij plotseling op een weg terecht. Hij was gered!

Even later kreeg hij in het stampvolle café in Vrouwbuurtstermolen te horen dat hij toch nog voor een Elfstedenkruisje in aanmerking kwam. Hij was er erg tevreden over.

Jan Zeegers dacht er anders over. Deze atleet, die vanaf 1929 ook aan alle tochten had meegedaan, en een vrijwel onverslaanbare middenafstandloper was, zei: 'Dit is wel bijzonder wrang voor degenen die wel snel genoeg gereden hebben en alle ontberingen hebben getrotseerd. Het kruisje moet alleen uitgereikt worden aan hen die alle elf steden hebben bezocht. Het is een erekruis, dat niet toebehoort aan degenen, die niet in Dokkum zijn geweest.'

Jan Kaaij, een fotograaf uit Katwijk en al Elfstedenrijder in 1929, was het volledig met hem eens. Hij sprak ook schande van het bestuursbesluit om elke rijder die Wier, even voorbij Franeker, had gehaald een kruisje te geven. Hij zei: 'Als een vrouw Leeuwarden kan halen, moeten zulke jonge, oergezonde kerels dat zeker kunnen.'

Hij doelde op Sjoerdsje Faber uit Warga, die een nationale bekendheid werd doordat zij de moordende 200 kilometer volledig had uitgeschaatst.

Intense kou

Jan Harkema uit Leeuwarden werd bij de controlepost in Hindeloopen in stijl ontvangen. Hij kwam op 1 uur en 3 minuten van de vijf winnaars als achttiende over de finish in Leeuwarden.

Al bij de start was het duidelijk dat talloze inschrijvers er een hard hoofd in hadden. Van de 900 aangemelde wedstrijdrijders bleven er 212 onder de wol. Van de 3000 ingeschreven tochtrijders bleven er ook 284 weg! En gelijk hadden ze. Het vroor bij de start acht graden en er stond een stevige oostenwind, die in de loop van de dag aanwakkerde tot een stormkracht, terwijl het de hele dag zes graden bleef vriezen. De kou was zo intens dat in Stavoren al honderden deelnemers opgegeven hadden. Daar begon men ook met een intensieve controle van de handen van de deelnemers, omdat men iemand ontdekt had die met tien bevroren vingers rond reed!

‘Een kantoorbediende zal de tocht nooit winnen,' zei Cor Jongert, die al 44 jaar was en gestaald in het grondwerk bij de Zuiderzeewerken, na afloop tegen Joris van den Bergh. Dit was de beroemdste sportverslaggever uit de eerste vijftig jaar van de vorige eeuw. 'Je kunt alleen winnen als je op een plank kunt slapen,' beweerde Jongert, terwijl hij een dikke sigaar, die hij van Joris kreeg, opstak.

Van den Bergh, gelouterd in tal van topsporttoernooien die hij al had bijgewoond, was diep onder de indruk. Hij stond voor de Harmonie, toen daar om vijf uur ’s ochtends de deuren open sprongen en de rijders zich massaal naar buiten stortten. Hij schreef: 'Dat naar buiten persen en dat in stormpas voorbij rukken in deze winternacht, het was aangrijpend. Hier gold het een explosie van gezondheid en van dadenlust. Het was indrukwekkend, het was ontroerend.'

Joris vond het een hoogtepunt uit zijn lange carrière. Al die honderden mannen stortten zich onbekommerd in een avontuur waarvan velen ongetwijfeld al wisten dat het niet goed voor ze zou aflopen. Maar ze deden het met overtuiging.

De ontberingen waren deze dag van verschrikkelijk niveau. Maar het geheugen is selectief. Tegenwoordig kennen we nog wel de barre achttiende januari 1963. 1940 ligt ver achter ons. Maar bij mij moeten ze niet meer aankomen met de mededeling dat in ‘63 de zwaarste tocht ooit werd gereden. De cijfers van '40 spreken duidelijk taal. Die tocht kan minstens wedijveren met de legendarische Paping-tocht.

Bovenkant van de pagina