Het vonkje in de ogen van een Fries
Een antropologisch onderzoek naar de unieke positie van de Elfstedentocht als bron van geluk en welzijn in een wereld in verandering
Voor vertaling in het Fries klik hier
Master in de Sociale en Culturele Antropologie, R0900923
Idris David
Masterproef aangeboden tot het behalen van de graad
Promotor: Prof. Dr. Salazar Noel B.Promotor: Prof. Dr. Salazar Noel B.
Verslaggever: Prof. Dr. De Boeck Filip
Academiejaar: 2025-2026
Aantal woorden: 21472
Katholieke Universiteit Leuven:)
Abstract
De Friese Elfstedentocht is een legendarisch fenomeen dat anno 2026 nog steeds een grote bron van geluk en welzijn blijkt te vormen in de noordelijke Nederlandse regio Fryslân. In deze antropologische masterthesis bestudeer ik waarom de gehele traditie, maar vooral ook specifiek de schaatstocht die al sinds 1997 niet meer officieel is gereden, zo een unieke positie blijft innemen in de Friese en Nederlandse cultuur en identiteit. Tijdens en na zes weken veldwerk in en rond de Friese elf steden, bestaande uit verschillende vormen van participerende observatie, diepte-interviews en life histories heb ik de tocht geanalyseerd vanuit de lens van de geluks- en welzijnsantropologie, Hartmut Rosa’s resonantietheorie en Max Weber’s rationaliseringskader.
Uit het onderzoek kwamen drie centrale kenmerken naar boven die de blijvende aantrekkingskracht van de tocht stutten: niet-commercialiteit, collectieve resonantie ten gevolge van de centrering van een Fries mienskips- (gemeenschaps-)paradigma, en weroplibbing (heropleving). Specifiek de schaatstocht creëert in haar fundamentele onplanbaarheid een unieke weroplibbing, waarin het schrikbeeld van de Weberiaanse ijzeren kooi van de moderniteit tijdelijk onderbroken wordt op een vooraf ongekend moment. Men centreert tijdelijk een cultureel specifiek, substantieel rationeel waardenpatroon waar collectieve resonantie uit voortkomt, en dat sterk lijkt op “het goede leven” uit Joel Robbins’ anthropology of the good.
Dit onderzoek wijst op het belang van de Elfstedentocht als een cultureel ingebedde bron van welzijn die een cultureel specifieke verklaring biedt voor de “Friese paradox”, het statistische feit dat Friezen op nationaal niveau een lagere economische welvaart maar ook een hoger geluksniveau hebben.
Kernwoorden: Elfstedentocht; geluks- en welzijnsantropologie; Friese mienskip; resonantie; Max Weber; Hartmut Rosa; Joel Robbins; weroplibbing
Dankwoord
Met deze thesis heb ik een nieuw licht proberen werpen op het unieke fenomeen van de Friese Elfstedentocht. Toch zou dit eindproduct niet mogelijk zijn geweest zonder de onmisbare bijdrages van alle personen die me doorheen dit traject hebben ondersteund.
Graag bedank ik hierbij mijn promotor, professor Noel Salazar, voor zijn gerichte feedback en steun doorheen het gehele thesisproces. Ook een speciale dank aan alle medewerkers en medestudenten van het departement Sociale en Culturele Antropologie aan de KU Leuven, voor hun formele en informele medewerking, van geplande sessies tot losse besprekingen.
Daarnaast ben ik bijzondere dankbaarheid verschuldigd aan alle mensen die me tijdens en na de veldwerkperiode hebben geholpen met verhalen, praktische en morele steun, en met een oprechte betrokkenheid in de succesvolle afronding van het onderzoek. Speciale dank gaat uit naar het Elfstedenbestuur, de regionale media, iedereen die betrokken was bij de Onbeperkte Elfstedentocht, de gastvrije Friezen in en rond de elf steden waar ik steeds bij mocht logeren, en iedereen die me te woord wilde staan. Ook bedank ik graag Stephan Berger en alle collega’s van Afûk die me geholpen hebben om mijn thesis naar het Fries te vertalen. Bovenal bedank ik graag de ontelbare Friezen, die mijn veldwerkperiode in de regio tot een bijzondere, verhelderende en hartverwarmende ervaring hebben gemaakt.
Tot slot bedank ik nog graag mijn vrienden en familie, die me het meest genegen zijn en me met geduld, liefde en morele steun duizenden keren het woord “Elfstedentocht” hebben horen uitspreken. Aan Aïcha, Chantal, Robrecht, en ook aan Tiest, een oprechte dankjewel.
Inhoudstafel
|
Abstract |
II |
Lijst van figuren:
Figuur 1: kaart van de meest recente route van de Elfstedentocht op de schaats
1. Inleiding
“Wat betekent de Elfstedentocht voor u?” Op een warme zomerdag in augustus, onder de wieken van de monumentale Houtzaagmolen de Rat, stel ik deze vraag aan Wytske*. We bevinden ons in IJlst, een van de elf traditionele steden van de noordelijke Nederlandse regio Fryslân1, op enkele meters van de Geau, de waterweg die deel uitmaakt van de route van de legendarische Elfstedentocht op de schaats. Wytske richt haar blik ook even naar het water van de Geau waar ze over heeft geschaatst in 1997, naar de molen die een symbool is voor IJlst, naar het Friese land achter mij en naar de horizon. Ze haalt diep adem, en ontspant. Er valt een ijzige last van haar schouders, terwijl ze terugdenkt aan wat de tocht voor haar betekent. Tegelijk schiet er een scheut van energie, adrenaline en levenslust door haar lichaam. Ten slotte verschijnt er, net voor ze begint te spreken, een heel klein lichtje in haar ogen, een vonkje. Een vonkje dat er voorheen niet was.
“Voor mezelf is het een van de meest bijzondere, unieke ervaringen in mijn leven geweest, ik kan moeilijk beschrijven wat het allemaal met me doet”.
Wytske is niet alleen. De Elfstedentocht op de schaats is een uniek evenement. Dit vonkje verschijnt keer op keer in de ogen van vele Friezen wanneer deze vraag valt, het is een gedeeld gevoel dat veel mensen echter moeilijk onder woorden kunnen brengen. En het smelt even snel weer weg als het was opgekomen wanneer het gesprek een andere richting uit gaat.
Een Elfstedentocht op de schaats werd voor de eerste keer officieel georganiseerd in 1909, met als doel om op één dag 200 kilometer langs alle elf traditionele Friese steden te schaatsen, over natuurlijke waterwegen, sloten, grachten, rivieren en meren (Omrop Fryslân 2025a).
In de tweede helft van de 20e eeuw liep de route steeds grotendeels zoals op de onderstaande kaart (zie Figuur 1).
Van een oorspronkelijk relatief klein, regionaal Fries evenement groeide de tocht tussen 1909 en 1997, over haar vijftien officiële edities, uit tot een mythisch volksfeest van nationale en internationale proporties (Kenyon 2024). Evengoed blijft de Elfstedentocht tot anno 2026 op meerdere vlakken een centrale plaats innemen in de individuele identiteit van vele Friezen, en in de culturele identiteit van Friesland als geheel (Betten 2013, 22).
Ondertussen kan de Elfstedentocht ook jaarlijks worden afgelegd, bijvoorbeeld met de fiets, te voet, op de step of met de roeiboot (Omrop Fryslân 2025b). Een schaatstocht is er echter sinds 1997 niet meer geweest, grotendeels onder invloed van een veranderend en opwarmend klimaat, dat de kans dat dit evenement op natuurijs jaarlijks kan doorgaan, gevoelig heeft doen dalen (Visser et al. 2025).
Toch zitten herinneringen aan de meest recente schaatstochten, bij de Friezen en Nederlanders die deze hebben meegemaakt, vaak nog vers in het geheugen. Er bestaat in Friesland anno 2026 nog steeds een uitgekiende, breed vertakte vrijwilligersorganisatie die elke winter opnieuw, van zodra het weer dat toelaat, binnen de twee dagen een geschaatste Elfstedentocht kan organiseren. Een groot aantal gewone Friezen is tevens nog steeds bereid om bij de aankondiging dat er een schaatstocht komt alles te laten vallen waar ze mee bezig zijn, en onmiddellijk alles in het werk te stellen om een succesvolle Elfstedentocht te kunnen organiseren. Ondanks de sterk gedaalde kans op een tocht, stellen klimaatwetenschappers (Visser et al. 2025) dan ook dat een Elfstedentocht nog steeds elke winter zou kunnen plaatsvinden, op een vooraf amper te bepalen moment.
Waarom is dat zo? Volgens zo goed als alle onderzoeksparticipanten bekleedt de geschaatste Elfstedentocht nog steeds een unieke positie binnen de Friese en Nederlandse cultuur. Toch is de meest recente editie hiervan ondertussen al meer dan een kwarteeuw geleden, en blijven de kansen op een nieuwe editie onder invloed van klimaatverandering jaar na jaar dalen (Visser et al. 2025). Ik zal de focus leggen op deze centrale tendens met de volgende centrale onderzoeksvraag: welke factoren verklaren de unieke positie van en continue interesse in de geschaatste Elfstedentocht vanuit stakeholders binnen de traditie, zelfs decennia na de voorlopig laatste editie van deze tocht?
Ik zal in deze thesis proberen een verklaring te vinden op deze vraag, door deze traditie en wat ze losmaakt te situeren binnen relevante antropologische en sociaalwetenschappelijke denkkaders, primair de geluks- en welzijnsantropologie en Joel Robbins’ “anthropology of the good” (2013). Binnen deze relatief jonge stromingen worden enerzijds universalistische westerse meetstaven van welzijn en geluk naar het achterplan verwezen, om zodoende plaats vrij te maken voor de studie van cultureel bepaalde en relationele maatstaven van welzijn, ingebed binnen specifieke samenlevingen (Mathews en Izquierdo 2009b). Anderzijds wordt in deze stromingen niet het lijdende subject centraal gesteld, of het lijden van een relatief welvarend subject, maar wordt er net onderzocht hoe geluk en welzijn gedefinieerd kunnen worden en welke factoren hieraan ten grondslag liggen. Zo wordt er wetenschappelijke aandacht geschonken aan een bredere groep onderzoeksparticipanten, die niet per se wordt gekenmerkt door een radicale alteriteit, noch door een “universele” ervaring van trauma (Robbins 2013).
Op die manier kan dit onderzoek bijdragen aan een steeds verder uitbreidende literatuur naar geluk, tevredenheid en welzijn. Ook andere antropologische denkkaders rond de moderniteit en de resonantietheorie van Hartmut Rosa (2021) worden kritisch geëvalueerd en geïnterpreteerd binnen deze Friese context. Waar eerdere literatuur over specifiek de Elfstedentocht ten slotte vooral focuste op accurate, feitelijke historische weergaves (Lolkama 2006; Kolmer et al. 2008; Couwenhoven 2009; Brouwer 2022) of klimatologische kansberekeningen (Visser en Petersen 2008; Metzger en Tabeaud 2015; Van Oldenborgh et al. 2019; Visser et al. 2025), zal deze thesis dan weer dieper ingaan op de sociale en culturele beleving van de tocht. Tegenover meer kwantitatieve of macro-analytische benaderingen biedt de antropologische discipline, met een focus op betekenisgeving en cultureel ingebedde ervaringen, hiervoor een goede lens en een bruikbaar analytisch kader.
Om dit verder te onderzoeken, heb ik zes weken aan veldwerk ondernomen. Ik heb zelf de volledige Elfstedenroute gewandeld, heb in elke Elfstedenstad enkele dagen doorgebracht, en heb telkens bij gastvrije Friezen thuis mogen logeren. Ik heb via participerende observatie, diepte-interviews en life histories in elke stad kunnen spreken met oud-deelnemers, deelnemers aan alternatieve tochten2, toeschouwers, organisatoren, politici en andere stakeholders om zo tot een beter beeld te komen van hoe de tocht tot op vandaag wordt gepercipieerd. Daarnaast werkte ik als vrijwilliger mee aan de Onbeperkte Elfstedentocht, een alternatieve tocht voor mensen met mentale of fysieke uitdagingen (Onbeperkte Elfstedentocht z.d.), om zo ook een tocht van begin tot eind mee te maken.
Door mijn Belgische achtergrond en relatief jonge leeftijd (ik heb nooit zelf een schaatstocht meegemaakt) nam ik een buitenstaanderspositie in het veld in. Daarentegen verschafte mijn kennis van het Nederlands en achtergrond als Vlaamse middenklasse student me wel een bepaalde mate van verwantschap en vertrouwen, waardoor ik een relatieve buitenstaanderspositie kon innemen tegenover de onderzoeksparticipanten. Vanuit deze positie kon ik met een bepaalde afstand kijken naar de mythevorming en de collectieve beleving van de tocht, wat essentieel bleek om de specifieke uniciteit ervan te kunnen vatten.
Naast de specifieke relevantie voor Friesland en Friese beleidsmakers, doet dit onderzoek ook een poging om een bredere maatschappelijke en wetenschappelijke relevantie te verwerven. De Elfstedentocht, en verwante concepten als de Friese mienskip die verder nog uitgebreid aan bod zullen komen, werden frequent aangehaald als bron van geluk en tevredenheid in de moderne tijd. Daarnaast blijkt uit kwantitatief onderzoek dat Friesland, ondanks lagere materiële welvaart, bij de provincies met de gelukkigste inwoners en het grootste sociaal vertrouwen van Nederland hoort (Omrop Fryslân 2019a), wat erop wijst dat het Friese welzijn deels verklaard moet worden vanuit niet-economische motieven, waarden, rituelen en handelingen. In een 21e eeuw waar welzijn en brede welvaart een steeds belangrijkere plaats innemen in lokaal, nationaal en internationaal beleid en wetenschappelijk onderzoek, kunnen de ervaringen van mensen met een relatief groot subjectief welzijn een onmisbare aanvulling op de bestaande literatuur vormen.
In de volgende delen van dit onderzoek zal eerst een theoretisch kader aan bod komen om de welzijnsantropologie en enkele kernconcepten te kaderen en definiëren, gevolgd door een bespreking van de gehanteerde methodologie, reflexiviteit van de onderzoeker en relevante ethische dilemma’s. Vervolgens zullen in de analyse enkele specifieke uitingen van de traditie aan bod komen, met speciale aandacht voor alternatieve tochten zoals de fiets- en Onbeperkte Elfstedentocht, het 11fountainsproject en de unieke positie van de schaatstocht, gevolgd door een discussie en conclusie.
2. Theoretisch en conceptueel kader
2.1. Geluks- en welzijnsantropologie: de “Friese paradox” vanuit antropologisch standpunt
De Elfstedentocht is een brede traditie, die bovendien raakt aan zowel lokale en regionale als nationale en internationale ontwikkelingen. De tocht is van groot symbolisch belang voor de elf betrokken steden, is een sterke uiting van Friese regionale trots (Omrop Fryslân 2025a), is ook voor heel Nederland symbolisch van belang, en raakt ook internationaal steeds vaker aan discoursen rond traditie en klimaatverandering (Kenyon 2024; Saueur 2025).
Door expliciet de focus te leggen op aspecten van geluk en welzijn daarentegen, kunnen ook minder opvallende ervaringen in dit onderzoek aan bod komen. Zo lag de focus van dit onderzoek initieel meer op klimaatverandering, om te bestuderen wat de link is tussen deze traditie en het veranderende klimaat (David 2025). De kans dat een Elfstedentocht jaarlijks kan doorgaan, is immers tussen 1909 en 2023 reeds significant gedaald (Visser et al. 2025). Waar de kans op een jaarlijkse tocht in de eerste helft van de 20e eeuw nog gemiddeld 20 procent bedroeg, was dat in 2023 gedaald naar vijf procent. Bij ongewijzigd klimaatbeleid zakt de kans op een Elfstedentocht tegen 2050 nog verder, namelijk naar minder dan twee procent per jaar (Visser et al. 2025).
Uit veldonderzoek bleek echter een relatief eensgezinde reactie, die ook door statistische data wordt bevestigd: er heerst reeds een groot bewustzijn over het bestaan van klimaatverandering, er heerst hier reeds een relatief grote bezorgdheid over, en een relatief grote meerderheid is ook reeds voorstander om klimaatverandering (snel) tegen te gaan.
Gemiddeld 93 procent van de Friezen denkt dat het klimaat zeker of waarschijnlijk aan het veranderen is, waarvan de grote meerderheid dit (groten)deels aan menselijke acties toeschrijft: opgesplitst naar geslacht, leeftijd, woonplaats, regio en opleidingsniveau zakt dit percentage nergens onder 90 procent (de Jong 2024). De mate van bezorgdheid over klimaatverandering in het eigen leven krijgt overal een score van 6,4 op 10 of hoger, de mate van bezorgdheid over klimaatverandering voor toekomstige generaties bedraagt in elke groep 7 op 10 of meer. Ook vindt in elke onderzochte maatschappelijke groep in Fryslân, 72 procent of meer dat klimaatverandering (snel) moet worden tegengegaan door zowel eigen acties als beleidsmaatregelen. Fryslân verschilt hierin niet significant van andere Nederlandse provincies, maar deze data tonen wel aan dat klimaatverandering als een probleem gepercipieerd wordt, en dat er een bredere maatschappelijke steun is om dit tegen te gaan, ook los van een Elfstedentocht (de Jong 2024).
Dat een gemis naar een volgende Elfstedentocht niet causaal of correlatief aanzet tot strenger klimaatbeleid, kan dan weer verklaard worden door twee centrale bevindingen, die ook steeds terugkwamen gedurende het veldwerk. Enerzijds het idee dat Nederland, en specifiek Friesland, zo klein is dat klimaatbeleid vanuit dit gebied alleen het probleem niet zal oplossen. Anderzijds een gevoel dat een robuust klimaatbeleid psychologisch relatief veraf ligt van een iets hogere kans op een toekomstige Elfstedentocht. Kort samengevat: doorheen Friesland heerst reeds een groot klimaatbewustzijn, maar (de afwezigheid van) de Elfstedentocht op de schaats heeft de gepercipieerde noodzaak aan actie tegen klimaatverandering niet wezenlijk verder aangewakkerd.
Wat wel steeds terugkwam in het veldonderzoek is hoe de Elfstedentocht fungeert als een centraal ankerpunt in het leven van vele Friezen. Vele Friezen gaven aan gelukkig te zijn, en herinneringen aan de tocht, gesprekken erover, en allerhande hedendaagse uitwerkingen van deze traditie, bleken voor veel onderzoeksparticipanten een grote factor in dat welzijn te vormen. Dit grote gepercipieerde welzijn in brede zin komt ook terug in statistisch onderzoek (Hoekstra 2024): Fryslân is al sinds 2019 de gelukkigste provincie van Nederland, waar telkens tussen 87 en 90 procent van de inwoners zegt gelukkig te zijn. Bovendien verklaart een significant kleiner deel van de Friese bevolking dat ze eenzaam, depressief en/of gestresseerd zijn dan voor het landelijke, Nederlandse gemiddelde geldt (Hoekstra 2024).
Dit alles terwijl Fryslân significant onder het landelijk gemiddelde zit wat betreft economische rijkdom (Friezen beschikken over het op één na laagste besteedbaar inkomen van alle Nederlandse provincies), en de werkloosheid er hoger ligt. Deze ogenschijnlijke tegenstelling is benoemd als “de Friese paradox”: de inwoners van Fryslân zijn de gelukkigste mensen van Nederland, terwijl hun economische rijkdom significant onder het landelijke gemiddelde hangt (van de Vegte 2020). Deze paradox heeft reeds aandacht gekregen in de politiek (Molema 2021), de gezondheidswetenschappen (Kooiker 2021) en in regionale en landelijke media (Zonderop 2022; Bijlo 2022; Omrop Fryslân 2019a; Veltman 2024; Hartkamp 2023), maar heeft anno 2026 nog geen diepgaande aandacht gekregen vanuit de antropologie.
Bovenal wijst het aanduiden van deze statistische gegevens als een paradox erop dat het welzijn van een bevolking vaak nog gelinkt wordt aan hun economische ontwikkeling. Dit komt voort uit een redenering die meer economische output linkt aan een hogere welvaart. Zoals de Friese casus echter aantoont, blijkt deze redenering minstens ten dele op drijfzand gebaseerd te zijn, omdat net de gelukkigste mensen van Nederland in één van de economisch minst welvarende regio’s wonen. Dit wijst erop dat het Friese welzijn minstens ten dele verklaard dient te worden vanuit redeneringen, handelingsmotieven en samenlevingstendensen met een niet-economische inslag.
En net in dit onderzoek kan de welzijnsantropologie daarvoor een interessant kader vormen. Deze stroming kwam op in de jaren 1990 en 2000, op een moment dat geluk, welzijn en tevredenheid in meerdere wetenschappelijke disciplines een prominentere plaats ging innemen (Kullenberg en Nelhans 2015). De bijdrage van de antropologie hierin is dan weer om net niet alleen te focussen op universalistische, westerse, individualistische maatstaven zoals tevredenheid of inkomen, maar om te onderzoeken hoe ideeën over een goed, gelukkig leven variëren tussen samenlevingen, en de cultureel ingebedde sociale relaties en praktijken die hieraan ten grondslag liggen in de diepte te bestuderen (Mathews en Izquierdo 2009a).
Gerelateerd hieraan is de bijdrage van Joel Robbins (2013) in zijn oproep voor een “anthropology of the good”, waarin de focus niet ligt op mensen die “radicaal anders” zijn en leven, noch op mensen die in verschillende samenlevingen allemaal een “universele” vorm van trauma meedragen, maar net op steeds andere invullingen van welzijn en geluk voor verschillende groepen. Hij probeert met name een brug te slaan tussen werken rond “radicale alteriteit” aan de ene kant en “universeel trauma” aan de andere kant, door cultureel breed gedragen idealen rond geluk en welzijn steeds te onderzoeken via cultureel specifieke, ingebedde rituelen, praktijken en sociale relaties (Robbins 2013). Robbins analyseert in zijn tekst vooral onderzoeken in niet-westerse contexten, en bestudeert hoe westerse concepten rond universaliteit en alteriteit in contact treden met niet-westerse groepen.
De bijdrage van dit antropologische onderzoek zal dan weer zijn om de spiegel terug naar het westen te richten: wat als universalistische, westerse maatstaven zelfs in het westen ontoereikend blijken te zijn om volledig te kunnen weergeven wat geluk en welzijn inhoudt in de Friese context? Waarom maakt de Elfstedentocht zo veel mensen blij en gelukkig? Wat ligt er ten grondslag aan die bron van geluk, en hoe wordt de Friese samenleving georganiseerd om deze traditie mogelijk te blijven maken?
Hierin ligt ook een mogelijke bijdrage van kwantitatieve data binnen de antropologie: waar de focus steeds ligt op een specifieke samenleving, en veldwerk en etnografische data en de bevindingen die hieruit voortkomen steeds de basis en het startpunt vormen voor een onderzoek, kunnen kwantitatieve data vanop het achterplan mede een bijdrage leveren. Waarom Fryslân in kwantitatief onderzoek, hoe ontoereikend deze ook moge zijn, bijvoorbeeld jaar na jaar naar voren komt als de Nederlandse provincie met de gelukkigste inwoners (van de Vegte 2020)? Waarom lukt het de Friezen beter om een steeds andere, cultureel ingebedde invulling van geluk na te streven dan mensen in andere, relatief vergelijkbare contexten zoals de andere provincies van Nederland?
Om beter te begrijpen wat de Elfstedentocht is, wat het losmaakt, en waarom het zo een bron van geluk blijkt te zijn (geweest) voor stakeholders binnen de traditie, kwamen enkele centrale kernconcepten steeds terug. In het volgende deel van dit theoretisch en conceptueel kader, zal ik de kernconcepten in deze zoektocht naar het Friese welzijn als moderniteit, resonantie, mienskip en leven verder contextualiseren, alvorens over te gaan tot methodologische reflecties.
2.2. Het schrikbeeld van de moderniteit in de tocht
Waar onderzoeksparticipanten frequent aangaven wat ze als constitutieve elementen van de Elfstedentochttraditie beschouwen, werd de traditie evengoed gedefinieerd door deze af te bakenen van wat er antithetisch aan is. Een van die concepten is een amalgaam van als relatief negatief gepercipieerde ervaringen, handelingen, ontwikkelingen, gevoelens en meningen, dat op veel vlakken relatief sterk gelijk leek te lopen met het Weberiaanse concept van “de moderniteit”.
Dat kwam sterk naar voren in een gesprek met Pieter* in Bolsward. Hij vertelde geanimeerd en levendig over de Elfstedentocht, over wat hem raakte, over hoe we het doorgaan van een schaatstocht grotendeels niet zelf rechtstreeks in de hand hebben, en hoe het steeds weer “een happening” was. Tot het gesprek draaide, over hoe hij bang is, en niet weet wat er zal gebeuren wanneer er nog eens een tocht komt. Zijn angst voor een ongeziene reclamecampagne, een mogelijke kaping van het evenement door sociale mediafiguren, en andere dingen die de aandacht zouden afleiden van “de essentie” en “wat het oorspronkelijk tot een happening maakte.” Zijn glimlach verstrakte tot een grimas. “We willen gewoon echt authentiek blijven”, zuchtte hij.
“Kijk, met al dat geld en al die regeltjes, dat geeft toch geen vulling? Ze maken er tegenwoordig zelfs al reclame mee, dat er bij huizen die langs de route liggen in het groot bij staat ‘Ligt langs de Elfstedenroute’ om de prijs te verhogen, dat wil je toch helemaal niet? Maar ja, zo werkt dat dan in de moderne tijd, denk ik.”
Hij kijkt me strak aan, zijn ogen een beetje nostalgisch, gericht op waar de Elfstedentocht volgens hem dan wel voor moet staan. Het vonkje in zijn ogen, dat er even daarvoor nog was, is verdwenen. En die fonkeling in de ogen verdween wel vaker, wanneer een interview of een gesprek in een bepaalde richting ging of wanneer het ging over een amalgaam van als negatief gepercipieerde handelingen, acties, uitspraken en gevoelens. Vaak betrof het een of meerdere van de volgende elementen: uitvoerig de Elfstedentocht gebruiken om reclame te maken, geld vragen om mensen bij je thuis te laten logeren, te expliciet geld of toeristische campagnes linken aan de tocht, maar ook de stempelkaart afschaffen, en vaak de “Elfstedenfonteinen”. Elk aparte zaken, maar vanuit een antropologisch oogpunt toch verbonden met de Weberiaanse moderniteit. Niet toevallig is ook dat de termen moderne tijd, deze tijd, onze huidige tijd, of moderniteit vaak vielen tijdens gesprekken, zo goed als steeds wanneer de onderzoeksparticipant niet langer geanimeerd en levendig vertelde, maar net met iets meer gebogen schouders, iets droger, minder enthousiast, minder levend.
Aan de basis van het betoog rond de moderniteit staat rationalisering: in steeds meer domeinen van de samenleving wordt harde, planmatige berekenbaarheid een kernwaarde, met geld als universele equivalent dat alles meetbaar maakt, en waartegen men alles afrekent. Efficiëntie en bureaucratisering gaan de basis van ons economisch systeem vormen, en steeds meer ook van andere maatschappelijke systemen (Etzrodt 2024, 661).
Concreet wat betreft de Elfstedentocht zou dit een fundamentele herstructurering van de traditie betekenen. Dat men de stempelkaarten zou afschaffen bijvoorbeeld: bij vorige tochten was het steeds nodig dat men in elke stad een handtekening of stempel had gehaald om zo te bewijzen dat men de tocht had afgelegd (Sportgeschiedenis 2019). Door technologische vooruitgang en de opkomst van trackers zou dat bijvoorbeeld niet meer hoeven, wat voor een “efficiëntere doorstroom van deelnemers” zou zorgen. Of dat men, door verdere technologische vooruitgang en bijvoorbeeld het aanleggen van een kunstmatige ijsbaan naast de route, kan gaan bepalen op welke dag een Elfstedentocht zal vallen. Dan kan deze dag immers al lang op voorhand ingeroosterd worden in de werkschema’s, om minimale verstoring voor de economie te garanderen.
Vooral waar het rationele concept van winstmaximalisatie naar voren komt (Etzrodt 2024), geld een centralere plaats gaat innemen in de traditie en waar alle mogelijke kanalen worden aangesproken om geld op te brengen, was de weerstand hiertegen vanuit het veld en in elke stad scherp, direct en onmiddellijk. De tocht moet vooral een niet-commercieel gebeuren zijn en blijven, en pogingen tot commercialisering of om “geld binnen te brengen” in de tocht, worden consequent afgewezen, of zelfs aangeduid als een “verkrachting van de tocht”, zoals ik in deze exacte bewoording tijdens gesprekken in Leeuwarden, Stavoren, Bolsward, Franeker en Dokkum heb kunnen noteren. Te uitgebreide reclamecampagnes, contracten met commerciële omroepen, betaalde vrijwilligersfuncties, of een gebruik van de traditie om geld op te brengen, werden consequent gepercipieerd als negatief en ongewenst. Duidelijk wordt dat deze tendensen in Friesland binnen de huidige socio-economische constellatie gezien worden als kwalijke elementen, elementen die maximaal buiten de “pure” Elfstedentocht moeten worden gehouden.
Het is immers net de uitbreiding van dat moderne, rationele waardenpatroon in de traditie dat een soort schrikbeeld van de moderniteit leek te zijn voor vele participanten, waaronder Pieter. Toch is het net dat wat Max Weber beschreef in zijn analyse van de moderniteit: het zou een fundamenteel kenmerk zijn van de moderniteit en het bijhorende waardenpatroon van efficiëntie, formele rationaliteit, bureaucratie en winst- of nutsmaximalisatie om zich steeds verder uit te breiden voorbij het economische domein, richting het recht, kunst en cultuur, politiek en vrije tijd (Etzrodt 2024, 663). Zo probeert economische, formele rationaliteit een vacuüm op te vullen dat religie als overkoepelend waardensysteem in geseculariseerde, westerse samenlevingen steeds meer is verloren. Hij beschrijft dit concept als de “onttovering van de wereld”: mysterie, mystiek, en religieuze en magische verklaringen verliezen steeds meer hun zeggingskracht, naarmate rationele verklaringen een prominentere plek gaan innemen (Etzrodt 2024, 655). Naarmate de wereld verder onttoverd geraakt komt er steeds meer ruimte vrij voor rationalisering, efficiëntie en bureaucratisering. In de uitbreiding van deze processen zouden mensen in moderne samenlevingen, aldus Weber, steeds meer terecht komen in een “ijzeren kooi”. In deze kooi zijn processen efficiënt, voorspelbaar, onpersoonlijk en formeel rationeel, en wordt elke mens een radar in een groter systeem (Weber 2019; Mitzman 1970).
De analyse van Weber is diepgaand en doordacht, maar is doordrongen van een zweem van universaliteit. Ook beschrijft hij zowel positieve als negatieve kenmerken van dit proces van rationalisering en onttovering, zoals efficiëntiewinst, maar ook betekenisverlies, in relatief brede zin. Verder interpreteerde hij dit proces in moderne samenlevingen als fundamenteel onomkeerbaar, zelfs in het geval dat de mensen in deze samenlevingen een omkering zouden nastreven (Etzrodt 2024, 655). Later kwam er echter substantiële kritiek op dit idee van onomkeerbaarheid van denkers als de politieke wetenschapper en antropoloog James Scott (1998), die het had over het falen en de systematische ondermijning van dit uitdijende, “universalistische”, hoog-modernistische rationaliseringsproces door lokale kennis en actoren in diverse samenlevingen.
In het Friese veld bestond er echter niet zozeer een maatschappijbrede weerstand tegen een formeel rationeel waardenpatroon an sich, maar wel tegen een uitbreiding en toepassing van dit waardenpatroon op elementen van de Elfstedentochttraditie. Velen gaven dan ook aan dat wat zij belangrijk vinden binnenin de traditie van de tocht, hier tegengesteld aan is. Waar een Elfstedentocht miljoenen euro’s zou kunnen opleveren, en in een formeel rationele samenleving dit ook de “nuttige optie” zou zijn, blijft de tocht in se steeds een niet-commercieel gebeuren. Dit wijst erop dat het rationaliseringsproces vooral in de economie niet per se brede weerstand oproept, maar in andere domeinen als kunst en vrije tijd wel. Eerder dan de rationalisering op zich, is het dus eerder de domeinoverschreiding van dit proces waar in het veld een weerstand tegen bestond. De traditie draait dan ook rond een fundamenteel ander waardenpatroon, dat de nadruk legt op zeer andere elementen dan wat formele rationaliteit aanbiedt.
2.3. Individuele fonkelingen, collectieve resonantie
Maar wat is de tocht dan wel? Welke echte of ingebeelde elementen binnen de Elfstedentochttraditie geven deze haar uniek aanzien? Een ander, impliciet tegengesteld kader bleek keer op keer naar boven te komen. Van Leeuwarden tot Stavoren en Dokkum, en van de jongste tot de oudste participanten, kwam er keer op keer een amalgaam van herinneringen, meningen, feiten en ervaringen op, dat zelden helder werd gedefinieerd, maar steeds in een gelijkaardige constellatie terugkwam. Deze kaders staan met elkaar in dialoog, en werden in het veld ook frequent samen besproken, vaak zelfs in dezelfde zin.
De tegengestelde symbiose in die amalgamen bleek bijvoorbeeld uit een gesprek met Marieke* in Hindeloopen. De vrouw sprak, met een onmiskenbaar vonkje in haar ogen, over het unieke gevoel en de sociale cohesie die opkomt wanneer de bevolking zich op zeer korte tijd klaarmaakt voor een tocht. De tijd tussen afkondiging van een geschaatste Elfstedentocht en het geven van het startschot heeft nooit langer geduurd dan een paar dagen. Bij de laatste edities was dat 48 uur, in 1997 zelfs nog minder dan dat (de Mik 2007).
Dit is de tijd waarin de bevolking honderdduizenden bezoekers ontvangt, honderden kilometers aan ijsbanen sneeuwvrij maakt en een van de grootste evenementen van Nederland op poten zet. Ze vertelt hoe Hindeloopen en alles wat de stad zo mooi maakt, zoals een bloeiend verenigingsleven en een hechte gemeenschap, naar boven komt tijdens de schaatstochten. Even verdwijnt haar energie en levenslust wanneer het over geld gaat. Ze betreurt hoe “de invloed van het geld overal steeds meer binnen sijpelt”. Toch verschijnt er snel weer een fonkeling, wanneer ze vol overtuiging stelt dat dit bij de tocht “gelukkig nog niet het geval” is. Ze bejubelt het niet-commerciële karakter van de tocht, en geeft tegen het einde van het gesprek een waarschuwing: “wanneer het geld wel binnenkomt [in de tocht], is het weg.”
“Het”. “Wanneer geld binnenkomt, of wanneer we geld gaan vragen aan logés”, of breder wanneer de tocht verregaand gerationaliseerd of commercieel wordt, is “Het” weg. Wat omvatten die drie letters dan, “Het”? Wat omvat die quasi-gesacraliseerde kern van de Elfstedentochttraditie die onder druk staat door allerhande tendensen van Weberiaanse rationalisering en modernisering, en die steeds als een ongedefinieerd, maar relatief concreet “Het” wordt aangeduid? Hier is het nuttig om te kijken naar tegenovergestelden aan de Weberiaanse moderniteit. Een belangrijke bijdrage hier is deze van Hartmut Rosa (2021), met zijn “resonantietheorie”, waarin hij op zoek ging naar de ethische en morele implicaties van Weber’s these op individuele mensen (David 2023).
De resonantietheorie werd vooral uitgewerkt in Rosa’s bekendste werk, namelijk Resonantie: een sociologie van onze relatie tot de wereld (2021). Naast een uitgebreide kritiek op de moderniteit, draait de theorie meer algemeen vooral rond “het goede leven”. Waar Weber immers expliciet focuste op de moderniteit, draait Rosa de focus van zijn onderzoek naar hoe dit kadert binnen discoursen van geluk en welzijn. Wat is een goed leven, hoe kunnen we het bereiken, hoe maken we het toegankelijk voor allen, en welke plaats speelt de moderniteit binnen een bredere zoektocht naar een goed leven voor individuele mensen? Volgens Rosa gaan individuele mensen relaties aan met de wereld, zowel bestaande uit nauwe banden met partners, familie en vrienden als banden met de gehele maatschappij en met de bredere omgeving waarin ze zich tijdens hun leven begeven. Die banden met de wereld kunnen aanvoelen als leeg en betekenisloos, of net als betekenisvol. Wanneer onze relatie tot de wereld geen betekenis heeft voor ons, ervaren we een relatie van relatieloosheid met de wereld (Rosa 2021, 30-35; David 2023, 7).
In zijn boek zocht Rosa (2021) echter naar het tegenovergestelde van deze meer lege relatie tot de wereld en kwam zodoende tot het concept resonantie. We ervaren resonantie wanneer we een diepe, betekenisvolle en wederzijdse relatie hebben met onze menselijke en niet-menselijke omgeving. In deze harmonieuze interactie worden we aanvaard in onze eigenheid, maar kunnen we onszelf ook laten veranderen door de wereld en vinden we betekenis en voldoening. Dit zijn de momenten waarin “het goede leven” voor allen toegankelijk is en wanneer mensen zich helemaal aanvaard voelen door de wereld rondom hen (Rosa 2021; David 2023, 7). Deze zoektocht naar het goede leven kenmerkt ook denkers als Joel Robbins en andere geluks- en welzijnsantropologen, die cultureel specifieke invullingen van welzijn en geluk gaan onderzoeken.
Rosa (2021) stelde dat deze resonantie samengaat met bepaalde normatieve waarden, maar liet het concept verder theoretisch minder gefundeerd, waardoor het wat meer in het abstracte bleef hangen. In dit werk zal ik deze resonantie echter definiëren als een menselijk gevoel, dat eerder wordt opgeroepen en fysiek geuit in specifieke groepssituaties met culturele betekenis voor de participanten, en deels de unieke positie van de Elfstedentocht verklaart. Ook heeft dit collectieve gevoel van resonantie, in tegenstelling tot Rosa’s meer individuele invulling, in de Friese context een expliciet groepsgerichte en communautaire kant, waar resonantie mogelijk wordt gemaakt vanuit een mienskipsparadigma.
2.4. De Friese mienskip als waardensysteem in de moderne tijd
Rosa (2021) vertrok in zijn analyse vanuit individuele gevoelens en ervaringen, en vanuit individuele, specifieke relaties tussen mensen. Hierdoor raakt het onderdeel van zijn these dat focust op bredere groepsverbanden en op gevoelens van solidariteit, samenhorigheid en gemeenschap wat ondergesneeuwd. In verschillende antropologische welzijnsstudies blijken relaties met andere mensen, niet alleen tussen individuen maar ook gevoelens van gemeenschap, een grote of de grootste factor te zijn in hoe gelukkig en gezond mensen door het leven gaan (Mathews en Izquierdo 2009b; Fischer 2014; Gardner 2015). In Friesland bleken deze resonante reacties, die net wanneer het over elementen van de Weberiaanse moderniteit gaat zo afwezig zijn, frequent uiting te krijgen in elementen van de Elfstedentocht die de nadruk leggen op gemeenschap en samenwerking om de tocht in het werk te stellen en samen over de eindstreep te komen.
Specifiek in Friesland krijgt de aanduiding voor gemeenschap een specifieke invulling en een eigen, regionale term, namelijk mienskip (van der Meulen z.d.). Het slaat op een bepaalde invulling van het Friese gemeenschapsgevoel, op de onderlinge verbondenheid die wordt ingezet om de gemeenschap te beschermen. Eeuwenlang werkte deze mienskip samen om terpen (door de mens opgeworpen heuvels) en dijken te bouwen in de laaggelegen delen van Friesland, en tot op vandaag wordt de mienskip in verband gebracht met de verbondenheid van de gemeenschap en de Friese samenleving. Historisch gezien sloeg deze verbondenheid primair op het eigen dorp, in de 21e eeuw krijgt de term ook een bredere invulling, als elke vorm van burenhulp, als de verbondenheid van de Friezen met hun unieke taal, geschiedenis en cultuur, en als de regionale verbondenheid binnenin Friesland en met buitenstaanders. In 2018, wanneer Leeuwarden-Fryslân Culturele Hoofdstad van Europa werd, was mienskip zelfs het centrale thema (van der Meulen z.d.).
Mienskip is in bepaalde situaties een beladen term geworden, net omdat de betekenis ervan zo breed is geworden, vooral sinds 2018. Wel is het mienskipsgevoel voor veel Friezen erg belangrijk, waar dat wijst op spontane hulp, een gevoel van verbondenheid, een element van regionale trots, en een soort spontaniteit die voortkomt uit een onderling vertrouwen tussen jezelf en je omgeving. Bij een aantal van die momenten was ik zelf aanwezig, zoals op de laatste dag van de alternatieve Onbeperkte Elfstedentocht. Ik bevond mezelf in Weidum, waar enkele deelnemers die dag zouden vertrekken voor het laatste onderdeel van hun Elfstedentocht. Een deelneemster kwam naar me toe, en deelde mee dat ze die dag niet zou kunnen deelnemen. De accu voor haar elektrische fiets was niet meer opgeladen, en zonder accu zou ze de finish niet halen. Met grote spijt in haar stem en houding kwam ze zich dus uitschrijven voor de etappe van die dag, en meedelen dat ze haar Elfstedentocht niet zou kunnen afmaken. Tot de mienskip in actie schoot, die spontane hulp die onbekenden aan elkaar bieden, zeker waar het over de tocht gaat.
Een bewoonster van Weidum had ons gesprek gehoord, en verzekerde de vrouw dat ze een oplader zou krijgen. Ze begon meteen rond te bellen in het dorp, aan voorbijgangers en toeschouwers te vragen of ze een oplader voor een elektrische fiets hadden, en ging bij enkele huizen aanbellen om te vragen of ze een oplader kon lenen. De bewoonster en de deelneemster kenden elkaar niet, en toch werd er spontaan, onmiddellijk en onvoorwaardelijk hulp geboden. En zowaar: nog geen kwartier later lag er een oplader klaar voor de deelneemster, waardoor ze haar fiets toch nog kon opladen, en ze later die dag toch nog vol trots over de finish kwam in Leeuwarden.
De mienskip wordt in Friesland frequent in verband gebracht met de lage eenzaamheidscijfers en het sterk sociaal weefsel in de regio (Hutjes 2025). Zo kon ik zelf in elke Friese stad een paar dagen overnachten bij inwoners van de steden thuis. Ik stuurde in Facebookgroepen van elke stad berichten uit met een contextualisering over waarom ik overnachting zocht in de Friese elf steden, en kreeg een overweldigend aantal berichtjes van Friezen die spontaan een slaapplek aanboden. Eenmaal daar, kreeg ik hulp, kon ik mee eten, kon ik een fiets lenen enzovoort, allemaal volstrekt gratis.
Dat ik als buitenstaander een onderzoek zou gaan doen over de Elfstedentocht, was voor velen dan ook een belangrijke factor. De tocht centreert niet-commercialiteit, en tijdens een tocht is de mienskip een aanwezig element van de beleving, aldus meerdere onderzoeksparticipanten. Zo boden Roosje* en haar man in IJlst in 1997 bijvoorbeeld belangeloos onderdak aan 32 Nederlanders, nam een man uit Harlingen in 1986 enkele verkleumde schaatsers mee naar huis om hen te laten opwarmen en hen belangeloos een warme maaltijd aan te bieden, en lijken dingen uitdelen en aanbieden, en even een praatje slaan met je omgeving nog net iets populairder tijdens een Elfstedentocht, aldus de bewoners van de Friese steden zelf.
Een ander mooi verhaal is dat van Joop*, een ervaren schaatser, die het speciale gevoel van een Elfstedentocht maar moeilijk onder woorden kon brengen, maar op een zonnige dag in Leeuwarden toch honderduit vertelde over wat de tocht zo uniek maakt. In 1985 werd hij vooruit gejuicht, aangemoedigd, soms zelfs gedragen langs wakken waar het ijs te dun was, waardoor hij de finish bereikte hoewel hij geblesseerd was. Vervolgens werd hij nog doodop naar huis gebracht, allemaal belangeloos, en allemaal door mensen die hij amper of niet kende, maar die zich met hem verbonden voelden dankzij die unieke uiting van het Friese mienskipsgevoel, de Elfstedentocht. In 1996, tijdens een onofficiële tocht, zakte hij volledig door het ijs. Hij was verkleumd, maar werd meteen uit het water gehaald en voor de haard gezet. Hij vertelt hoe hij toen zei dat hij ging moeten stoppen, omdat zijn kleren volledig nat waren. Tot een toeschouwer van de tocht spontaan droge kleren ging halen die hij kon aantrekken. De kleren heeft hij ook na het bereiken van de finish nooit moeten teruggeven.
Spontaniteit, belangeloosheid, verbondenheid, met mensen die je goed kent, maar ook met volslagen vreemden, hierop leek de conceptie van mienskip vaak terug te komen. Steeds bleek het een grote bron van welzijn te zijn voor vele Friezen, en een van de belangrijkste elementen van de Elfstedentochttraditie. Er kwam in gesprekken ook vaak een aan elkaar hangend amalgaam naar boven, dat door gevoelens van resonantie wordt verbonden. Het draait hier rond een centrering van een gemeenschaps- en regiogericht waardenpatroon, dat geen religieus, maar ook geen formeel rationeel of economisch waardenpatroon centraal stelt. Een Elfstedentocht brengt dit waardenpatroon extra naar de voorgrond. Hierin neemt de beleving van een specifiek cultureel en identitair Fries, communautair-humanistisch waardenpatroon tijdelijk de regie over. Een niet-commerciële, traditionele Elfstedentocht lijkt net datgene te bieden wat vaak wordt gemist in een Westerse, geseculariseerde samenleving: een overkoepelend waardenpatroon dat zich evenwel niet richt op economische motieven of overwegingen.
De aanwezigheid van de Friese mienskip minimaliseert economische interacties door spullen te delen en uit te lenen, en door buren te helpen met zaken waar ze anders gespecialiseerde professionele hulp voor zouden moeten zoeken. Dit maatschappelijke fenomeen is fundamenteel niet “nuttig” in economische zin, maar wel een belangrijke, cultureel specifieke bron van welzijn in Friesland. Een bron van welzijn, die in niet-economische domeinen als cultuur en kunst, vrije tijd en politiek een grote, frequent grotere invloed heeft dan economische, formeel rationele bedenkingen. Het wijst op een tegengewicht tegen het rationaliseringsproces dat Weber beschreef als onomkeerbaar (Etzrodt 2024, 655), en op een lokale vorm van weerstand hiertegen waar antropologen als Scott (1998) reeds dieper op ingingen. Toch is het Friese verzet tegen deze rationalisering relatief prozaïsch, en bestaat deze uit een relatieve onverschilligheid tegenover formeel rationele logica’s. Een deel van het Friese welzijn bestaat er dus net uit dat het “onomkeerbare” rationaliseringsproces toch een halt wordt toegeroepen, daar waar de Friese mienskip handelingsmotieven kan bieden, vooral in de maatschappelijke domeinen van kunst, cultuur en vrije tijd.
2.5. De volheid van “het goede leven”
Maar wat betekenen deze inzichten dan voor “het goede leven” van een gemiddelde Fries? Een laatste kernconcept dat bleef terugkomen, is immers “leven”. Want wat is “het leven”? In een zeer brede betekenis, omvat “leven” ons gehele bestaan. Dan ben je in leven zolang je ademhaalt, zolang je hart blijft kloppen. Dat is echter niet hoe deze term doorgaans wordt gebruikt in Friesland. Dat staven deze citaten van mensen in verschillende delen van de regio. Een oudere dame in Sneek merkte op: “het leeft hier zo sterk”. Een voormalige vaste vrijwilliger in Bolsward liet optekenen: “dat was de tijd van mijn leven”. Chris Sytsma, huidig bestuurslid bij de vereniging, stelde: “ik wil de tocht doorgeven als een levende traditie”. De eerder genoemde Pieter uit Bolsward gaf het volgende aan: “in die commerciële dingen zit toch geen leven”. Een koppel in Dokkum zei nog: “we gaan zo leven wanneer het zover is”, en “De Elfstedentocht leeft hier zo sterk!” is een zin die ik in die exacte bewoording in verschillende steden kon noteren.
Dit wijst op een nauwere invulling van het begrip leven, een conceptie die zelfs fysiek opvalt, bijvoorbeeld in gesprek met Henk* in Harlingen. Het begint al wanneer ik in zijn kantoor binnenstap. Een joviale handdruk, gevolgd door “Nou, jij bent dus die Belg die onderzoek doet naar de Elfstedentocht? Leuk hoor!” De toon was gezet. Na enkele inleidende vragen, vraag ik aan Henk om te beschrijven hoe hij de Elfstedentochten heeft beleefd. Hij lijkt net wat te groeien in zijn stoel, begint erg te lachen, denkt terug aan vroeger, en begint helemaal te glunderen. Henk wordt bijna gehuld in een warme gloed die tot bij mij reikt. Hij heeft de schaatstocht nooit officieel kunnen rijden, maar heeft in 2012, wanneer het bijna zo ver was dat hij officieel georganiseerd werd, wel de volledige route gereden, samen met duizenden andere schaatsers, en nog veel meer mensen langs de kant. Hij neemt me mee naar 2012.
“Dan ben je aan het schaatsen, tussen het riet, in het Friese land, mooi zonnetje, overal mensen langs de kant en op het ijs, en dan denk je toch, er is op aarde geen mooiere plek dan dit. Het is de mooiste sportieve dag van mijn leven geweest, en een van de mooiste dagen in mijn leven.”
Henk leeft op. Hij vertelt honderduit over het ijs, de mensen, de uitdaging, en ’s avonds laat weer aankomen in Harlingen, om in de armen van zijn vrouw te vallen. Het duidt op een andere conceptie van leven. Henk vertoont gedurende het gesprek voortdurend een schittering in de ogen, een soort vuur, een levensvuur.
En even snel als het opkwam, ging het weer weg. Zoals wanneer ik hem een vraag stelde over het 11fountains-project, dat verder nog uitgebreid aan bod zal komen. Henks schouders zakken wat dieper, hij stopt bijna volledig met lachen, leunt wat achterover. “Nou, ik heb er niet zo veel mee eigenlijk.” En even snel als het vonkje was opgekomen, was het ook weer weg. Henk ging net wat minder leven.
Wat zegt dat dan over het concept leven in deze specifiekere betekenis? Wanneer zegt een Fries dat hij of zij leeft? Wanneer valt op dat hij of zij (op)leeft? Wanneer gaat een Fries fysiek net wat levenslustiger en levendiger spreken, net wat meer energie en warmte uitstralen, die ook een buitenstaander kan raken? Binnen de antropologie en de bredere humane wetenschappen is er reeds uitgebreid geschreven over leven vanuit verschillende benaderingen, zoals een biologische benadering die het leven opvat als een geheel bestaan van geboorte tot sterfte. Veel meer aanwezig binnen de antropologie echter, is de symbolische benadering van bijvoorbeeld Clifford Geertz, waarin men door het leven gaat doorheen cultureel specifieke webben van betekenisgeving (Geertz 1973). Ook een fenomenologische benadering zoals van Thomas Csordas is verhelderend, omdat leven hier wordt opgevat als een persoonlijke ervaring waardoor alles wordt gefilterd, gevoeld en geïnterpreteerd (Csordas 1994). Ook nog interessant zijn animistische en biopolitieke benaderingen, omdat hier meer aandacht wordt gegeven aan anders-dan-menselijke levens en aan hoe het leven bepaald en doorsneden wordt door technologie, politiek en macht (Rival 2012; Agamben 1998).
De Friese benadering van leven lijkt, eerst en vooral, tweeledig te zijn. Enerzijds is er die benadering die de conceptie “leven” grotendeels laat samenvallen met de conceptie “bestaan”, en dus sterk lijkt op de biologische benadering, waarin men leeft van de geboorte tot het moment van overlijden. Anderzijds echter, neemt de conceptie van leven een specifieke plaats in. Veel onderzoeksparticipanten voelen deze conceptie vaak, maar zeker niet uitsluitend, tijdens een Elfstedentocht.
Alleszins blijkt hieruit dat het leven voor dit onderzoek gedefinieerd moet worden als een specifieke ervaring, een soort volheid. Dit linkt dan weer expliciet aan resonantie, mienskip en de geluks- en welzijnsantropologie. Zo is resonantie ook een bepaalde relatie van volheid in de wereld, een collectie van duurzame en meer vluchtige momenten waarin mensen het gevoel hebben dat ze tegen de wereld in hun eigen stem kunnen spreken, en dat de wereld ook terugspreekt tegen hen op voet van gelijkheid (Rosa 2021). Een uiting hiervan zijn de banden die we met andere mensen hebben in duurzame assen van resonantie. Deze ontstaan wanneer iemand zich erkend voelt in zijn eigenheid door anderen, zowel individuen als groepen (Rosa 2021). Die groepsverbinding uit zich in Friesland dan ook op een specifieke manier in de mienskip, die verband houdt met lage eenzaamheidscijfers, een groot sociaal vertrouwen en een mate van sociale cohesie die vele andere delen van Nederland niet in die mate kenmerkt (van der Meulen z.d.; Hutjes 2025).
Friezen die duurzame resonante ervaringen hebben en zich erkend voelen door hun sociale omgeving, twee ervaringen die vaak versterkt worden tijdens een Elfstedentocht, wijzen in die momenten steeds op een specifieke conceptie van hun leven, een conceptie waarin men niet louter biologisch voortschrijdt door de tijd, maar men ook effectief ervaringen heeft die hun leven “vullen”. De regionale trots en tradities rond de Elfstedentocht en hiermee samenhangende ervaringen weten het leven bij vele stakeholders te “vullen” met resonante momenten. Deze cultureel specifieke, groepsgerichte invulling van een “vol”, een gelukkig of een goed leven sluit hiermee dan ook weer aan bij de oorspronkelijke zoektocht van Joel Robbins naar “the good life” (2013), en de bredere zoektocht in de welzijnsantropologie naar cultureel specifieke invullingen van een goed leven (Mathews en Izquierdo 2009b; Fischer 2014; Gardner 2015). Deze conceptie van een vol, goed leven lijkt in Friesland ten slotte op gespannen voet te staan met meerdere kernconcepten uit de Weberiaanse moderniteitsthese als rationalisering, efficiëntie en winstmaximalisatie (Etzrodt 2024).
Mensen die opleven en rechtop gaan zitten wanneer het gesprek gaat over een niet-commerciële, traditionele Elfstedentocht, of over uitingen van de Friese taal of de Friese mienskip, en net gaan neerbuigen en achteroverleunen wanneer het gaat om commercialisering, winstmaximalisatie, doelrationeel of efficiënt handelen. Het duidt erop dat een “goed leven” moeilijk gezocht kan worden in dat formeel rationeel waardenpatroon. Zoals Weber ook aanhaalt: een formeel rationeel waardenpatroon kan wel zeggen hoe je moet leven, maar niet waarom je zo zou moeten leven (Etzrodt 2024, 661). Een specifiek Fries, communautair-humanistisch waardenpatroon lijkt die zoektocht naar betekenisgeving dan weer wel een plaats te kunnen geven. De Elfstedentocht, in haar traditionele vorm als centrale uiting van dat laatste waardenpatroon, lijkt zich zeer goed te kunnen inpassen in een cultureel specifieke, Friese conceptie van het goede leven.
Wel blijft hiermee de vraag bestaan waarom de geschaatste Elfstedentocht binnenin dit kader steevast de grootste aandacht, de grootste interesse en ook het grootste geluk lijkt uit te lokken. De tocht is een zeer brede traditie, die meerdere jaarlijkse alternatieve tochten, een groot literair corpus en andere cultuuruitingen omvat, maar toch blijven concepten als resonantie, mienskip en een vol leven specifiek het meest aansluiten bij de ene variant van de tocht die er al bijna 30 jaar niet meer geweest is. In het volgende deel van deze thesis zal ik dieper ingaan op mijn gehanteerde methodologie om te trachten hierop een antwoord te vinden, door middel van rigoureus vooronderzoek, zes weken van veldwerk in Friesland, en een lange periode van data-analyse.
3. Methodologie, positionaliteit en ethiek
Het onderzoek draait dus rond een traditie met veel elementen, waarvan er zeer veel tot vandaag doorlopen, enkele elementen deel zijn geworden van een quasi-mythische legendevorming, en waarvan het centrale element, een traditionele, geschaatste Elfstedentocht, ondertussen reeds enkele decennia geleden is. De gehanteerde methodologie probeert daarom brede inzichten te verwerven vanuit verschillende historische en actuele hoeken, om via een interpretatieve etnografische aanpak dichter te komen bij hoe relevante stakeholders de Elfstedentochttraditie ruimtelijk en temporeel construeren.
Een kwalitatieve, antropologische methodologische benadering is hiervoor uitermate geschikt en essentieel, omdat volledige immersie in de Friese context gedurende een veldwerkperiode van zes weken heeft geleid tot inzichten die een minder etnografische benadering niet tot stand had kunnen brengen. De unieke positie van de Elfstedentocht wordt dan ook bepaald door een combinatie van een aantal factoren die ik alleen heb kunnen vatten door steeds een antropologische thick description toe te passen (Geertz 1973). Een blik, de inrichting van een huiskamer, de waterlopen van de geschaatste Elfstedentocht en de aanblik van de Friese elf steden zijn allemaal elementen die mee aanwijzingen kunnen geven over waarom de Elfstedentocht zo uniek is en blijft. De antropologie, met uitgebreide aandacht voor anders-dan-gesproken bronnen en geleefde realiteiten en focus op een onderdompeling in een bepaalde context, biedt een krachtige benadering om dit complexe fenomeen en de nog complexere banden tussen de tocht en Friesland diepgaand te vatten.
De onderzoeksvraag is dus de volgende: welke factoren verklaren de unieke positie van, en continue interesse in, de geschaatste Elfstedentocht vanuit stakeholders binnen de traditie, zelfs decennia na de voorlopig laatste editie van deze tocht?
Om dit te achterhalen, heb ik gebruik gemaakt van enkele onderzoeks- en data-analysetechnieken, zowel tijdens het voorbereidend werk, als tijdens het veldwerk en tijdens de verwerking van de data tot deze finale thesis. Al sinds een voorbereidende fase, tijdens de eerste helft van 2025, heb ik extensief gebruik gemaakt van literaire naslagwerken van Friese en Nederlandse auteurs, specifiek die van Johannes Lolkama (2006; 2009) en Ron Couwenhoven (2009). Deze werken zijn doorheen de rest van het onderzoek essentieel gebleken, om de historische en hedendaagse context waarin het onderzoek plaatsvindt steeds helder voor ogen te blijven houden. Tijdens deze initiële fase ben ik ook via e-mail, Facebookberichten en persoonlijke contacten op zoek gegaan naar een doelgerichte steekproef (Bernard 2018, 190) van stakeholders binnen de traditie, gaande van organisatoren, vaste vrijwilligers en (ex-)deelnemers, tot toeschouwers en zij die losser betrokken zijn of waren. Via een heel aantal lokale sneeuwbalmethodes (Bernard 2018, 190-194) kwam ik zo vervolgens steeds weer bij nieuwe participanten uit, vooral uit Friesland, maar ook breder uit andere delen van Nederland en België.
In augustus en september 2025 brak een tweede belangrijke fase van het onderzoek aan: het eigenlijke veldwerk. Gedurende zes weken ben ik naar het epicentrum van de traditie getrokken: de noordelijke Nederlandse provincie Fryslân, en specifiek haar elf traditionele Friese steden en hun omgeving. Ik overnachtte steeds bij gastvrije inwoners van de elf steden thuis, en besteedde deze periode aan het beter begrijpen van de traditie, door middel van verschillende technieken, met elk een belangrijke bijdrage voor het onderzoek.
Ten eerste participerende observatie, de basis van de antropologische discipline (Musante 2015, 251) en met goede reden ook de basis voor dit onderzoek. Om de Elfstedentocht beter te begrijpen, heb ik zelf een alternatieve tocht ondernomen. Vanuit Leeuwarden heb ik in elf etappes de volledige Elfstedentocht gewandeld, van stad naar stad, grotendeels langs de originele route van de schaatstocht.
Hiermee kon ik enerzijds zelf beter begrijpen wat de tocht mentaal en fysiek teweeg kan brengen. Dit heeft me geholpen een meer waarheidsgetrouw beeld te kunnen vormen van hoe de tocht eruitziet en verschafte me daarnaast ook een bepaalde mate van vertrouwen in het veld. Zo heb ik zelf bijvoorbeeld “De Hel van het Noorden” gewandeld, de afstand van 42 kilometer tussen Franeker en Dokkum, zo genoemd omdat dit het zwaarste deel van de tocht zou zijn (Jepkema 2022). Anderzijds kon ik hierbij ook in interactie treden met voorbijgangers, bewoners langs de route, met het landschap en met niet-menselijke actoren. Deze ongeplande contacten en inzichten hielpen enorm om de traditie zelf beter te begrijpen.
Ik heb naast deze vaak individuele ervaringen echter ook doorheen de veldwerkperiode deelgenomen aan het sociale leven in elke stad, en heb me verder verdiept in de geschiedenis en unieke context van de regio, door een bezoek aan de “Elfstedenfonteinen”, relevante stadsmusea en heemkundige kringen, en door veel tijd door te brengen in de stadscentra. Zo kon ik ook spontane gesprekken oppikken, taaldynamieken en strategieën van herinnering en adaptatie identificeren. Daarnaast logeerde ik bijna steeds bij Friezen thuis, en kon ik in deze losse gesprekken van dichterbij ervaren waar relevante gegevens als de Friese mienskip, herinneringen en huidige praktijken rond de tocht opdoken.
Ook heb ik als vrijwilliger meegeholpen aan de alternatieve “Onbeperkte Elfstedentocht”, voor deelnemers met een mentale en/of fysieke uitdaging die deelname aan een andere tocht bemoeilijkt (Onbeperkte Elfstedentocht z.d.). Hiermee kon ik bestuderen wat een tocht kan teweegbrengen in een groepscontext, van begin tot eind. Gedurende vijf dagen kon ik met deelnemers, organisatoren, andere vrijwilligers, toeschouwers en toevallige voorbijgangers in gesprek treden, onderlinge dynamieken observeren, en deelnemen daar waar dat gepast was. Dankzij deze aspecten kon ik reeds belangrijke inzichten opdoen over de unieke werking van deze traditie.
Een tweede onderzoekstechniek besloeg semi-gestructureerde diepte-interviews (Bernard 2018, 212). Ik kon in gesprek gaan met inwoners uit elk van de steden en uit verschillende andere plekken in Friesland en Nederland, en door middel van deze meer geplande interviews dieper ingaan op specifieke prangende vragen en relevante spanningen. Afhankelijk van de persoon of personen waar ik mee in gesprek ging (politici, deelnemers, toeschouwers, organisatoren, inwoners, minder geïnteresseerde omwonenden) paste ik de specifieke vragen steeds aan, en dankzij de diverse antwoorden van de deelnemers kon ik ook inzichten opdoen vanuit verschillende standpunten. Wel vroeg ik bijna steeds of de participanten zichzelf even konden voorstellen, hoe ze betrokken waren bij de Elfstedentochttraditie, wat de tocht voor hen zo uniek maakt, hoe ze er tegenover staan, en hoe zij de constellatie zien tussen de schaatstocht, en alle andere uitingen van de traditie.
Een derde belangrijk aspect, was ook vaak een life history (Shaw 1980): ik vroeg aan de interviewpartners om hun levensloop te beschrijven, en steeds stil te staan bij die momenten wanneer de Elfstedentocht als een rode draad hun leven doorkruiste. Wanneer dat was, om welke redenen, hoe frequent, en hoe ze tegenover die interacties stonden, verschilde enorm van interview tot interview, maar leidde uiteindelijk tot een kristallisatie van de relevante inzichten. Deze analyses bleken een complementair, verhelderend beeld op te leveren over de tocht, over de factoren die de Elfstedentocht toen uniek maakten, en de factoren waardoor ze dat vandaag nog steeds is.
Op 21 september 2025 wandelde ik voorbij de finishboog aan de Bonkevaart in Leeuwarden die in 1985, 1986 en 1997 het eindpunt van de schaatstocht vormde (Lolkama 2009, 206), en zo eindigde ook mijn actieve veldwerkperiode. Ik vertrok de dag erna uit Friesland, en zo begon een derde periode in het onderzoek: de dataverwerking en -analyse, en het schrijfproces. Eerst ging ik van de ruwe data, bestaande uit korte, dagelijkse notities, langere, uitgeschreven veldnotities, en historische literaire en televisiestukken rond de Elfstedentocht, naar verdere structurering van de inzichten. Ik heb de data meerdere keren herlezen, en vervolgens via open coding een codeboek opgesteld (Bernard 2018, 400) rond relevante concepten als mienskip, geluk, familie, moderniteit, traditie, continuïteit, verandering, Friesland en dergelijke. Hierop volgde dan een thematische analyse (Chatfield 2019, 8), om patronen, terugkerende concepten en centrale inzichten te identificeren en in dialoog te laten gaan met de antropologische en sociaalwetenschappelijke bronnen van onder andere Robbins (2013), Weber (2019) en Rosa (2021), en met het preliminaire theoretische en conceptuele kader (Bernard 2018, 492). Deze methodes van dataverwerking en -analyse stelden me in staat om een robuust overzicht te verkrijgen van de veldwerkperiode, en deze vervolgens te verbinden met theoretische inzichten die niet rechtstreeks uit de eigen data naar voren komen.
Vervolgens kon ik starten aan het laatste deel van dit thesisproces: het eigenlijke schrijven. Ik stelde een antropologische thesisstructuur op, en baseerde me tijdens het schrijven steeds op de veldwerkdata, in een continue dialoog met antropologische werken en bredere sociaalwetenschappelijke inzichten. Deze iteratieve aanpak, steeds vertrekkende vanuit het veld, stelde me in staat om een inductief onderzoek uit te voeren dat tegelijk nieuwe inzichten vanuit een eigen positie presenteert, en sterk verbonden is met de antropologische discipline die het onderzoek kadert en kenmerkt (Yom 2015).
Doorheen dit onderzoek zijn er enkele centrale ethische dilemma’s voorbij gekomen om continu in gedachten te houden, vooral rond kenbaarheid en anonimisering, rond impliciete toestemming en rond de spanning tussen observeren en participeren.
Het is in een onderzoek als dit, waar veel dorps- en stadsgemeenschappen relatief hecht zijn, belangrijk om de privacy van onderzoeksparticipanten steeds te waarborgen (ALLEA 2023, 7). Persoonlijke verhalen en citaten zullen daarom steeds onder schuilnamen verschijnen in de thesis, en ik zal ernaar streven dat de onderzoeksparticipanten zelf hun eigen bijdrage kunnen herkennen in het onderzoek, maar dat deze uitspraken voor anderen niet tot hen te herleiden zijn. Ik zal wel een onderscheid maken tussen mensen die vanuit non-officiële posities spreken, en mensen die dat wel doen. Zo zullen politici, organisatoren van de Elfstedentochten en andere relevante personen met een officiële functie wel met hun eigen naam verschijnen, maar steeds alleen wanneer ze vanuit hun rol binnen de organisatie of de gemeente spreken. De bijdrages van andere deelnemers worden standaard opgenomen onder schuilnamen. Zo probeer ik de balans te behouden tussen de integriteit van de deelnemers en van het onderzoek (David 2025, 13).
Verder heb ik van alle onderzoeksparticipanten waar ik een interview mee heb gedaan, en van iedereen waar ik meerdere dagen mee gespendeerd heb, expliciet toestemming gevraagd om hun bijdrages mee te nemen in het onderzoek. Ik heb steeds in totale openheid gecommuniceerd over mijn rol als student-onderzoeker, en heb ook steeds open gecommuniceerd over mijn verwachtingen. Zo hebben deze onderzoeksparticipanten ook steeds aangegeven waarover ik kan schrijven, en hebben enkelen ook bijdrages afgebakend die ik niet kon gebruiken. Deze dilemma’s werden dus steeds uitgepraat en opgelost tijdens het veldwerk, door een open en eerlijk gesprek te hebben met de deelnemers over onze verwachtingen en bijdrages.
Anders was het echter met meer informele of korte bijdrages, bijvoorbeeld van toevallige voorbijgangers, familieleden van onderzoeksparticipanten die even langskwamen en dergelijke. Ik heb als vuistregel steeds genomen dat ik in volledige openheid communiceerde over mijn positie wanneer iemand me erover aansprak, maar heb het ook niet steeds in de groep gegooid, om niet excessief tussen te komen in de groepsdynamieken. Doorheen het verdere verloop van het onderzoek heb ik wel nog strenger toegekeken op het anonimiseren van deze bijdrages waarvoor ik slechts impliciete toestemming heb gekregen, en indien nodig ook biografische gegevens aangepast om de privacy steeds te vrijwaren (ALLEA 2023, 7).
Ook heb ik zo goed als constant enkele vaste, maar ook enkele steeds verschillende posities ingenomen in het veld. Ik ben in contact getreden met deze gemeenschappen vanuit een specifieke positie van een relatieve buitenstaander. Langs de ene kant ben ik geen Fries, noch een Nederlander, en heb ik geen persoonlijke of familiale band met de Elfstedentochttraditie, wat me tot een buitenstaander in het veld maakte. Anderzijds spreek ik Nederlands, en verschafte deze talenkennis en mijn positie als middenklasse student aan een prestigieuze Vlaamse universiteit me een bepaalde mate van initieel verwantschap met en vertrouwen in het veld, waardoor mijn buitenstaanderspositie bij momenten slechts relatief was.
Daarnaast heb ik nooit zelf een schaatstocht meegemaakt, waardoor ik de tocht op een andere manier benader dan de meeste onderzoeksparticipanten die er wel degelijk directe ervaring mee hebben. Dit is echter ook een methodologische troef gebleken. Doordat ik geen directe ervaring heb met hoe het echt in zijn werk is gegaan, kon ik volledig de focus leggen op de culturele mythevorming rond de tocht en op hoe de traditie functioneert als ideaalbeeld. Ook is dit werk een van de eerste niet-Nederlandse werken rond de tocht, waardoor deze buitenstaandersblik mogelijk nieuwe inzichten kan genereren waar meer intieme visies de aandacht minder op hebben gevestigd (Narayan 1993). Ook kan ik door mijn relatieve afstand ten opzichte van de materie mogelijks net relevante inzichten blootleggen die insiders als vanzelfsprekend of normaal zouden beschouwen.
Ook was ik echter constant student-onderzoeker, maar ook frequent deelnemer aan sociale interacties. Zo was ik vrijwilliger voor een alternatieve Elfstedentocht, bleef ik bij mensen thuis logeren, heb ik zelf de Elfstedenroute gewandeld en had ik ook op andere manieren frequent een bijdrage die de groepsdynamieken mogelijk beïnvloedde. Ik heb in deze dilemma’s er bijna steeds voor gekozen om een meer afwachtende houding aan te nemen, tot ik werd uitgenodigd voor een gesprek of een bepaalde sociale interactie. Wanneer ik een uitnodiging kreeg, ben ik daar wel steeds op ingegaan, behalve waar het ging over intieme familiale of religieuze interacties.
Over het algemeen heb ik steeds in volledige openheid over elk aspect van mijn positie, mijn deelname, mijn onderzoeksdoelen en dergelijke gecommuniceerd, en heb ik geprobeerd steeds deel te nemen waar ik werd uitgenodigd, zonder de sociale dynamieken te verregaand te beïnvloeden (Bernard 2018, 367). Zo heb ik een heel aantal onverwachte, maar zeer verhelderende momenten kunnen beleven doorheen de veldwerkperiode. Het is essentieel om deze vaste en wisselende positionaliteit steeds in gedachten te houden, zowel voor en tijdens het veldwerk, als tijdens de latere etappes van het onderzoek.
Deze gebruikte methodes en technieken hebben tot het opstellen van deze antropologische thesis geleid, om zodoende vanuit een relatieve buitenstaanderspositie, via verschillende methodes en technieken, en met een robuuste veldwerkperiode als kern van het onderzoek, vernieuwende inzichten te verwerven in deze unieke traditie, in haar voornaamste variant getekend door afwezigheid, maar cultureel en symbolisch ook in de 21e eeuw blijvend aanwezig.
4. Etnografische analyse: niet-commercialiteit, mienskip, onplanbaarheid
4.1. Het 11fountains-project: het controversieel potentieel van gepercipieerde rationalisering
De Elfstedentocht heeft een unieke aantrekkingskracht. Maar wat zijn de centrale elementen van deze traditie, die de uniciteit en blijvende aantrekking ervan bepalen? Hiervoor is het relevant om het collectief van Elfstedentochten en aanverwante cultuuruitingen antropologisch te analyseren, los van alleen dé (geschaatste) tocht, en met inbegrip van alle elementen die op de een of andere manier thuishoren binnenin de Friese traditie.
Zo zijn er de vele eigenlijke tochten, maar ook aanverwante cultuuruitingen. Dit gaat van een stripverhaal van Suske en Wiske (Van Gucht 2007), over vele boeken (Lolkama 2006; Kolmer et al. 2008; Couwenhoven 2009; Brouwer 2022) en een speelfilm over de tocht van 1963 (de Jong 2009), tot een musical (van Bennekom 2023), tassen en schilderijen. De meeste van deze uitingen werden over het algemeen redelijk positief ontvangen, en lagen vaak ook bij de onderzoeksparticipanten thuis op de schouw of in de boekenkast. Toch is er één, zeer zichtbare en eerder controversiële uiting van de traditie, waarvan de uiteenlopende meningen duiden wat als een constitutief element van de traditie wordt gezien waar men niet aan kan tornen, en waar men wel openstaat voor verandering en herinterpretatie.
Deze uiting van de traditie ontstond in 2018: Leeuwarden-Fryslân kreeg de titel van culturele hoofdstad van Europa, met als centraal thema de reeds genoemde mienskip, het Friese gemeenschapsgevoel (Omrop Fryslân 2023). Een van de meer permanente projecten was sterk gelinkt aan één van de sterkste symbolische elementen van Friesland, namelijk haar elf steden. In elke stad zou men een fontein plaatsen op een iconische plek, steeds ontworpen door een kunstenaar uit een ander land. Het zou de regio een blijvende herinnering aan de titel van culturele hoofdstad opleveren, en een extra toeristische en artistieke impuls geven aan dit deel van Friesland (11fountains z.d.).
Toch bleken enkele elementen van het project al vanaf het begin voor opschudding te zorgen in Friesland, en die controverse leek ook in de zomer van 2025, tijdens mijn veldwerk, nog niet volledig te zijn weggeëbd. Er waren grote voorstanders, maar ook vurige tegenstanders van het project. Toch leek de overgrote reactie er één van latente weerstand, en vooral onverschilligheid. Dit maakt het gesprek met Jos* uit Bolsward duidelijk: hij heeft, als één van de enige deelnemers aan mijn onderzoek, de tocht vijf keer geschaatst. Hij vertelde honderduit over de tocht, hoe de traditie kleur heeft gegeven aan zijn leven en zijn leven heeft gevuld met mooie momenten, hoe het voor hem erg belangrijk is geweest om te hebben kunnen deelnemen aan de Elfstedentocht. Het vonkje verscheen in zijn ogen, en met pretoogjes dacht hij terug aan die mooie herinneringen. Via een individuele ervaring beleefde hij opnieuw die collectieve resonantie die een Elfstedentocht volgens zovelen kenmerkt.
Tot ik hem zijn mening vroeg over de 11fountains. Het lichtje in zijn ogen doofde bijna onmiddellijk. Hij ging wat achteroverleunen. “Nou ja. Het is goed voor toeristen.” Deze uitspraak vat de weerstand en onverschilligheid tegenover het project grotendeels samen. Zelfs als je fan bent van het project, was er een relatief brede perceptie dat de fonteinen er niet (alleen) stonden voor de Friezen of voor de inwoners, maar (ook) voor buitenstaanders. Dit, gekoppeld aan het centrale mienskipsthema, deed het hele project voor velen hol aanvoelen.
Een gepercipieerd gebrek aan inspraak vanuit de mienskip zette in het bijzonder kwaad bloed in meerdere steden. De woorden “hol”, “ik heb er niets mee”, “het is goed voor toeristen”, “het kwam van bovenaf” en “nou ja”, gevolgd door een stilte, verbonden de reacties. De fonteinen werden frequent gezien als een soort dood gewicht in de stad, dat wel toeristen aantrekt, maar er niet “voor ons” staat. In Rosa’s resonantietheorie (2021) kunnen we dit “holle” gevoel begrijpen als een reactie op een vervreemdend element binnen de Elfstedentochttraditie: de fonteinen “spreken” niet tot de Friezen omdat er in de perceptie ook geen band wordt aangegaan met de lokale gemeenschap, maar net met toeristische, economische logica’s. De fonteinen leidden tot onverschillige reacties, en net deze onverschilligheid, dit gebrek aan resonantie, kenmerkt Rosa’s “relatie van relatieloosheid” met de wereld in moderne samenlevingen (2020, 30-35).
Maar waarvoor staan de fonteinen er dan wel? De gepercipieerde redenering achter de creatie van de fonteinen, liep in grote mate gelijk met het schrikbeeld van een uitdijend, “onomkeerbaar”, Weberiaans moderniserings- en rationaliseringsproces (Etzrodt 2024) naar de Elfstedentochttraditie. Zo zijn de fonteinen officieel een citymarketingproject (van Lent 2018). Ook hebben de provincie Fryslân en de betrokken gemeentes ingestaan voor de grote meerderheid van de kosten (Omrop Fryslân 2019b). En rond de 11fountainstour, een alternatieve Elfstedentocht waarbij je expliciet langs elke fontein reist, werd een brede toeristische campagne opgezet (11fountains z.d.). Het doel is het aantrekken van toeristen, en het geven van een meer internationale allure aan de Friese elf steden (Joustra 2019). Dit duidt op een verregaande commercialisering, die boogt op de symboliek van een traditie die men in woord en daad al decennialang zo weinig mogelijk als commercieel wil behandelen.
Als we even terugdenken aan het gesprek met Marieke in Hindeloopen, horen we de volgende redenering: “wanneer het geld wel binnenkomt [in de tocht], is het weg.” Vooral het gepercipieerde bestaan van de volgende gedachtegang, riep weerstand op: de symboliek van de steden, intrinsiek gelinkt aan de Elfstedentocht, heeft een enorm (economisch) potentieel. De gemeentes en de provincie betalen voor elf fonteinen via belastinggeld, die met een gepercipieerd gebrek aan inspraak van stadsbewoners werden ontwikkeld en geïnstalleerd, om hier vervolgens de internationale allure van elke stad mee te vergroten, en meer toeristen naar Friesland te lokken, wat geld zal opleveren. Het is een formeel rationele logica die economisch perfect rationeel is. Toch dreigt de tocht, zonder expliciet niet-commerciële inslag, zo net de waarde te verliezen die de traditie oorspronkelijk had. In Weberiaanse termen worden de fonteinen zo dus “onttoverd” (Etzrodt 2024, 655), net daar waar de Elfstedentocht voor velen een “betoverde” traditie is.
Of deze redenering klopt, en of deze effectief aan de grondslag ligt van het project, is in deze context van ondergeschikt belang. Wel wordt duidelijk, dat de perceptie van het project wijst op een redenering die voortkomt vanuit een Weberiaans, formeel rationeel waardenpatroon. Deze gaat als volgt: elk deel van de samenleving kan theoretisch gezien geld opleveren. De efficiënte keuze is dan ook om expliciet te proberen uit elk deel van de samenleving geld te halen. Tradities en rituelen met een grote symbolische waarde hebben een groot economisch potentieel. Deze cultuuruitingen hier niet voor aanwenden, is niet rationeel, en vanuit dit moderne waardenpatroon dus niet verdedigbaar (Weber 2019, 26-30). Vanuit deze hyperkapitalistische, formeel rationele redenering is het dus perfect wenselijk om de symboliek van de Elfstedentocht en van de Friese elf steden commercieel aan te wenden, en in te zetten in de toeristische marketing van Friesland en Nederland.
Toch is dit net het schrikbeeld van wat er in de toekomst met de gehele Elfstedentochttraditie zal gebeuren, en breder met de Friese samenleving. Uit gesprekken zoals met Pieter kwam naar boven hoe weinig onderzoeksparticipanten zich expliciet tegen kapitalistische economische logica’s en formeel rationele redeneringen keren, zolang deze redeneringen alleen worden ingezet in het economische domein. Weber (2019) beschreef echter net hoe het een basiselement van het systeem van de moderniteit is, dat deze formele rationaliteit doorheen de tijd steeds verder oprukt, en zich steeds verder nestelt in andere maatschappelijke domeinen zoals kunst en cultuur. Tradities die bogen op een sterke symboliek zijn vanuit deze theoretische insteek dan ook vruchtbare grond voor commercialisering, net omdat deze niet-commerciële symboliek zulk een sterke aantrekkingskracht uitoefent.
Vanuit een Weberiaans, formeel modern waardenpatroon houdt deze redenering absoluut steek. Toch gaat ze in tegen een basiselement van de traditie, die al decennia meegaat en zo goed als elke succesvolle Elfstedentocht kenmerkt: niet-commercialiteit. Geen enkel bestuurslid, rayonhoofd en losse vrijwilliger van de schaatstocht wordt betaald voor zijn of haar engagement. De kosten van de Elfstedentocht zijn die kosten die nodig zijn om de tocht te kunnen houden, zonder verder winstoogmerk. Contracten voor uitzendrechten worden getekend met de openbare omroep, niet met commerciële zenders (Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden z.d.). Tijdens een Elfstedentocht help je elkaar, laat je mensen bij je thuis logeren, deel je soep uit enzovoort, allemaal kosteloos vanuit een mienskipsparadigma. Het proberen munt slaan uit de traditie van de Elfstedentocht, wordt over het algemeen niet gewaardeerd.
Dit komt dan weer overeen met de meer substantieel rationele kritiek van Weber op formeel rationele redeneringen, die evalueert of een doelrationele actie ook waardevol of ethisch is. Zo komt de symbolische waarde van tradities of rituelen frequent voort uit hun niet-economische karakter, en leidt de commercialisering hiervan frequent tot het verlies van de waarde die het aanvankelijk kenmerkte (Weber 2019, 95). De weerstand tegen de fonteinen duidt dus op de verdediging van een Fries mienskipsparadigma als een substantieel rationeel, resonant waardenpatroon, waar de collectieve resonantie van de Elfstedentocht voorrang krijgt op economische, formeel rationele overwegingen.
De 11fountains, los van of dit echt waar is, worden breed gepercipieerd als een commercieel project, dat er is gekomen zonder inspraak en zonder de Friese mienskip te betrekken. Deze twee elementen gecombineerd, bleken ook keer op keer terug te komen wanneer een onderzoeksparticipant zich tegen de fonteinen keerde. Toch bleek de perceptie van het project doorslaggevend, maar veranderden de breuklijnen niet. Zo goed als elke onderzoeksparticipant was voorstander van een verregaande betrekking of centrering van de Friese mienskip in het 11fountains-project, en van het niet-commerciële karakter van de traditie. Voorstanders haalden dan ook frequent net aan dat de lokale gemeenschappen wél genoeg betrokken waren geweest, en dat de fonteinen er gekomen zijn voor niet-commerciële, of niet alleen commerciële, motieven.
Je positie in deze breuklijnen bepaalde dus voor een groot deel je mening over de fonteinen, en duidt aan welke elementen van de Elfstedentochttraditie onbreekbaar lijken: het betrekken en centraal stellen van een (Fries) gemeenschapsgevoel en niet-commercialiteit. Door het gepercipieerde gebrek aan beide elementen fungeerden de 11fountains als een controversiële, “onttoverde” anti-casus. Hierin wordt duidelijk dat de unieke positie van de tocht net ligt in de onmogelijkheid om de traditie te reduceren tot formeel rationele logica’s, omdat hierin de collectieve resonantie en het substantiële waardenpatroon ontbreekt dat de tocht oorspronkelijk haar legendarische positie heeft gegeven. En net waar de 11fountains leeg of onttoverd aanvoelden en resonantie misten, tonen de vele alternatieve tochten aan hoe men de Elfstedentochttraditie relatief zonder controverse wel kan uitbreiden en organiseren.
4.2. Alternatieve tochten: “waarom zou je dat in hemelsnaam doen?”
De combinatie van een gepercipieerde verregaande commercialisering van de Elfstedentochttraditie, gecombineerd met de Friese mienskip die in de perceptie aan de zijlijn moet blijven staan, leidt tot controverse in de Friese steden en daarbuiten, zoals bleek in de ontvangst van het 11fountains-project. Maar wat zijn dan uitingen van de traditie die wel op applaus of goedkeuring worden onthaald? Hier gaat het over de voorgenoemde culturele uitingen in de vorm van boeken, een musical en een speelfilm, waar soms ook een moeilijke relatie mee bestond door hun commerciële karakter. Toch is de “magie” van de Elfstedentocht volgens een grote meerderheid van de onderzoeksparticipanten vooral te vinden in effectieve tochten, bovenal de schaatstocht, maar ook het collectief van enkele tientallen regelmatig gehouden alternatieve Elfstedentochten.
Deze tochten spelen zich grotendeels af in en rond de Friese elf steden, of het zijn schaatstochten op meer ijszekere locaties buiten Friesland, zoals de Oostenrijkse Weissensee (Omrop Fryslân 2025b; Alternatieve Elfstedentocht Weissensee z.d.). Al sinds 1912 wordt de fietselfstedentocht bijna jaarlijks uitgereden (Fietselfstedentocht z.d.) en sinds 1946 geldt dat ook voor de wandeltocht (Elfstedenwandeltocht z.d.). In de daaropvolgende decennia kwamen daar steeds meer varianten bij, zoals de Elfstedentocht met de step, roeiend of zeilend (Omrop Fryslân 2025b). Deze alternatieve tochten trekken jaarlijks vele deelnemers en toeschouwers, en achter elke tocht zit een andere organisatie, steeds zonder winstoogmerk. Dit gaat van enkele tientallen, tot enkele duizenden deelnemers voor de meeste alternatieve tochten (Omrop Fryslân 2025b; Alternatieve Elfstedentocht Weissensee z.d.). Hiermee wordt duidelijk dat deze tochten relatief populair en gewaardeerd zijn, maar niet kunnen raken aan de populariteit en aantrekkingskracht van de geschaatste Elfstedentocht.
Het oordeel van onderzoeksparticipanten was dan ook relatief unaniem, zeker wat betreft de tochten die een sportprestatie inhouden: deze tochten verdienen zeker een plaats, maar hun belang is cultureel en identitair relatief specifiek, voor een kleinere groep insiders en rechtstreeks omwonenden van de routes van deze tochten. Wel delen alle succesvolle tochten de twee basiselementen die vaak als afwezig werden gezien in het 11fountainsproject: niet-commercialiteit en de centrering van de Friese mienskip. Deelnemers aan alternatieve tochten bevestigden vaak hoe ook hier een collectieve resonantie tevoorschijn komt, veroorzaakt door een substantieel rationeel waardenpatroon dat economische, commerciële krachten naar het achterplan verschuift.
Hierin kan duidelijk worden waarom een Elfstedentocht voor insiders zo speciaal is, op een gelijkaardige manier zoals gebeurt met carnaval in delen van België en zuidelijk Nederland, allerhande dorpsfeesten, of bepaalde elementen van Kerstmis zoals het samenkomen met familieleden. Het zijn allemaal cultureel specifieke tradities en rituelen waarin de gewoonlijk geldende hiërarchieën tijdelijk verdwijnen of worden omgekeerd (Turner 1969), en economische en formeel rationele logica’s tijdelijk naar de achtergrond verdwijnen. Op de achtergrond blijft de economie als maatschappelijk domein gewoon aanwezig, maar tijdens een Elfstedentocht neemt de traditie en het bijhorende Friese communautair-humanistische paradigma in het culturele domein een volwaardige plaats in naast andere domeinen, en neemt het zelfs tijdelijk de overhand als overkoepelend waardensysteem. Waar het in een formeel rationele logica bijvoorbeeld niet “logisch” is om “zonder reden” heel Friesland rond te gaan, en met minieme materiële en economische impact een tocht af te leggen, is het net dat wat er gebeurt, en wat op dat moment zo belangrijk is. Men maakt bewust de keuze om tijdelijk een substantieel rationeel waardenpatroon te centreren, en ook daarnaar te handelen, wat een collectieve resonantie oproept die formeel rationele logica’s niet los lijken te maken.
Dit gevoel resoneert sterk met Turner’s communitas, als een tijdelijke staat van gelijkheid en verbondenheid (Turner 1969). Toch wijzen de herinneringen aan deze tochten, de nood om te trainen voor de meeste tochten en de constante aanwezigheid van de traditie in Friesland op een meer blijvend gevoel van resonantie en welzijn, ook na afloop van een tocht. Wel komt er tijdens alternatieve tochten, en tijdens gesprekken erover, een gevoel naar boven waarin Rosa’s resonantietheorie (2021) zich zelfs fysiek manifesteert. Door de brede focus in dit onderzoek op (ook) fysieke uitingen en gevoelens, kan mijn antropologische benadering net die geleefde ervaringen vatten die in meer abstracte, meer kwantitatieve, of minder immersieve benaderingen eerder verloren zouden gaan.
Tijdens een Elfstedentocht maakt men keuzes die vanuit een formeel rationeel waardenpatroon onverklaarbaar zijn. Zo vroeg Doede*, een ex-deelnemer aan meerdere alternatieve tochten uit Berlikum, zichzelf tijdens een gesprek retorisch af “waarom je (…) [dit] in hemelsnaam zou doen?” Als je doelrationeel nadenkt over het waarom van een deelname aan een Elfstedentocht, bestaat hier inderdaad geen goed antwoord op, is deelname “zinloos”. Maar het is net in de centrering van een ander waardenpatroon, dat deelname aan een tocht vanzelfsprekend wordt. Omdat het een traditie en een grote bron van welzijn is. Op dat moment is Dokkum bereiken na het afleggen van de “Hel van het Noorden” een zinvol doel, dat betekenis geeft aan het leven van een deelnemer. Net omdat een tocht vanuit een formeel rationele logica onverklaarbaar is, en vanuit dit alternatieve paradigma zo vanzelfsprekend, heeft de tocht de positie die ze heeft. Hiermee worden de alternatieve Elfstedentochten dragers van een collectieve resonantie waarin “moderne” logica’s tijdelijk opzij worden geschoven, en een Fries, communautair-humanistisch waardenpatroon tijdelijk centraal gaat staan. Deze tochten vormen hiermee ook een eerste grote, cultureel specifieke bron van welzijn voor vele Friezen, en het soort bron waar Robbins (2013) in zijn anthropology of the good eveneens naar zoekt.
4.3. De Onbeperkte Elfstedentocht: de collectieve resonantie van de Iepen Mienskip
Een kleine en relatief recente tocht die toch algemeen op brede steun en goedkeuring kon rekenen, is de Onbeperkte Elfstedentocht. Deze nieuwe, alternatieve tocht ontstond in 2019, wanneer initiatiefneemster Sandy Van Rooij een tocht organiseerde voor iedereen. Sinds dan is de opzet hetzelfde gebleven: je kan over vijf dagen in verschillende etappes de volledige route van de Elfstedentocht over meer dan 200 kilometer afleggen, of je kan een afstand doen die voor jou haalbaar is, al is dat een tiental meter. Ook kan je deelnemen op een gewone fiets, maar ook met een handbike, elektrische fiets, of met een ander hulpmiddel. Hiermee hoopt Van Rooij die deelnemers te betrekken die bij andere Elfstedentochten, door bepaalde fysieke of mentale moeilijkheden, anders aan de zijlijn zouden moeten blijven staan (Onbeperkte Elfstedentocht z.d.).
Al sinds 2019 gaat de tocht jaarlijks door in september, steeds met enkele tientallen, tot meer dan honderd deelnemers, ondersteund door enkele tientallen vrijwilligers die zich geheel belangeloos inzetten om het evenement in goede banen te leiden (Onbeperkte Elfstedentocht z.d.). Onder de deelnemers en vrijwilligers zitten veel Friezen, maar ook een aantal mensen uit Noord-Holland, Noord-Brabant en andere delen van Nederland, met ook enkele Belgische deelnemers. Van 10 tot 14 september 2025 ondersteunde ik ook zelf het evenement, als enige Belgische vrijwilliger. Een analyse van deze variant van de traditie laat zien hoe een kleinschalige tocht die gericht is op een relatief kleine groep, toch op brede steun en appreciatie kan rekenen van meerdere stakeholders. Hoewel de tocht dus minder aandacht trekt in de media en er ook langs de route weinig te merken was van een breed gedragen volksfeest, waren de reacties op de Onbeperkte Elfstedentocht die er wel kwamen, opvallend positief. Zo goed als unaniem positief zelfs: zowel door betrokkenen, als door omwonenden, toevallige voorbijgangers of andere Friezen werd deze uiting van de tocht bijzonder positief gewaardeerd, zelfs waar de gesprekspartners wel kritiek hadden op andere elementen van de Elfstedentochttraditie.
Dit lijkt voor een groot deel voort te komen uit de niet-commercialiteit en betrekking van de (Friese) mienskip in het project. Aan de ene kant is de volledige organisatie van de tocht, met uitzondering van één werknemer in dienst bij Sport Fryslân, in handen van vrijwilligers. De tocht heeft geen winstoogmerk, en de inschrijvingsprijs wordt zo laag mogelijk gehouden. De invloed van geld en commercialiteit wordt zo veel mogelijk op de achtergrond gehouden, en sponsoring gebeurt grotendeels via lokale, Friese actoren (Onbeperkte Elfstedentocht z.d.). Aan de andere kant wordt de tocht breed gepercipieerd als “voor ons”, voor en door lokale actoren. Van spontane steunbetuigingen langs de kant, over een moeilijk meetbare maar algemeen voelbare gemoedelijke sfeer, tot de volledige openheid van elke persoon om op hun manier deel te nemen aan het evenement, wordt deze tocht in de perceptie breed gekarakteriseerd door de Iepen mienskip ofwel open gemeenschap waar ook tijdens het 11fountains-project naar gestreefd werd (Joustra 2019).
Hiermee komt opnieuw de Weberiaanse discussie rond formele en substantiële moderne rationaliteit naar boven. In een formeel rationeel waardenpatroon is de Onbeperkte Elfstedentocht uit den boze. Deze tocht heeft in principe slechts een minieme impact op de economie, omdat deze impact ook zo klein mogelijk wordt gehouden. Ze is dus niet efficiënt in dit waardenpatroon, niet “nuttig” (Weber 2019). Ook is de bureaucratie rond de tocht minimaal, is de hiërarchie onder het vrijwilligersteam zo plat mogelijk, en is de blijvende materiële impact van de Onbeperkte Elfstedentocht zo goed als onbestaande. Een actor die doelrationeel handelt, kan dus moeilijk achter deze tocht staan.
Toch zit de waarde van de tocht aan de andere kant van deze verdeling. Zoals ook Rosa (2021) aangeeft, schuilt er in een verregaande formele rationalisering van elk aspect van de samenleving en de daarbij horende acceleratie- en efficiëntiethese een risico op vervreemding. Hierbij gaan die zaken die “nuttig” maar niet per se waardevol zijn elk aspect van een mensenleven domineren. Weber gaf hierin een aanzet met zijn schrikbeeld van de ijzeren kooi van de moderniteit (Mitzman 1970), en hij wierp het concept van substantiële rationaliteit op. Dit geeft aan dat wat “nuttig” of efficiënt is, niet altijd waardevol, ethisch of moreel correct is (Weber 2019, 40).
Zoals eerder reeds besproken, stelt Rosa (2021) dat resonantie het tegengestelde kan vormen van die vervreemding van de moderniteit. Hierin voelen mensen zich erkend in hun eigenheid, waarbij ze het potentieel zien om de wereld te kunnen transformeren, en ze ook de nodige openheid bewaren om door de wereld om hen heen getransformeerd te worden. Een soort volle relatie met de wereld dus, waarbij men in de woorden van veel onderzoeksparticipanten letterlijk “gaat leven”. Rosa heeft dit concept diepgaand uitgewerkt, maar door zijn achtergrond in de filosofie bleef zijn werk grotendeels hangen in het abstracte. Een verdere analyse van de casus van de Onbeperkte Elfstedentocht laat echter zien hoe die resonantie er in de praktijk uit kan zien.
Sandy, de initiatiefneemster van de Onbeperkte tocht, bevond zich in Sloten, aan de finish van de voorlaatste etappe van de Onbeperkte Elfstedentocht. Een deelneemster reed normaal altijd rond in een rolstoel, maar had een heel jaar getraind om aan de tocht te kunnen deelnemen: enkele meters kunnen wandelen, zelfs als je voor de rest nog steeds nood hebt aan een rolstoel, is een enorme praktische vooruitgang in het dagelijks leven van een rolstoelgebruiker. Daarom reed de vrouw met haar rolstoel tot op tien meter van de finishlijn. Iedereen hield de adem in. Tot het gebeurde: de vrouw stond recht uit haar rolstoel, en begon aan haar Onbeperkte Elfstedentocht. Traag, maar gestaag, stapte ze vooruit. En onder luid applaus bereikte ze de eindstreep.
De essentie zat hier in de energie, niet alleen van de deelneemster, maar ook van de aanwezige supporters en in de omgeving. De deelneemster liet zichzelf transformeren door haar omgeving, gebruikte de aanmoedigingen om haar wilskracht tot het uiterste te brengen, en de finish te bereiken. De supporters werden getransformeerd, terwijl ze mee hoopten dat deze vrouw, die ze nog maar kortgeleden hadden leren kennen, boven zichzelf uitsteeg. En de energie in de omgeving veranderde compleet. Hoopvol. Energiek. Rosa’s resonantie (2021) in de praktijk gebracht, als een dubbele kracht van geluk en welzijn waarbij men zowel zichzelf laat transformeren, als de kans krijgt om de omgeving te transformeren. Alsof de aanwezigen zich verbonden met de symbolische omgeving van de Friese elf steden, en de deelneemster zich optrok aan de heroïek en roemrijke geschiedenis van de Elfstedentocht, om boven haarzelf en haar situatie uit te stijgen. Tien meter later had ze haar Onbeperkte Elfstedentocht volbracht. En niet alleen in haar ogen, maar ook in de ogen van zo veel aanwezigen, was een vonkje verschenen. Het vonkje dat symbool staat voor het geluk dat de tocht kan bieden, en de eerder abstracte resonantietheorie empirisch manifesteert in een moment van wederzijdse erkenning.
De kracht van deze transformatie is een ontroerend voorbeeld van de resonante kracht van een succesvolle, gewaardeerde uiting van de traditie. Die resonantie bevindt zich dan ook net in die aspecten van de Elfstedentocht, die je niet kan vastpinnen in een formeel modern rationeel waardenpatroon, en zich onttrekken aan conventionele economische krachten. Zo is de spontane burenhulp, belangeloze steun en het parochiale netwerk die de Friese mienskip kenmerkt, een uiting van een brede welvaart en collectieve resonantie die formele rationaliteit ontwijkt. En zo verzekert het niet-commerciële karakter van de Onbeperkte Elfstedentocht dat elke deelnemer en elke vrijwilliger zich inzet voor een tocht uit niet-economische, niet-formele, maar net substantiële, resonante motieven. Om familieleden te steunen. Om vrienden en kennissen terug te zien. Om iets voor anderen te doen. Om weer te kunnen wandelen. Om zich in te zetten voor een belangrijke, Nederlandse en Friese cultuuruiting, en deze open te stellen voor een groep die tot voor het ontstaan van de Onbeperkte Elfstedentocht deze kans nog nooit had gekregen.
Evengoed worden formele rationele beloningen, zoals een vrijwilligersvergoeding, actief geweigerd. Meerdere vrijwilligers gaven dan ook aan dat ze geen geld zouden aannemen voor hun engagement. Dit wijst allemaal op een actief afwijzen van deze formele rationaliteit, waar deze de substantiële transformerende, en in zeker opzicht vanuit een formeel modern waardenpatroon niet “nuttige” of “efficiënte” kracht van een Elfstedentocht in de weg zou staan. Dit actief omarmen van het niet-commerciële, mienskipsgerichte waardenpatroon dat de Elfstedentochttraditie grotendeels kenmerkt, verklaart reeds deels waarom de tocht zulk een aantrekkingskracht blijft uitoefenen op de Friezen, en op veel Nederlanders.
4.4. De Fietselfstedentocht: een planbaar feest
De vorige casussen toonden aan hoe niet-commercialiteit, mienskip en een substantiële, volle relatie tot de wereld die resonantie mogelijk maakt, constitutieve elementen zijn van de Elfstedentochttraditie. Wel blijft ook duidelijk dat geen enkele alternatieve tocht waarlijk kan tippen aan de legendarische, roemrijke positie van de geschaatste tocht. Alle alternatieve tochten staan in principe voor iedereen open en gaan ieder jaar op vooraf ingeplande tijdstippen door. In de praktijk trekken deze tochten echter specifiekere groepen (Omrop Fryslân 2025b), hoewel dit niet verhindert dat de tochten vrij algemeen positief gewaardeerd worden in de Friese context.
Toch werd één alternatieve tocht steeds anders beoordeeld dan alle anderen: de fietselfstedentocht, met de stad Bolsward al sinds de oprichting in 1912 als centrum van dit deel van de traditie (Fietselfstedentocht z.d.). De route vertrekt en eindigt in Bolsward, en men passeert midden in de tocht nog eens extra door de stad. Het is veruit de populairste alternatieve Elfstedentocht, en deze variant leeft doorheen Friesland, maar zeker in Bolsward, zeer sterk. Dit zien we in de analyse van een gesprek met Chris*. Zij en haar familie zijn geboren en getogen Bolswarders, en voor hen heeft de tocht de positie van een soort uitgebreid familie- en stadsfeest. Meerdere generaties doen al meerdere decennia mee, Chris komt buren en vrienden tegen onderweg, er is muziek, overal aanmoedigingen, een leger aan vrijwilligers, en duizenden deelnemers die op één dag meer dan 230 kilometer fietsen om een officieel Elfstedenkruisje binnen te halen. “Het leeft zo erg”, zegt ze nog, “het betekent wel veel voor me eigenlijk, het is familie, het is traditie, daar wil je gewoon bij zijn”.
Een mogelijke verklaring voor de populariteit van de fietstocht, zowel qua deelnemers als toeschouwers en supporters, is identificatie, en de status van het fietsen in de regio. Fietsen is, net als schaatsen dat in Friesland eeuwenlang is geweest, in heel Nederland een populaire volkssport en een populair transportmiddel, waar bijna alle Nederlanders en Friezen wel eens gebruik van maken (van den Ende 2025; Centraal Bureau voor de Statistiek 2025). Zo zorgt het grotere aantal deelnemers, vrijwilligers en toeschouwers ook voor meer interesse van lokale muzikanten en dj’s, wat weer voor meer interesse uit de regionale media zorgt, wat weer de status van deze alternatieve tocht versterkt, enzovoort. Ook is de tocht niet-commercieel. In een formeel rationeel waardenpatroon bestempelt dit kenmerk de tocht tot “nutteloos”, maar net dit kenmerk levert deze tocht ook een bepaalde “betoverde” status op (Etzrodt 2024), die commerciële uitingen van de traditie steeds lijken te ontberen. De fietstocht biedt een sterke uiting van de collectieve resonantie die doorheen de traditie aanwezig is (Rosa 2021).
Ook zit er in de tocht een sterk element van de spontane burenhulp die de Friese mienskip kenmerkt. Een mooie illustratie van dit alles is van enkele jaren geleden: het was 2024, een zware editie, met de hele dag door wind, regen, tot zelfs hagelbuien en stormachtig weer. De organisatie van de fietstocht had alle omwonenden opgeroepen om, tijdens de meest stormachtige momenten, deelnemers even te willen opvangen (Omrop Fryslân 2024). En dat gebeurde: garages, livings, schuren, tot hotelkamers en sportzalen werden spontaan opengesteld om de deelnemers te laten schuilen, vaak met gratis soep, een warme douche, een handdoek of zelfs droge kleren erop en eraan. Allemaal spontaan en belangeloos, om een steentje te kunnen bijdragen aan het goed verlopen van de fietstocht, en om de deelnemers te helpen (NOS Nieuws 2024). Het is net die spontaniteit en gemoedelijkheid die de fietstocht kenmerkt volgens Chris.
Toch verklaart dat nog niet waarom de fietselfstedentocht, ondanks al deze positieve, constitutieve elementen, nog steeds niet kan raken aan “het volksfeest” dat de schaatstocht is. De fietstocht bevat de centrering van een alternatief paradigma, waarin Weberiaanse formele rationaliteit en commercialisering tijdelijk naar het achterplan worden verwezen, en een waardenpatroon gecentreerd rond collectief resonante krachten als de Friese mienskip naar voren komt. Ook is de fietstocht, mede door de status van het fietsen in Nederland en de relatief lange geschiedenis van deze tocht, (veel) populairder dan alle andere alternatieve tochten. Toch verbleekt deze relatieve populariteit nog steeds bij die van de schaatstocht, die evengoed alle positieve elementen die alle tochten delen, combineert met een populaire volkssport als schaatsen. Toch heeft de schaatstocht enkele elementen waarin deze variant nog verschilt van de fietstocht.
Hiervoor kunnen we kijken naar het inplannen van de tochten: de fietstocht vindt steeds plaats op pinkstermaandag (Fietselfstedentocht z.d.), een feestdag wanneer de meeste Nederlanders in principe niet moeten werken. Je kan reeds jaren van tevoren plannen wanneer de fietselfstedentocht in een bepaald jaar zal plaatsvinden. Zodoende kan je ook al ruim op voorhand verlof aanvragen indien dat nodig is, en door deze lange termijnplanning is de disruptieve impact van deze tocht op de economie dan ook minimaal. De fietselfstedentocht is in se lang van tevoren planbaar, voorspelbaar, en daardoor ook een stukje maakbaar. De fietselfstedentocht centreert tijdelijk niet-economische krachten, maar respecteert qua inplanning wel de geldende economische realiteit. Beide domeinen bestaan naast elkaar, waarbij elk domein minimale disruptieve impact heeft voor het andere domein, en een resonant waardenpatroon van deze aard in principe voor velen slechts één dag in het jaar echt de overhand kan nemen. Een inplanbare, lang van tevoren aangekondigde, regelmatige fietstocht op de openbare weg: voor veel deelnemers is het een gewaardeerd element van de traditie. Maar de fietstocht biedt niet de radicale onderbreking van formeel rationele logica’s en de daaraan gelinkte unieke weroplibbing die alleen de schaatstocht echt kenmerkt.
4.5. De Elfstedentocht op de schaats: de weroplibbing van een onplanbare tocht
Fonteinen, stripboeken, sportieve en niet-sportieve tochten, een populaire fietstocht, een musical, tassen, mokken, T-shirts, wat het ook is, het bestaat waarschijnlijk in een Elfstedenjasje. Toch blijft het enigma: waarom, als al deze varianten en cultuuruitingen bestaan en toegankelijk zijn, blijft de belangrijkste uiting van de Elfstedentochttraditie, er eentje die er misschien nooit nog komt?
Vele Friezen en Nederlanders blijven jaar na jaar hopen op een volgende, zestiende editie van de Elfstedentocht op de schaats, zelfs ondanks de klimaatverandering die natuurijs steeds minder frequent maakt, en ondanks de aanwezigheid van vele andere, minder zeldzame uitingen van de traditie. Zo verklaarde de Fries Jorrit Bergsma na de Olympische Winterspelen van Milaan in 2026 nog dat hij als grootste droom nog eens een Elfstedentocht op de schaats zou willen meemaken. Dit verklaarde hij na het winnen van een gouden medaille op deze Winterspelen (Dwarswaard 2026).
Waarom, als je jezelf op elk moment van elke dag kan omringen met de Elfstedentocht, blijven zo vele Friezen en Nederlanders jaar na jaar reikhalzend uitkijken naar net die ene variant van de tocht die veruit het zwaarst onder druk staat van klimaatverandering? Het antwoord op deze vragen bevindt zich net deels in die onbereikbaarheid: waar de fietstocht zo goed als elk jaar opnieuw kan plaatsvinden op een vooraf duidelijk bepaald tijdstip, ligt het verschil in het ongeplande en onplanbare karakter van de schaatstocht. Ook is het feit dat een Elfstedentocht steeds minder waarschijnlijk wordt een verkeerde insteek, zolang de realistische kans bestaat dat er wel nog een tocht kán komen.
Alle vorige elementen, die alle andere uitingen van de Elfstedentochttraditie hun waarde en positie geven, zijn in de schaatstocht ook aanwezig. Zo is de tocht niet-commercieel (Koninklijke Vereniging De Friesche elf Steden z.d.). Zeker hier is dit van groot belang, omdat een gecommercialiseerde versie van een schaatstocht in theorie miljoenen euro’s zou kunnen opleveren. Maar alle leden van het Elfstedenbestuur, en zo goed als alle onderzoeksparticipanten doorheen zes weken veldwerk, waren stellig: de tocht is een niet-commercieel gebeuren. Elk engagement in de organisatie is op vrijwillige basis, en elke poging om op opzichtige wijze geld te slaan uit de tocht, zou “Het” doen verdwijnen. Oeke Mulder, vroeger lid van het Elfstedenbestuur, vatte het als volgt samen: “niet-commercialiteit is de kurk waar het op drijft, en daar kom je niet aan”. Dit wijst opnieuw op een expliciete afwijzing van economische, formeel rationele motieven om een Elfstedentocht te organiseren, en een afwijzing van een “onomkeerbaar” rationaliseringsproces in moderne samenlevingen (Etzrodt 2024, 655), waar dit zich uit in de Friese context. Een verregaand gecommercialiseerde uiting van de Elfstedentochttraditie voelt frequent aan als een soort dood gewicht, omdat veel onderzoeksparticipanten een niet-resonante “relatie van relatieloosheid” ervaren met die uiting, zoals voor velen de 11fountains (Rosa 2020; Joustra 2019).
Als niet-commercialiteit de kurk is waar het op drijft, is de mienskip misschien wel het water waar de kurk op drijft. “De mensen langs de kant” zijn wat de tocht maken tot wat ze is, zo stelden veel deelnemers. Het krijgen van droge kleren bij een nat pak, belangeloos bij mensen thuis kunnen logeren, samen de ijsbanen sneeuwvrij maken, en als regio alles in het werk stellen om op enkele dagen een gigantisch evenement op poten te zetten, het is toe te schrijven aan de Friese gemeenschapszin, en is rechtstreeks gebonden aan het vinden van “magie” in de tocht. Immers, het waren slechts die enkelingen doorheen de veldwerkperiode die geen fan zijn van de Elfstedentocht, veelal jongere mensen die de tocht nooit zelf bewust hebben meegemaakt, die het idee opperden om geld te vragen om mensen bij hun thuis te laten logeren in het geval van een volgende Elfstedentocht. Dit idee viel in het algemeen bij andere onderzoeksparticipanten dan ook steeds op een koude steen. Hier vult het Friese mienskipsparadigma, met spontane hulp en onderlinge verbondenheid als hoekstenen, een belangrijke plaats in de Elfstedentochttraditie in, en bij uitbreiding in het welzijn van vele Friezen, als cultureel specifieke bron van welzijn die “het goede leven” van Robbins (2013) vormgeeft.
Evengoed is schaatsen eeuwenlang een populaire volkssport en een belangrijke invulling van de Friese winters geweest (Lolkama 2006, 230). Nog steeds krijgen kinderen op meer dan 200 lagere scholen in de provincie enkele lessen schoolschaatsen (Sport Fryslân z.d.), en bij elke nieuwe laag natuurijs in de Friese waterwegen staan er bijna meteen grote groepen schaatsers op het ijs. De positie van het schaatsen in Friesland zoals dat eeuwenlang is geweest, valt te vergelijken met de positie van het fietsen vandaag in de regio: zo goed als iedereen kón schaatsen, en grote groepen mensen deden dat ook frequent in de winterperiodes (Lolkama 2006, 230).
Specifiek de herinnering aan de schaatstochten maakte frequent resonante reacties los bij de onderzoeksparticipanten, van mooie verhalen op het ijs, tot emotionele scènes bij de aankomst en plezier langs de kant. Vooral verbazend is het indrukwekkende detail waarin mensen zich de tochten nog herinneren, vooral die van 1985, 1986 en 1997, maar ook die van 1963 en zelfs 1956, wat het belang van deze tochten voor deze mensen aangeeft.
Velen geven zelfs aan dat de dagen van de Elfstedentocht, naast hun trouwdag en de geboorte van hun kinderen, de belangrijkste dagen van hun leven zijn geweest. Freek*, een Friese boerenzoon waar ik bij kon lansgaan bij hem thuis in Joure, omschreef de tocht in nóg krachtigere termen. Al bij het binnenkomen werd ik in de hal begroet door een foto uit de tocht van 1963, breed gezien als de zwaarste tocht ooit: minder dan één procent van de deelnemers haalde überhaupt de eindstreep. Bij de foto hing een Elfstedenkruisje: Freek was namelijk een van de weinige deelnemers die het dat jaar wél had gehaald. Terwijl ik koffie kon drinken uit Elfstedenservies, vertelde Freek honderduit over de tochten, hoe ijsvorming voor andere regels zorgt, en er even niets anders belangrijk is. Freek beschreef de tocht als “de belangrijkste dag in mijn leven” en als een “heel belangrijke, ultieme, overstijgende sportprestatie”.
Tot in de zomer van 2025, meer dan 60 jaar na de voor hem belangrijkste tocht van 1963, sprak hij er nog bijna dagelijks over, en droomde hij er zelfs van. Hoewel hij hierin niet per se representatief is voor alle Friezen of alle stakeholders, beleefde hij de tocht als “ultiem leven”, als een overstijgend moment, een moment dat hem tot vandaag raakt. De tocht liep als een rode draad doorheen zijn leven. Freek definieert zijn welzijn en zijn leven hier in zeer specifieke termen, wat zeer gelijkloopt met Robbins’ (2013) zoektocht naar net die waardenpatronen, rituelen en handelingen die een gewoon leven voor bepaalde mensen verheft tot “een vol leven” of tot “het goede leven”. Ook bekijkt Freek via de tochten zijn leefomgeving en persoonlijke geschiedenis als “betoverde”, resonante, betekenisvolle elementen van zijn identiteit, en niet alleen als rationele, Weberiaanse, “nuttige” delen van zijn bestaan (Weber 2019; Rosa 2021).
Waarom is dit zo? Waarom heeft de Elfstedentocht, die in de dunste interpretatie voor Freek slechts vier dagen in zijn volwassen leven heeft ingenomen, toch zo een kolossale plaats in zijn leven gehad, en waarom worden deze periodes zo levendig, positief, ultiem, overstijgend in de herinnering beleefd? Het antwoord op deze vraag heeft ermee te maken dat de traditie voor een deel nooit is opgehouden, ook niet wat betreft de schaatstocht. Een belangrijk onderdeel was namelijk altijd al dat men niet kan bepalen wanneer en of een tocht exact in een bepaald jaar zal plaatsvinden.
Slechts bij een ijslaag van minimaal vijftien centimeter dik over de gehele route van de Elfstedentocht, kondigt het bestuur aan dat er een tocht zal plaatsvinden. Door de klimatologische positie van Friesland zijn er hiervoor enkele specifieke weersomstandigheden nodig, die ook vroeger al betrekkelijk zeldzaam waren, en in de laatste decennia steeds zeldzamer zijn geworden (Visser et al. 2025). Zo is er nood aan enkele weken ijskoud weer, waarin de temperatuur overdag niet boven het vriespunt uitkomt, en ’s nachts tot onder min 10 graden zakt. Ook is een constante, snijdende oosterwind ideaal, omdat er dan over het algemeen weinig neerslag valt en neerslag de ijsvorming bemoeilijkt. En dan nog moeten zo veel mogelijk bruggen langs de route open worden gezet, worden de binnenvaart en de watergemalen stilgelegd, en blijft er een risico bestaan dat de ijsvloer op sommige plaatsen door onvoorziene omstandigheden niet de vereiste dikte bereikt (Visser et al. 2025).
Alleen door een combinatie van al deze factoren, wordt het klimatologisch mogelijk om een schaatstocht te organiseren. En zelfs dan moet het Elfstedenbestuur, geholpen door een leger Friese vrijwilligers, nog constant klaar staan en alles op alles zetten om een tocht succesvol te laten doorgaan. Het Elfstedenbestuur en alle vaste vrijwilligers moeten in principe tussen 1 december en 1 maart altijd klaar kunnen staan om binnen de twee dagen een Elfstedentocht te organiseren. Zelfs tot op het laatste moment kunnen onvoorziene omstandigheden hierbij roet in het eten gooien. Dit alles leidt ertoe dat grote groepen mensen in Friesland en Nederland elke winter opnieuw reikhalzend kunnen uitkijken naar een Elfstedentocht, en het altijd tot op het laatste moment spannend blijft of hij wel zal kunnen doorgaan. Klimaatwetenschappers geven ook aan dat de kans op een schaatstocht gevoelig is afgenomen in de laatste decennia, maar dat de kans niet nul is, en het daadwerkelijk elke winter opnieuw zo ver kan zijn (Visser et al., 2025). Met andere woorden heeft klimaatverandering het doorgaan van een tocht minder waarschijnlijk gemaakt (de kans is van ongeveer 20 procent ondertussen gezakt tot ongeveer vijf procent of minder), maar het doorgaan van een Elfstedentocht is fundamenteel altijd onvoorspelbaar geweest, en is dat anno 2026 nog steeds (Visser et al. 2025).
Dit is misschien het grootste verschil tussen de schaatstocht en alle andere alternatieve tochten. Elke andere alternatieve Elfstedentocht wordt reeds ver op voorhand ingepland. Men is maar in zeer kleine mate afhankelijk van het weer. Al maanden op voorhand kan deelname aan de Elfstedentocht worden ingeroosterd en ingepland in werkschema’s, en men weet exact wanneer een tocht wel en niet zal doorgaan. De ontwrichting van andere Elfstedentochten aan de economie is dus klein, net omdat men er reeds lang van tevoren rekening mee kan houden. Alternatieve tochten garanderen een minimale inmenging in het economische, formeel rationele domein, waardoor beide domeinen van elkaar gescheiden blijven. Het is dan ook een centraal kenmerk van verschil, dat dit bij de schaatstocht net niet kan.
De geschaatste Elfstedentocht is, door de grillige patronen van de Friese winters en de afhankelijkheid van specifieke, veranderlijke weersomstandigheden, fundamenteel onplanbaar. En de magie van een tocht schuilt voor een groot deel in hoe de Friese en Nederlandse samenleving hierop reageert. Verhelderend is de volgende reactie van Dieuwke* uit Workum. Ze was enkele dagen voor de tocht van 1985 werkzaam in een fabriek, wanneer werd aangekondigd dat er na 22 jaar nog eens een tocht zou komen. Nog geen uur later was de fabriek gesloten, en deze zou tot na de tocht ook gesloten blijven. “Het is een excuus om weer te gaan leven”, zegt ze. “Alles loopt vertraging op, het openbaar vervoer rijdt niet meer, maar dat kan ook niemand wat schelen, iedereen gaat naar buiten, ramen en deuren open.” De dame beschrijft hoe de Friese, en in (veel) mindere mate de Nederlandse economie, op een vooraf ongepland moment zo goed als onmiddellijk tot stilstand komt. En hoe men doorheen Friesland “opleeft”. Met fonkelende ogen en energie in de stem denkt ze terug aan die tijd. Het werkleven van deze vrouw, en dat van vele andere mensen, werd in 1985 plots onderbroken. Rationele, economische, onttoverde schema’s, en de vervreemdende dimensie die hier vaak aan hangt (Rosa 2020, 11), werden overboord gegooid. En ze konden hun energie steken in die dingen waar ze toen gelukkig van werden.
Oeke Mulder, voormalig bestuurslid bij de Elfstedenvereniging, had, net als vele andere mensen waar ik mee sprak, één voorwaarde op haar werk: “ik ben er in principe altijd, maar bij een tocht laat ik alles vallen.” En wat er ook gebeurt, al wordt ze ontslagen, tijdens een tocht gaat ze niet naar haar werk. Ze vertelt erover met een zekere kracht in haar stem. Alsof ze even de controle overneemt. En dat is wat zo veel mensen doorheen Friesland ook al lang voor zichzelf beslist hebben. In normale omstandigheden volgen ze de normale conventies van de economie. Maar tijdens een schaatstocht laten ze alles vallen. Deze emanciperende kracht van een Elfstedentocht is tijdens schaatstochten, en zelfs wanneer een schaatstocht niet actief aan het gebeuren is, voelbaar doorheen Friesland, en zelfs tot in de rest van Nederland.
Zo ook op het werk van Henk* en Paula*, twee mensen die tijdens de Elfstedentochten van 1985 en 1986 aan het werk waren in de Randstad. De dag zelf was ieders blik net wat meer op een nabij televisietoestel gericht, hing iedereen aan de radio gekluisterd, moesten normale conventies rond efficiënt en productief werken even wijken voor lange gesprekken aan de koffiemachine over wie er nu net op voorsprong lag, waar het moeilijk ging, wie vergeten was om een stempel te laten zetten in Hindeloopen enzovoort. De Nederlandse Tweede Kamer schorste zelfs hun plenaire zitting op een kwartier van de finish (Lolkama 2006, 203). De gehele economie viel, al was het maar voor even, grotendeels stil, en daarmee veel van de beklemmende aspecten van het rationele, economische systeem waar Friesland zich grotendeels in bevindt, wat parallellen vertoont met een Weberiaanse ijzeren kooi (Mitzman 1970).
Dat is wat alleen de schaatstocht echt losmaakt: ineens komt een gehele regionale economie, en het daarbij horende waardensysteem van efficiëntie, winstmaximalisatie, formele rationalisering en accumulatiedrang tot stilstand. Het openbaar vervoer rijdt amper nog, openbare wegen worden bijna alleen nog gebruikt voor de tocht, bruggen staan open, spullen worden gratis weggegeven, leveringen komen te laat, en zo goed als niemand die met de tocht bezig is, gaat óf niet werken, óf is alleen maar met de tocht bezig op het werk. En dit kan een groot deel van de Friezen, en grote groepen Nederlanders, ook weinig schelen. Immers: het is weer eens Elfstedentocht, it giet oan!
Hierin vormt de schaatstocht dan ook het tegenovergestelde van het schrikbeeld van de moderniteit dat velen deelden. Terwijl in “normale omstandigheden” economische en rationele logica’s een steeds grotere plek verwerven in steeds meer maatschappelijke domeinen (Etzrodt 2024,655), maakt een traditionele, geschaatste Elfstedentocht in de beleving van veel Friezen net de tegenovergestelde beweging. De zogezegd “onomkeerbare” opgang van dit formeel rationele waardenpatroon, waar de economie en steeds meer domeinen van de moderne samenleving op steunen, wordt voor een paar dagen een halt toegeroepen, omdat andere overwegingen voor even centraal gaan staan.
Terwijl de economie grotendeels stilvalt, gaat er echter iets anders opleven. Buren ontmoeten elkaar, de schaatsen worden uit het vet gehaald, de deuren gaan open voor onbekende Nederlanders, de banen worden geruimd, de laatste voorbereidingen worden getroffen, de dranghekken worden geplaatst. Een nieuwe energie daalt neer in de Friese steden, en bij uitbreiding in heel Friesland en Nederland. Alsof alles wat anders zo belangrijk lijkt, dat nu even niet meer is. En hiermee komen we terug bij het vonkje in de ogen van een Fries. Want die fonkeling in de ogen, dat resonante gevoel, die emanciperende kracht, de tijdelijke centrering van de Elfstedentocht boven de economie, het doet iets met de mensen. Ze gaan resoneren, en halen hun resonante, transformerende banden met de wereld aan (Rosa 2021). Ze gaan “the good life” (Robbins 2013) leiden: vele onderzoeksparticipanten beschreven deze tijd dan ook als “tijd van mijn leven”, “ultiem leven” en vele andere varianten.
Heel Friesland leeft dan ook mee op. In een nieuw soort bedrijvigheid. De regio wordt gevuld met een bepaalde energie, een weroplibbing. Het is Fries voor heropleving, en ik introduceer dit antropologische concept om de tijdelijke centrering van een waardensysteem te vatten dat draait rond cultuur, identiteit, sportprestatie, mienskip, belangeloosheid, burenhulp, wederzijdse steun, en andere eigenschappen die de Friezen aanduidden als een grote bron van hun welzijn en geluk. Hier definieer ik deze weroplibbing als een cultureel specifieke bron van welzijn: als een collectieve, tijdelijke onderbreking van een Weberiaanse ijzeren kooi en Rosa’s relatie van relatieloosheid met de wereld (Mitzman 1970; Rosa 2021).
Het substantieel rationele waardenpatroon dat vervat zit in het Friese mienskipsparadigma schort dit schrikbeeld van de moderniteit tijdelijk zo goed als volledig op. Het is de collectieve beleving van Rosa’s meer individualistisch geformuleerde resonantieconcept (2021), en daagt de “onomkeerbaarheid” van Weber’s rationaliseringstheorie uit (2019). Ook vormt deze specifieke heropleving dankzij deze eigenschappen een cultureel specifieke invulling van het Friese welzijn, dat hun leven “vol maakt” en een aanwijzing geeft voor wat het goede leven (Robbins 2013) in deze context kan betekenen.
De weroplibbing van de Friese geschaatste Elfstedentocht als antropologisch concept raakt in vele aspecten aan andere culturele rituelen en tradities. Zo onderbreken tradities die telkens een andere datum hebben als Chinees Nieuwjaar, de Ramadan of de Paasweek ook tijdelijk het economische systeem, wanneer deze periode ook valt (Aijmer 2005, 200; Anderson 2018; Gómez 1993). Toch zijn deze periodes grotendeels gebaseerd op de maankalender, waardoor ze in de Gregoriaanse kalender wel steeds veranderen, maar deze data evengoed jaren op voorhand reeds voorspeld kunnen worden (Aijmer 2005, 200). Ook zijn er op de natuur gebaseerde rituelen als andere schaatstochten of sneeuwfestivals in meer noordelijk gelegen regio’s of het bloeien van de kersenbloesems in Japan, maar hier bestaat er bijna steeds een veel grotere kans dat dit bepaalde ritueel jaarlijks kan doorgaan (Skille en Skille, 2025; Rankinen 2018). Wel is er bijvoorbeeld “The Eddie”, een surfwedstrijd in de Hawaïaanse archipel die sinds 1985 nog maar elf keer is gehouden op onregelmatige tijdstippen omdat de golven in de baai waar de wedstrijd doorgaat slechts af en toe de vereiste hoogte bereiken (Howell 2024). Toch gaat het hier om een fundamenteel ander, meer commercieel fenomeen dat paralellen vertoont met de schaatstocht qua klimatologische grilligheid maar er op andere vlakken sterk van afwijkt.
Het is slechts door de grilligheid van de Friese winters dat een Elfstedentocht jarenlang niet kan doorgaan, en dan toch onverwacht ineens daar kan zijn. In de Elfstedentocht op de schaats zit een onplanbaarheid die de schaatstocht binnen de Elfstedentochttraditie uniek maakt, en slechts enkele vergelijkbare fenomenen kent in de wereld (Howell 2024; Braun 2026). De maatschappelijke reactie op de schaatstocht van weroplibbing binnen en buiten Friesland is eveneens een relatief zeldzaam, maar breed geapprecieerd fenomeen (Kenyon 2024; Saueur 2025). Dit maakt dan ook tegelijk de bredere relevantie en het specifieke karakter van deze Friese weroplibbing duidelijk, waarin een substantieel rationeel waardenpatroon spontaan, grotendeels onverwacht en vrij plotseling centraal komt te staan.
Ook kan klimaatverandering hierin de mentale beleving van de traditie mogelijk zelfs versterken: doordat het risico ontstaat dat er misschien nooit nog een tocht komt (Visser et al. 2025), gaan mensen die wel een Elfstedentocht hebben meegemaakt, hun herinneringen mogelijk nog meer koesteren. Ze weten dat ze iets unieks hebben meegemaakt in de wereld, iets dat misschien niet meer zal gebeuren. Ik interpreteer dit mechanisme hier als een dubbel effect van klimaatverandering in deze materie, waarin het veranderende klimaat fungeert als een existentiële dreiging voor het voortbestaan van de tocht, maar deze toenemende zeldzaamheid ook net de herinneringen kan versterken. Op deze manier ondersteunt de angst rond het veranderende klimaat net het mythevormingsproces en de historische beleving rond de tocht. Hiermee krijgt de beleving van toen een extra laagje nostalgie, zeldzaamheid en magie.
Deze weroplibbing staat dan tegenover een formeel rationeel waardensysteem, dat het economische leven bepaalt. In normale omstandigheden zijn dit concurrerende waardensystemen, die afhankelijk van het specifieke moment en de specifieke situatie meer of minder invloed hebben. In het 11fountains-project percipieerden velen dat een formeel rationeel waardensysteem nu zelfs van toenemend belang was in de Elfstedentochttraditie. Tijdens alternatieve tochten worden beide systemen tijdelijk grotendeels gescheiden, en wordt er tijdelijk een ander waardenpatroon centraal gesteld. Maar alleen tijdens een geschaatste tocht, wanneer de economie grotendeels stilvalt op een vooraf ongepland moment, gebeurt er een weroplibbing die de invloed van een formeel rationeel waardenpatroon tijdelijk terugdringt: want wanneer een schaatstocht ook valt, als het klimatologisch kan, zal het doorgaan, ongeacht de economische impact of andere nutsberekeningen.
Dat ongeplande en onplanbare aspect is wat de schaatstocht fundamenteel anders maakt dan alle andere tochten. Om deze reden zijn er ook nog nooit serieuze pogingen ondernomen om een officiële Elfstedentocht op ijsbanen of kunstmatig ijs te organiseren. Het zou een aspect van onplanbaarheid en spontaniteit wegnemen, dat net zo breed gewaardeerd wordt. Net omdat de datum van een tocht, en of die zelfs doorgaat, niet op voorhand bepaald kan worden, gaat de tocht ook net een grotere plaats innemen in een Friese winter, dan anders het geval zou zijn. Je moet namelijk elke dag trainen, je elke dag voorbereiden, elke dag klaar zijn om een tocht te kunnen organiseren of eraan deel te kunnen nemen. En zo vult de geschiedenis van de Elfstedentocht zich mentaal voor veel onderzoeksparticipanten met veel meer momenten dan de officieel afgekondigde en uitgereden tochten.
Zo wordt het niet meer alleen die paar data in 1956, 1963, 1985, 1986 en 1997. Maar ook hoe het bijna zover is geweest. Hoe het daags voor de start begon te regenen in 1961, hoe de ijsdikte op specifieke plekken onvoldoende was in 1987, hoe het achteraf gezien toch had kunnen doorgaan in 1996. Of hoe het meest recent bijna zo ver was in 2012 (Lolkama 2006). En ook doorheen andere strengere winters, wanneer de Friese waterwegen zich vulden met een ijslaag, die op veel plekken, maar niet overal, tot boven de vijftien centimeter uitgroeide. Hoe het niet vaak daadwerkelijk daar is, maar het zo veel vaker kán dat hij eraan komt, zorgt ervoor dat de schaatstocht mentaal veel langere periodes inneemt dan andere tochten, in sommige winters zelfs de gehele winterperiode.
Hoe men altijd paraat moet staan of er klaar voor moet zijn, waardoor een geschaatste Elfstedentocht voor velen in de Friese winters bijna een levensstijl wordt. En hoe men doorheen die winterperiodes zich er constant van bewust is, dat op elk moment de economie stil kan vallen, en die specifieke weroplibbing voor de deur kan staan. Het creëert een emanciperende energie, een kracht die op elk moment een formeel rationeel, modern, “nuttig” waardenpatroon opzij kan schuiven, en een mienskipsgericht, substantieel, vol, resonant, communautair, levend, “menselijk” waardenpatroon tijdelijk kan centreren. Een waardenpatroon, gelinkt aan die unieke traditie, die voor zo veel stakeholders uiting geeft aan een vonkje in hun ogen. Een lichtje dat fysiek uiting geeft aan een cultureel specifiek ritueel dat bepaalde elementen van het moderne rationaliseringsproces tijdelijk opschort. Het is een ultieme vorm van weroplibbing, van een collectief “opnieuw gaan leven”, en van het collectief gaan leiden van “het goede leven”. Hierdoor is deze fonkeling geen onbeduidend fenomeen, noch is het willekeurig. Het is een vonkje van geluk en welzijn, een vonkje van de Elfstedentocht, een vonkje in de ogen van een Fries.
5. Discussie
Uit de analyse zijn drie centrale tendensen naar voren gekomen die de geschaatste Elfstedentocht haar unieke positie hebben gegeven en blijven geven, zelfs decennia na de voorlopig laatste tocht, zoals aangegeven in de onderzoeksvraag. Zo zijn niet-commercialiteit en collectieve resonantie ten gevolge van een mienskipsparadigma essentieel. Toch is het alleen de schaatstocht, met haar onplanbaarheid en daaraan gelinkte unieke weroplibbing, die een soort magie weet los te maken. Een magie die de Elfstedentocht op de schaats nog steeds tot de populairste, bekendste en meest gewaardeerde uiting van de gehele Elfstedentochttraditie verheft.
Ook functioneert de gehele traditie, met de schaatstocht op kop, als een cultureel specifieke bron van welzijn in Friesland. De drie voornaamste factoren van de traditie hebben dan ook een bredere implicatie in de Friese context, allen gelinkt aan de eerder besproken “Friese paradox” (Omrop Fryslân 2019a). Zo blijkt het tijdelijk opzijschuiven van een Weberiaanse “ijzeren kooi” (Mitzman 1970) van formeel rationele, vaak individualistische logica’s een bron van collectieve resonantie te zijn. Dit bovenal wanneer men in de plaats tijdelijk een ander, cultureel specifiek en mensgericht waardenpatroon centreert. Tijdens een tocht komt dit paradigma extra naar de voorgrond, maar ook breder kunnen we vaststellen dat Friezen minder eenzaam zijn en er een sterk sociaal vertrouwen heerst in de regio (Hoekstra 2024; Hutjes 2025). Hierdoor zijn er redenen om aan te nemen dat dit mienskipsparadigma ook in normale omstandigheden steeds in meer of mindere mate aanwezig is.
Verder is er nog steeds in elke Friese winter een kans dat er een schaatstocht kan plaatsvinden. Op elk moment in een koude winter kán de economie immers grotendeels stilvallen, en kán het zover zijn (Visser et al. 2025). Er bestaat (nog) steeds een kans op weroplibbing. Deze onplanbaarheid geeft specifiek de schaatstocht dan ook de positie die ze heeft, en verhindert deze positie niet, maar versterkt ze zelfs. De heersende, formeel rationele logica kán op elk moment onderbroken worden, zelfs als dat niet vaak gebeurt.
De Friese weroplibbing is ongepland, spontaan en gedreven door specifieke omstandigheden in het weer en de natuur. Hierin onderscheidt dit concept zich van Turner’s communitas (1969). Turner beschreef grotendeels cyclische, geplande en vaak niet (rechtstreeks) door de natuur en het weer getriggerde rituelen die leiden tot een egalitaire, tijdelijke opschorting van de bestaande sociale structuur. Weroplibbing is dan weer expliciet een grotendeels ongepland en onplanbaar welzijnsconcept dat ook de brug legt met de Weberiaanse moderniteit (2019), waarin tijdelijke gelijkheid collectief de “ijzeren kooi” doorbreekt. Ook kan de constante hoop op een Elfstedentocht, het continue afwachten en de gedeeltelijke oriëntatie van de Friese samenleving op de mienskip en op de traditie ertoe leiden dat deze heropleving, zelfs wanneer het niet gebeurt, nog steeds blijft functioneren als een bron van geluk en welzijn. Weroplibbing is in se tijdelijk, maar kan mentaal en in de beleving ook invloed uitoefenen wanneer het technisch gezien niet aan het gebeuren is.
Al deze factoren wijzen op een specifieke conceptie van “het goede leven” waar Robbins (2013) ook naar op zoek gaat in zijn anthropology of the good. Het goede leven wordt hier bepaald door culturele betekenisgeving, en niet alleen door materiële welvaart. De “volheid” van een mensenleven komt in deze context niet voort uit materiële rijkdom, maar uit cultureel specifieke ervaringen en evenementen, uit onderlinge solidariteit met buren en streekgenoten, en uit de bredere centrering van een waardenpatroon dat niet draait op een formeel rationele logica. Het schrikbeeld van een ijzeren kooi wordt tijdelijk een halt toegeroepen tijdens een Elfstedentocht, nog meer tijdens een schaatstocht dan tijdens alternatieve tochten. Het daagt de onomkeerbaarheid van Weber’s these uit, en wijst ten minste op een regionale, tijdelijke onderbreking van dit rationaliseringsproces.
Specifiek de weroplibbing van een schaatstocht wijst dan weer op een relatief intense, collectieve, gezamenlijke beleving van Rosa’s resonantieconcept, waar Rosa zelf dit concept vooral individueel en relatief abstract invulde (2021). De wereld wordt tijdelijk “betoverd”, als tegengewicht aan een “onttoverde” beleving van de moderne wereld. Net in deze betovering wordt ook het contrast duidelijk met elementen van de traditie die de kernprincipes van niet-commercialiteit en mienskip lijken te schenden, omdat deze uitingen steevast als “onttoverd” worden onthaald. De volledige beleving van deze minder gewaardeerde elementen kon dan ook voor veel onderzoeksparticipanten worden samengevat in een schouderophaling.
De Elfstedentocht staat symbool voor een sterke uiting van bepaalde elementen van de Friese context, die samen deels een verklaring kunnen vormen voor het unieke, bovengemiddelde Friese welzijn. Door de Friese paradox vanuit deze welzijnslens te benaderen, wordt duidelijk dat dit helemaal geen paradox is. Het Friese welzijn wordt in een bepaalde mate mogelijk gemaakt of veroorzaakt door economische factoren, maar heeft ook een expliciet niet-economische inslag. Uit verder onderzoek blijkt ook dat economische, materiële welvaart ook in andere samenlevingen een (meer of minder sterke) link heeft met welzijn, maar dat deze band niet absoluut is, en culturele, subjectieve en niet-materiële, niet-economische factoren eveneens een belangrijke rol spelen (Easterlin 1974; Mathews en Izquierdo 2009b). Daardoor verwordt het nemen van economische indicatoren als rechtstreekse maatstaf voor welzijn tot een minder treffende vergelijking. Het is immers in de gedeeltelijke stillegging van bepaalde economische logica’s dat een deel van het Friese welzijn zich bevindt. Daardoor lijkt het aangewezen om deze concepten eerder in hun deels symbiotische, deels tegengestelde relatie te bestuderen, dan als twee concepten die per se tot gelijkaardige uitkomsten zullen leiden.
Deze deels symbiotische relatie maakt de tocht, in haar moeilijke relatie tot de moderniteit, dan ook tot een traditie die net perfect past in de huidige socio-economische constellatie van Friesland en Nederland. Of zoals Teade* in Franeker het zei: “Het is iets wat we juist in deze tijd steeds meer nodig hebben.” Hij legde hierbij sterk de nadruk op het woord “juist”. Dit deel van de traditie gaat, gekoppeld aan het veranderende en opwarmende klimaat, mogelijk zo nog een groter object van verlangen vormen, tenminste voor zover de realistische kans blijft bestaan dat het nog eens zou kunnen doorgaan.
De tocht functioneert in deze analyse om alle bovenstaande redenen als een noodzakelijke, grote bron van welzijn. Deze inzichten zijn in de basis geformuleerd vanuit het Friese veld, maar ook vanuit een specifieke focus en positionaliteit van de onderzoeker. Deze factoren geven aanleiding tot zowel beperkingen als kansen in dit onderzoek. Zo heb ik ervoor gekozen om vooral te werken met insiders en stakeholders van de traditie, en om me door de korte veldwerkperiode geografisch ook vooral toe te leggen op de Friese elf steden en hun omgeving. Dit heeft betekend dat veel onderzoeksparticipanten een gelijkaardig profiel hadden: gemiddeld iets ouder, vooral afkomstig uit het gebied in en rond de elf steden, en vaak relatief betrokken (geweest) in één of meerdere elementen van de Elfstedentochttraditie.
Zo heb ik minder gesproken met jongeren, twintigers en dertigers, mensen die nooit (bewust) een schaatstocht hebben meegemaakt. Zij kennen de tocht integraal door hervertellingen, niet door eigen ervaringen. Hierdoor zien ze de tocht misschien meer als een mythe, een verouderd ritueel of iets uit de geschiedenis en niet uit het heden. Een onderzoek naar deze groep zou dan ook mogelijk tot fundamenteel andere conclusies leiden, waardoor werken met jongere mensen over de traditie een erg interessant vervolgonderzoek kan vormen.
Ook heb ik minder gewerkt met zij die minder geïnteresseerd zijn in de traditie, wat het onderzoek mogelijk een meer eenzijdige dimensie geeft door grotendeels de bijdragen te bespreken van een specifieke groep. Toch was het verrassend om bij deze kleinere groepen vast te stellen dat de breuklijnen waarop de populariteit van de tocht veelal gebaseerd is, over het algemeen niet veranderden. Veel mensen die minder betrokken of geïnteresseerd waren, meenden dat de tocht reeds verregaand gecommercialiseerd of “gefestivaliseerd” is. Zij ervaarden die weroplibbing en andere centrale kenmerken niet die vele anderen wel aanhaalden, en waren net van mening dat de schaatstocht reeds onttoverd is.
Daarnaast heb ik vooral de focus gelegd op het kerngebied waar de traditie grotendeels plaatsvindt, in het westen en noorden van Friesland. Dit gebied is echter slechts één deel van de regio, naast bijvoornbeeld de Wouden, Stellingwerven en Waddeneilanden. Door mijn beeld van de gehele regio hier vooral te baseren op mijn ervaringen in één deel van het gebied, draag ik mogelijk zelf ook bij aan een breder discours dat “Friesland” steeds vooral linkt aan het gebied in en rond de elf steden. Ook hier lijkt verder toekomstig onderzoek de sleutel te zijn. Door meer te gaan kijken naar de ervaring en beleving van deze Friezen, kunnen ook deze minder gehoorde groepen in het Friese discours met hun eigen unieke ervaringen diepgaander aan bod komen.
Een laatste kenmerk van het onderzoek, dat zowel beperkend als verrijkend kan werken, is hoe mijn eigen positie een grote factor was in de resultaten. Zo heb ik nooit zelf een schaatstocht meegemaakt en heb ik me voor dit onderzoek volledig gebaseerd op hervertellingen en naslagwerken, waardoor ik de tocht mogelijks ook legendarischer beschrijf dan deze echt geweest is. Toch kan dit ook een voordeel zijn, omdat het in dit onderzoek net gaat over de beleving die velen vandaag de dag hebben rond de tocht, en niet per se over hoe het feitelijk gebeurd is. Zo wordt de tocht mogelijks als een ideaalbeeld voorgesteld dat niet altijd raakt aan de historische realiteit, maar is het evengoed een relevant inzicht om vast te stellen hoe dit mentale ideaalbeeld eruitziet. Mijn gebrek aan persoonlijke, geleefde ervaringen in verband met de schaatstocht kan op die manier net meer de focus leggen op de huidige beleving en de mythevorming, los van feitelijke, historische gebeurtenissen. Toekomstige onderzoeken kunnen blijven werken aan meerstemmigheid in de traditie, om zo vanuit alle mogelijke hoeken een beter beeld te ontwikkelen van de traditie en van het Friese welzijn.
Dit onderzoek kan wel breder een bijdrage leveren binnen de antropologie. Door mijn expliciete focus op cultureel specifiek welzijn, kan dit onderzoek de bredere geluks- en welzijnsantropologie ondersteunen (Mathews en Izquierdo 2009a; Fischer 2014). Ook kan dit onderzoek de specifieke Friese casus met de bredere literatuur over het onderwerp verbinden, waar er in het verleden veel minder antropologisch onderzoek is gedaan naar de Friese context. Een belangrijk inzicht van dit onderzoek, met bredere significantie, is dat een tijdelijke opschorting van de Weberiaanse “ijzeren kooi” en bijhorende centrering van een cultureel specifiek, niet-economisch, mensgericht waardenpatroon voordelen kan hebben voor verschillende bevolkingen in moderne samenlevingen.
Deze bevindingen ondersteunen dus ook de relevantie van culturele rituelen en festivals zoals bijvoorbeeld Chinees Nieuwjaar, Noorse wintersporttradities en de Islamitische Ramadan als cultureel specifieke bron van welzijn in een wereld in verandering (Aijmer 2005; Anderson 2018; Skille en Skille 2025). De Friese casus leert hoe de brede welvaart van een bevolking niet per se volledig gecapteerd kan worden in economische maatstaven, of in het gebruik van materiële welvaart als welzijnsindicator. Bovendien blijkt echter ook de culturele inbedding van een bepaalde praktijk belangrijk. Universalistische maatstaven voor welzijnsonderzoek blijven moeilijk, net omdat welzijn zich op ontelbaar vele specifieke manieren kan uiten.
Precies hier kan een antropologische lens dan ook van groot belang zijn, zoals in dit onderzoek. Deze benadering maakt het mogelijk om de culturele specificiteit van de Friese Elfstedentocht te capteren, daarbij op zoek gaande naar een bredere significantie, maar zonder een “universalistisch” welzijnsmodel te willen blootleggen. Door ook in andere contexten de focus te leggen op geleefde ervaringen en steeds wisselende invullingen van geluk en welzijn, kan de antropologie een belangrijke bijdrage blijven bieden aan het bredere onderzoek naar geluk en welzijn in moderne samenlevingen.
Hiermee wordt de waarlijke, unieke positie van de tocht duidelijk anno 2026: niet als een archeologische reliek uit het verleden, maar als een gestructureerde, collectief resonante beleving van geluk en welzijn, en van net datgene dat men steeds meer mist in moderne samenlevingen.
6. Conclusie
Deze thesis onderzocht de unieke positie van de Elfstedentocht in Friesland en Nederland vanuit een geluks- en welzijnslens, en kon zodoende de centrale factoren blootleggen van niet-commercialiteit, collectieve resonantie ten gevolge van de centrering van een mienskipsparadigma, en de fundamentele onplanbaarheid van de schaatstocht die leidt tot weroplibbing. In de combinatie van al deze elementen is de schaatstocht een traditie die relatief uniek is in de wereld.
De weroplibbing die een Elfstedentocht op de schaats weet los te maken komt voort uit de cultureel specifieke vorm van collectieve resonantie die de Weberiaanse ijzeren kooi (Weber 2019: Mitzman 1970) in de perceptie tijdelijk openbreekt. Hiermee wordt de onomkeerbaarheid van het Weberiaanse rationaliseringsproces (Etzrodt 2024, 655) regionaal en tijdelijk uitgedaagd, en wordt Rosa’s resonantieconcept (2021) uitgebreid met een collectieve, plotselinge dimensie. In deze collectieve resonantie met de wereld worden de contouren duidelijk van wat het goede leven (Robbins 2013) kan betekenen in de Friese context, en komt de relatieve irrelevantie naar boven van het aanduiden van de “Friese paradox” (Omrop Fryslân 2019a) als zijnde een paradox.
Breder maakt dit onderzoek duidelijk welke factoren als bronnen van welzijn kunnen fungeren in moderne samenlevingen: collectieve rituelen, festivals en feesten, waarin men opnieuw de verbinding kan aangaan met elkaar en met de wereld, los van formeel rationele, economische overwegingen. Ook in rituelen of festivals zonder vaste datum, zoals natuurrituelen, komen elementen terug van de onplanbaarheid die net de Elfstedentocht zo speciaal maakt. Deze niet-commerciële momenten van collectieve resonantie maken duidelijk hoe het hanteren van louter economische indicatoren als maatstaf voor welzijn mogelijk niet de meest geschikte benadering is, en draagt bij aan een opkomend onderzoeksveld rond “brede welvaart” (Mathews en Izquierdo 2009a; Fischer 2014; van de Vegte 2020). Hiermee geeft dit onderzoek enkele bredere inzichten weer voor het onderzoeksveld van de geluks- en welzijnsantropologie, en voor denkers en beleidsmakers buiten het Friese en Nederlandse veld.
Voor organisatoren en beleidsmakers in Friesland biedt dit onderzoek enkele cruciale inzichten. Zoals dat de commercialisering van de Elfstedentochttraditie de doodsteek kan betekenen van de tocht. Verregaand reclame maken met de tocht, opzichtig munt proberen slaan uit de traditie, de traditie willen voortzetten om puur toeristische doeleinden, het aantrekken van sponsoren of het aangaan van contracten met commerciële mediakanalen kan de tocht herleiden tot een in controverse gehulde traditie die de toekomst ervan onzeker maakt.
De toekomst van de traditie zou dan ook moeten liggen in de voortdurende centrering van een Fries mienskipsparadigma, om de voortdurende waardering van de alternatieve tochten te verzekeren. Daarnaast toon ik in dit onderzoek aan hoe het zoeken naar technologische of artificiële oplossingen om een Elfstedentocht op de schaats te bewerkstelligen, niet per se zal leiden tot de beleving van de tocht zoals die er vroeger uitzag. Dit zal namelijk het fundamenteel onplanbare, niet door mensen maakbare aspect van de schaatstocht en de daaraan gelinkte weroplibbing wegnemen die zo breed gewaardeerd wordt in de Friese context. Het zou ook het voortdurend samen uitkijken naar gunstige weersomstandigheden en de euforie wanneer het toch kan doorgaan wegnemen, waar dit net een groot deel van de aantrekkingskracht vormde en nog steeds vormt. Ook vormt de Elfstedentochttraditie nog steeds een belangrijk deel van de Friese cultuur en identiteit. In momenten van collectieve resonantie en weroplibbing fungeert de tocht als een levende uiting van gemeenschapszin, en als dam tegen die beklemmende of vervreemdende aspecten van moderne samenlevingen die zich in de perceptie steeds verder uitbreiden.
Wel zit hierin ook een harde les voor de schaatstocht, waar het gaat over klimaatverandering. Naarmate de realistische kans op een volgende tocht afneemt (Visser et al. 2025), kan de mythe rond de tocht nog verder groeien, en het verlangen naar weroplibbing nog toenemen, maar kan de tocht ook louter nog mythisch worden ingevuld, en niet langer geleefd en fysiek. Wat er zal gebeuren als er nooit nog een Elfstedentocht komt, is niet duidelijk. Mogelijks gaat de tocht een soort archeologisch reliek vormen, of een legende van weleer. Of mogelijks ontstaat er weer een nieuwe, cultureel ingebedde vorm van weroplibbing in het Friese veld. Naast de noodzaak aan een robuust klimaatbeleid, is het dus onduidelijk hoe de alternatieve tochten en de positie van de schaatstocht in de toekomst mee kunnen blijven bewegen. Het zal in de toekomst interessant blijven om te bestuderen hoe deze levende legende wordt ingevuld, en daarmee samenhangend dus ook een deel van het Friese welzijn in een veranderende wereld.
De Elfstedentocht kan veel dingen betekenen. Een schaatstocht, fietstocht of wandeltocht, een mythe, een sportprestatie, een familiefeest, een krachtige uiting van regionale cultuur en van de Friese identiteit, een moment waarop Friesland even centraal komt te staan, en bovenal een blijvend relevante bron van geluk en welzijn in een veranderende wereld. De tocht betekent veel verschillende dingen voor veel verschillende mensen, maar één reactie bleek toch keer op keer, gesprek na gesprek, weer terug te komen.
Van Wytske in IJlst tot Pieter in Bolsward, van Dokkum tot Stavoren en van de elf steden tot in de rest van Friesland en Nederland. Wanneer het over de Elfstedentocht ging, gingen de mensen even wat rechter zitten. Ze kwamen dichterbij leunen, er schoot een nieuwe energie door hun lichaam heen, ze begonnen te lachen, en ze gingen honderduit vertellen. En in hun ogen verscheen er een fonkeling. Een prachtig lichtje, dat er daarvoor niet was. Deze kleine fysieke reactie geeft uiting aan een herinnering of beleving. Aan een moment wanneer de beklemmende aspecten van de moderniteit even naar de achtergrond verdwijnen, en het goede leven naar de voorgrond komt. Hiermee vormt dat lichtje, dat vonkje, een symbool van geluk en welzijn. Het is het vonkje van de Elfstedentocht, het vonkje in de ogen van een Fries.
7. Referenties
11fountains. z.d. “Ontdek de elf fonteinen van Friesland en geniet van de grootste beeldentuin van Europa.” Geraadpleegd op 3 maart 2026. https://11fountains.nl/.
Agamben, Giorgio. 1998. Homo Sacer: Sovereign Power and Bare Life. Stanford University Press.
Aijmer, Göran. 2005. “A Family Reunion: The Anthropology of Life,Death and New Year in Soochow.” Journal of the Royal Asiatic Society 15, no. 2: 199–218. https://doi.org/10.1017/S1356186304004705.
ALLEA. The European Code of Conduct for Research Integrity – Revised Edition 2023. All European Academics, 2023.
Alternatieve Elfstedentocht Weissensee. z.d. “De organisatie.” Geraadpleegd op 15 maart 2026. https://www.weissensee.nl/de-organisatie/.
Anderson, Paul. 2018. “An abundance of meaning: Ramadan as an enchantment of society and economy in Syria.” HAU: Journal of Ethnographic Theory 8, no. 3 (Winter): 610-24. https://doi.org/10.1086/701026.
Bernard, Harvey Russell. 2018. Research Methods in Anthropology: Qualitative and Quantitative Approaches. Vierde editie. Altamira Press.
Betten, Erik. 2013. De Fries: Op zoek naar de Friese identiteit. Wijdemeer Leeuwarden.
Bijlo, Esther. 2022. “Niet rijk, wel gelukkig: wat kunnen we leren van de ‘Friese paradox’?” Trouw, 6 oktober. https://www.trouw.nl/duurzaamheid-economie/niet-rijk-wel-gelukkig-wat-kunnen-we-leren-van-de-friese-paradox~bcf75bac/.
Braun, Sara. 2026. “Death Valley bursts into superbloom for first time in a decade.” The Guardian, 10 maart. https://www.theguardian.com/us-news/2026/mar/10/death-valley-superbloom-wildflowers-california.
Brouwer, Willem. 2022. De eenzame schaatser. De Brouwerij.
Centraal Bureau voor de Statistiek. Hoeveel fietsen inwoners van Nederland. 2025. https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/verkeer-en-vervoer/personen/fietsen.
Chatfield, Mark. 2019. “Totalistic Programs for Youth. A Thematic Analysis of Retrospective Accounts.” Journal of Extreme Anthropology 3, no. 2: 1-23. https://journals.uio.no/JEA/article/view/7015.
Couwenhoven, Ron. 2009. Een eeuw elfstedentocht. Eerste Friesche Schaatsmuseum.
Csordas, Thomas. 1994. The Sacred Self: A Cultural Phenomenology of Charismatic Healing. University of California Press.
David, Idris. 2023. “Scheiding bij koppels van hetzelfde geslacht in België: Patronen bij scheiding van gehuwde en wettelijk samenwonende homoseksuele en heteroseksuele koppels in België, 2000, 2003 en 2020.” Academische Paper, KU Leuven.
David, Idris. 2025. “De tocht der tochten op glad ijs: startrapport etnografisch ontwerp.” Academische paper, KU Leuven.
de Jong, Joas. Klimaat en milieu in Fryslân. Planbureau Fryslân, 2024. https://planbureau.frl/monitoren/klimaat-en-milieu/.
de Jong, Steven, regisseur. 2009. De Hel van ’63. E1 Entertainment Benelux. 1 u., 48 min. https://nl.wikipedia.org/wiki/De_Hel_van_%2763.
de Mik, Karin. 2007. “Nooit meer het plezier van ‘it giet oan’.” NRC, 15 december. https://www.nrc.nl/nieuws/2007/12/15/nooit-meer-het-plezier-van-it-giet-oan-11453195-a202270.
de Vries, Jan. 2022. "On the Road: Poor Travelers in Mid-Seventeenth-Century Friesland." Journal of Interdisciplinary History 52, no. 4 (Lente): 477-511. https://doi.org/10.1162/jinh_a_01764.
Dwarswaard, Daniël. 2026. “Zielsgelukkige Jorrit Bergsma droomt nu alleen nog van Elfstedentocht: ‘Het moet een keer flink gaan vriezen’”. Algemeen Dagblad, 22 februari. https://www.ad.nl/olympische-spelen/zielsgelukkige-jorrit-bergsma-droomt-nu-alleen-nog-van-elfstedentocht-het-moet-een-keer-flink-gaan-vriezen~a5e23486/.
Easterlin, Richard. 1974. “Does Economic Growth Improve the Human Lot? Some Empirical Evidence.” In Nations and households in economic growth: essays in honor of Moses Abramovitz, bewerkt door Paul David en Reder Melvin, 89-125. Academic Press. https://doi.org/10.1016/B978-0-12-205050-3.50008-7.
Elfstedenwandeltocht. z.d. “11stedenwandeltocht.” Geraadpleegd op 3 maart 2026. https://www.elfstedenwandeltocht.nl/.
Etzrodt, Christian. 2024. “Max Weber’s rationalization processes disenchantment, alienation, or anomie?” Theory and society 53: 653-671. https://doi-org.kuleuven.e-bronnen.be/10.1007/s11186-024-09554-7.
Fietselfstedentocht. z.d. “Over de fietselfstedentocht.” Geraadpleegd op 3 maart 2026. https://www.fietselfstedentocht.frl/nl/over-de-fietselfstedentocht.
Fischer, Edward. 2014. The Good Life: Aspiration, Dignity, and the Anthropology of Wellbeing. Stanford University Press.
Gardner, Katy. 2015. “The path to happiness? Prosperity, suffering, and transnational migration in Britain and Sylhet.” HAU: Journal of Ethnographic Theory 5, no. 3 (Winter): 197-214. https://doi.org/10.14318/hau5.3.011.
Geertz, Clifford. 1973. The Interpretation of Cultures. Fontana Press.
Gómez, Rafael Briones. 1993. "La experiencia simbólica de la Semana Santa. Funcionamiento y utilidad." Gazeta de antropología 10: 1-18. doi:10.30827/Digibug.13636.
Hartkamp, Rick. 2023. “Grote welzijnsverschillen tussen provincie en grote steden: ‘Waar je gelukkig van wordt, is zingeving’.” Wij Nederland, 13 oktober. https://wnl.tv/2023/10/13/grote-welzijnsverschillen-tussen-provincie-en-grote-steden-waar-je-gelukkig-van-wordt-is-zingeving.
Hoekstra, Sibilla. Fryslân blijft de provincie met de gelukkigste inwoners. Planbureau Fryslân, 2024. https://planbureau.frl/nieuws/fryslan-blijft-de-provincie-met-de-gelukkigste-inwoners/.
Howell, August. 2024. “If North Shore Stars Align, Here’s Who Will Surf in the Eddie This Winter.” Surfer, 4 oktober. https://www.surfer.com/news/2024-25-eddie-big-wave-invitational-invitees.
Hutjes, Jolijn. 2025. “Eenzaamheid daalt in Fryslân, ook op andere fronten lijkt het positief.” Planbureau Fryslân, 15 december. https://planbureau.frl/nieuws/eenzaamheid-daalt-in-fryslan-ook-op-andere-fronten-lijkt-het-meer-positief/.
Jepkema, Timo. 2022. “Deelnemers Onbeperkte Elfstedentocht hebben het zwaar bij tweede etappe naar Franeker.” Omrop Fryslân, 16 september. https://www.omropfryslan.nl/nl/nieuws/1168294/deelnemers-onbeperkt-elfstedentocht-hebben-het-zwaar-bij-tweede-etappe-naar-franeker.
Joustra, Wio. 2019. “Fonteinen als culturele trekpleister in Friesland.” Noorderbreedte, 28 januari. https://noorderbreedte.nl/2019/01/28/fonteinen-als-culturele-trekpleister-in-friesland/.
Kenyon, Matthew. 2024. “Elfstedentocht: The famed, frozen race that may never return.” BBC, 23 januari. https://www.bbc.com/sport/winter-sports/67926417.
Kolmer, Deirdre, Loes den Hollander, en Annelies Bast. 2008. Momenten van... Verhalen over vroeger. Bohn Stafleu van Loghum.
Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden. z.d. “Commercie.” Geraadpleegd op 3 maart 2026. https://elfstedentocht.frl/commercie/.
Kooiker, Sjoerd. 2021. “Bestaansonzekerheid en regionale gezondheids-verschillen.” Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen 100: 28-31. https://doi.org/10.1007/s12508-021-00324-9.
Kullenberg, Cristopher, en Gustaf Nehlhans. 2015. “The happiness turn? Mapping the emergence of “happiness studies” using cited references.” Scientometrics 103, no. 2 (Mei): 1-20. doi:10.1007/s11192-015-1536-3.
Lolkama, Johannes. 2006. De Tocht der Tochten - De geschiedenis van de Elfstedentocht, 1749-2006. Steven Sterk.
Lolkama, Johannes. 2009. It sil heve. 100 jaar Elfstedentocht. Spider Projects.
Mathews, Gordon, en Carolina Izquierdo, reds. 2009b. Pursuits of Happiness: Well-being in Anthropological Perspective. Berghahn Books.
Mathews, Gordon, en Carolina Izquierdo. 2009a. "Towards an anthropology of well-being." In Pursuits of Happiness: Well-Being in Anthropological Perspective, bewerkt door Gordon Mathews en Carolina Izquierdo, 248-65. Berghahn Books.
Metzger, Alexis, en Martine Tabeaud. 2015. “Elfstedentocht : la fièvre pour un hiver glacial.” In Tourisme de neige et de glace dans les régions septentrionales: Réalités et enjeux, bewerkt door Alexis Metzger en Martine Tabeaud, 1-10. L’âge d’homme.
Mitzman, Arthur. 1970. The iron cage: An historical interpretation of Max Weber. Transaction Publishers.
Molema, Marijn. 2021. “Groeien op krimpgebied: Nieuwe perspectieven op regionale ontwikkeling.” Socialisme & Democratie 78, no. 1 (Februari): 68-76. https://wbs.nl/sites/default/files/2021-02/12.%20M%20Molema_Groeien%20op%20krimpgebied_SD_2021_1.pdf.
Musante, Kathleen. 2015. “Participant Observation.” In Handbook of Methods in Cultural Anthropology, bewerkt door Harvey Russell Bernard en Clarence Gravlee, 251-92. Rowman & Littlefield.
Narayan, Kirin. 1993. “How native is a “native” anthropologist?” American Anthropologist 95, no. 3 (September): 671-86. https://doi.org/10.1525/aa.1993.95.3.02a00070.
NOS Nieuws. 2024. “Fietselfstedentocht getroffen door noodweer.” 20 mei. https://nos.nl/artikel/2521194-fietselfstedentocht-getroffen-door-noodweer.
Omrop Fryslân. 2019a. “De Friese Paradox: met minder geld gelukkiger dan anderen.” 12 juni. https://www.omropfryslan.nl/nl/nieuws/890268/de-friese-paradox-met-minder-geld-gelukkiger-dan-anderen.
Omrop Fryslân. 2019b. “Kosten 11fountains vallen flink hoger uit dan verwacht.” 12 februari. https://www.omropfryslan.nl/nl/nieuws/868311/kosten-11fountains-vallen-flink-hoger-uit-dan-verwacht.
Omrop Fryslân. 2023. “Hoe Leeuwarden tegen alle verwachtingen in toch Culturele Hoofdstad werd.” 6 september. https://www.omropfryslan.nl/nl/nieuws/1221992/hoe-leeuwarden-tegen-alle-verwachtingen-in-toch-culturele-hoofdstad-werd.
Omrop Fryslân. 2024. “Organisatie roept op: laat elfstedenfietsers schuilen voor slecht weer.” 20 mei. https://nos.nl/artikel/2521194-fietselfstedentocht-getroffen-door-noodweer.
Omrop Fryslân. 2025a. “Wetenschappers: Elfstedentocht wordt ‘Eéndorpentocht’ als klimaatverandering doorzet.” 16 april. https://www.omropfryslan.nl/nl/nieuws/17397509/wetenschappers-elfstedentocht-wordt-eendorpentocht-als-klimaatverandering-doorzet.
Omrop Fryslân. 2025b. “Seizoen van de Elfstedentocht begint: zo kun je de 200 kilometer afleggen.” 18 mei. https://www.omropfryslan.nl/nl/nieuws/17475335/seizoen-van-de-elfstedentochten-begint-zo-kun-je-de-200-kilometer-afleggen.
Onbeperkte Elfstedentocht. z.d. “Het verhaal achter de Onbeperkte Elfstedentocht: het ontstaan, de stopzetting en de voortzetting.” Geraadpleegd op 3 maart 2026. https://onbeperkteelfstedentocht.nl/artikel/het-verhaal-achter-de-onbeperkte-elfstedentocht/.
Rankinen, Karoliina. 2018. “Under the cherry trees: the symbolism of cherry blossoms during hanami in Japan.” Masterthesis, University of Oulu.
Rival, Laura. 2012. “Animism and the Meanings of Life: Reflections from Amazonia.” In Animism in Rainforest and Tundra: Personhood, Animals, Plants and Things in Contemporary Amazonia and Siberia, bewerkt door Marc Brightman, Vanessa Elisa Grotti, en Olga Ulturgasheva, 69-81. Berghahn Books.
Robbins, Joel. 2013. “Beyond the suffering subject: toward an anthropology of the good.” Journal of the Royal Anthropological Institute 19, no. 3 (September): 447-462. https://doi.org/10.1111/1467-9655.12044.
Rosa, Hartmut. 2020. The Uncontrollability of the World. Vertaald door James Wagner. Polity Press.
Rosa, Hartmut. 2021. Resonance: A Sociology of Our Relationship to the World. Polity Press.
Saueur, Craig. 2025. “On thin ice: Why this legendary Dutch skating race may never happen again.” Euronews, 17 april. https://www.euronews.com/2025/04/17/on-thin-ice-why-this-legendary-dutch-skating-race-may-never-happen-again.
Schaatshistorie. z.d. Kaart. https://www.schaatshistorie.nl/elfstedentocht/.
Scott, James. 1998. Seeing Like a State: How Certain Schemes to Improve the Human Condition Have Failed. Yale University Press.
Shaw, Bruce. 1980. "Life History Writing in Anthropology: A Methodological Review." Mankind 12, no. 3 (Juni): 226-233. https://kuleuven.e-bronnen.be/login?url=https://www.proquest.com/scholarly-journals/life-history-writing-anthropology-methodological/docview/1299121253/se-2.
Skille, Tarjei Tveito, en Eivind Skille. 2025. “Backcountry skiing in Norway: Between global lifestyle sport and national tradition.” International Review for the Sociology of Sport. https://journals.sagepub.com/doi/full/10.1177/10126902251354979.
Sport Fryslân. z.d. “Schoolschaatsen 2025-2026.” Geraadpleegd op 10 maart 2026. https://sportfryslan.nl/project/schoolschaatsen/.
Sportgeschiedenis. 2019. “De Elfstedentraditie van de stempelkaart begon in 1929 in Dokkum.” 12 februari. https://sportgeschiedenis.nl/schaatsen/de-elfstedentraditie-van-de-stempelkaart-begon-in-1929-in-dokkum/.
Turner, Victor. 1969. The Ritual Process. Structure and Anti-Structure. Aldine Publishing Company.
van Bennekom, Joris. 2023. “Recensie musical De Tocht: Een spektakel van formaat.” Omrop Fryslân, 2 oktober. https://www.omropfryslan.nl/nl/nieuws/1226050/recensie-musical-de-tocht-een-spektakel-van-formaat.
van de Vegte, Ingrid. De Friese paradox – Eerste verklaringen. Planbureau Fryslân, 2020. https://planbureau.frl/publicaties/de-friese-paradox-eerste-verklaringen/.
van den Ende, André. 2025. “Onderzoek stelt vast: fietsen nu populairder dan voetbal in Nederland.” Wielerrevue, 19 september. https://wielerrevue.nl/artikel/664462/onderzoek-stelt-vast-fietsen-nu-populairder-dan-voetbal-in-nederland.
van der Meulen, Hilda. z.d. “De Friese mienskip.” Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland. Geraadpleegd op 16 februari 2026. https://www.immaterieelerfgoed.nl/nl/friesemienskip.
Van Gucht, Peter. 2007. De Elfstedenstunt. Getekend door Luc Morjeau. Standaard Uitgeverij.
van Lent, Daan. 2018. “Culturele hoofdstad moet investering in toekomst Friesland zijn.” NRC, 24 januari. https://www.nrc.nl/nieuws/2018/01/24/culturele-hoofdstad-moet-investering-in-toekomst-friesland-zijn-a1589583.
Van Oldenborgh, Geert Jan, Hans Visser, Theo Brandsma, en Hylke de Vries. 2019. “Probability of an Elfstedentocht in a changing climate.” Koninklijk Nederlands Meteorologisch instituut, 7 februari. https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/achtergrond/probability-of-an-elfstedentocht-in-a-changing-climate/.
Veltman, Merre. 2024. “Wie Fries spreekt, heeft meer sociale contacten. Jelle (28) uit Groningen deed onderzoek naar de Friese paradox.” Leeuwarder Courant, 12 oktober. https://lc.nl/friesland/Wie-Fries-spreekt-heeft-meer-sociale-contacten-29243418.html.
Visser, Hans, Hendrik van Prooije, Hylke de Vries, en Arthur C. Petersen. 2025. “The likelihood of holding outdoor skating marathons: the past, present and future of a climate-change indicator, and a way to adapt.” Climatic Change 178, no. 4 (April): 1-17. https://doi.org/10.1007/s10584-025-03920-9.
Visser, Harry, en Arthur Petersen. 2008. “Likelihood of holding outdoor skating marathons in the Netherlands as a policy-relevant indicator of climate change.” Climatic Change 93, no. 1–2 (Oktober): 39–54. https://doi.org/10.1007/s10584-008-9498-6.
Weber, Max. 2019. Economy and Society. Vertaald door Keith Tribe. University of California Press.
Yom, Sean. 2015. "From methodology to practice: Inductive iteration in comparative research." Comparative Political Studies 48, no. 5 (April): 616-644. https://doi.org/10.1177/0010414014554685.
Zonderop, Yvonne. 2022. “Je hoeft hier niet vanaf je zestiende rendabel te zijn.” De Groene Amsterdammer, 18 mei. https://www.groene.nl/artikel/je-hoeft-hier-niet-vanaf-je-zestiende-rendabel-te-zijn.
8. Annex 1: GenAI-verklaring
| GenAI tool used as | Description | Used tool(s), Prompt(s) and Link(s) to chat | |
| ☐ |
Search engine |
For example: searching for additional literature on a specific topic, etc. | To look for additional information on specific topics |
| ☐ |
Writing assistant |
For example: correcting spelling and typing errors, making a text more formal, rewriting your text in a more academic style, etc. | |
| ☐ |
Visual designer |
For example: creating a new, unique image, video, etc. | |
| ☐ |
Practice tool |
For example: using the tool as a buddy and asking for additional explanations on specific material, asking for extra exercises, etc. | To sharpen my understanding of difficult theories and vague frameworks |
| ☐ | Formatting | For example: formatting a reference list in a citation style, etc. | |
| ☐ | Used in another way | For example: transcribing recordings, generating tables, and graphs, etc. |
| I declare that I have not used any of the above functionalities for this thesis, unless specified. |
| I, the author, take full responsibility for the content, claims, and references in this work, whether GenAI was used or not. |
Signature Place, Date
Idris David Leuven, 21/05/2026