De Bond met de Lange Naam, Twintig jaar strijd tussen de KNSB en de NVBHS
Auteur Ron Couwenhoven, 2026

‘Notulen van de vergadering van belangstellenden voor het hardrijden op schaatsen, gehouden te Utrecht op 5 mei 1929 in hotel De l’Europe.’ Zo luidde de eerste zin van het notulenboek van de Nederlandsche Vereniging tot Bevordering van het Hardrijden op de Schaats. Kortweg NVBHS en vaak omschreven als de Bond met de Lange Naam. P.J. Adrian, voormalige voorzitter en oprichter van de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie en zelf lang wedstrijdschaatser op de langebaan, had het initiatief genomen voor de vergadering.
Hij trad zelf als voorzitter van de vergadering op en legde onmiddellijk de doelstelling vast: ‘Het streven zal niet zijn te ageren tegen de KNSB, maar in tegendeel zal er gestreefd worden naar goede, prettige samenwerking.’ Adrian merkte op dat er veel te weinig Nederlandse schaatsenrijders waren die hun land in het buitenland konden vertegenwoordigen en dat door de KNSB niet genoeg gedaan werd om daarin verbetering te brengen. De nieuwe club meldde zich als lid bij de KNSB en werd geaccepteerd. Daarmee begon een verbitterd gevecht dat niet minder dan twintig jaar duurde en waarvan betere begeleiding en training van hardrijders de inzet was.
Adrian was in december 1925 in gezelschap van Jan Bolt, die de droogtraining in Nederland had geïntroduceerd, en enkele studenten in december naar Oslo gegaan. Roelofsema, in eigen land een van de betere rijders, was er bij. Net als Belzer. Maar de eerste confrontatie op de Frogner-ijsbaan werd een ramp. Roelofsema reed een vijf kilometer maar moest liefst een minuut toegeven op de minste Noor en Belzer waagde zich na een paar trainingen zelfs niet aan een wedstrijdstart, omdat hij vergeleken met de Noren hopeloos slecht door de bochten ging. Oscar Mathisen, de beroemdste hardrijder van Noorwegen, was er ook bij en hij controleerde de schaatsen van de Nederlanders. Ze bleken volkomen verkeerd geslepen. Bolt pleitte altijd voor volledig vlakke ijzers, omdat de schaatsen volgens hem ‘veel ijs moesten pakken’, maar Mathisen liet hem zien dat van de schaatsen van de Noren slechts zes centimeter op het ijs kwamen. Het was een eerste harde les voor de Nederlanders.
Kritiek op Gerrit van Laer
voorzitter NVBHS
foto 1919
Natuurlijk was iedereen het er over eens dat de reis bijzonder nuttig was geweest, maar het duurde dus nog ruim drie jaar voor Adrian de definitieve stap naar betere begeleiding van de Nederlandse rijders zette. En dat dat een zeer moeilijk traject was bleek bij de oprichtingsvergadering in hotel De l’Europe waren o.a. Willem Taconis, Wildervanck de Blécourt, Bolt, J.H. Veldhuis en Siem Heiden, die een prima hardrijder zou worden, aanwezig. Allemaal figuren die zich intensief met hardrijden op de schaats bezig hielden. Zij spuiden keiharde kritiek op Gerrit van Laer, de penningmeester van de KNSB en later voorzitter van Internationale Eislaufverein, de voorloper van de ISU. Van Laer was de man die jaarlijks schaatsenrijders aanwees die in Davos konden gaan trainen. Vaak betaalde hij de reizen uit eigen zak. Hij trad zeer autoritair op en daarom verwachtten de NVBHS-mannen ‘dat de heer Van Laer in geen geval tot samenwerking met de eventueel op te richten vereninging bereid zal zijn.’
Toen Adrian tegenstanders van de oprichting van de vereniging vroeg te gaan staan, bleef iedereen zitten. Er waren achttien aanwezigen. Adrian werd tot voorzitter gekozen. Veldhuis werd secretaris en Taconis bestuurslid, terwijl Mettes uit Haarlem als commissielid werd aangesteld. Zijn kleindochter Yvonne van Gennip zou in 1988 in Montreal furore maken door drie gouden Olympische schaatsmedailles te winnen. Een jaar later waren er al 45 leden. Dat leden tal groeide pijlsnel. In 1942 waren er al meer dan 750.
De visie van het bestuur was duidelijk: trainen in buitenland heeft alleen zin als er met sterke buitenlandse rijders geoefend kan worden en die waren in Noorwegen ruim voorhanden, terwijl dat in Davos waar de KNSB zijn rijders naar toe stuurde, niet het geval was. De visie dat samenwerking met Gerrit van Laer moeilijk zou zijn werd bevestigd in de jaarvergadering van de NVBHS die zondag 29 maart 1931 in hotel Krasnapolsky in Amsterdam werd gehouden. Dat blijkt uit de notulen van die bijeenkomst.
Voorzitter Adrian zei daar: ‘Ik heb vaak op KNSB-vergaderingen aangedrongen in het KNSB-bestuur iemand te benoemen die verstand van hardrijden heeft, hetwelk deze sport dan ten goede zal komen en waarom het dan nodig is dat wij blijven ijveren voor een technische commissie. Er begint zich in de KNSB een kern te vormen die zich ook niet langer wenst neere te leggen bij de dictatuur van den heer Van Laer. Hoe een eminente organisator hij ook is en hoeveel hij ook voor de schaatssport heeft gedaan is bekend. Maar uit hoofde van zijn absolute onkunde waar het betreft het hardrijden zelve, is de heer van Laer niet gerechtigd allen de lakens te blijven uitdeelen.’
foto 1924
Duidelijker kon het niet. In NVBHS-kringen was men fel tegen de almacht van Van Laer binnen de KNSB. Dat leverde jaren vol heftige strijd op. Dat bleek op 14 november 1936 nog eens. In de notulen van de algemene vergadering bleek dat Van Laer was benaderd over uitzending van rijders. Van Laer wilde ze weer naar Davos sturen. De NVBHS pleitte voor de zoveelste keer voor Noorwegen. Bestuurslid van der Heide Sr. meldde na een heftige discussie: ‘Toen ik enige tijd terug de heer Van Laer bezocht om over een en ander te spreken zei hij dat ik eerst voor de NVBHS moest bedanken. Dan kon ik bij hem terug komen. Daaruit blijkt toch dat Van Laer geen samenwerking met ons wil.’
Het conflict escaleerde volledig in 1937 toen de KNSB besloot de NVBHS te schorsen. Op 9 januari 1938 werd de kwestie in de jaarvergadering van de hardrijdersclub besproken. Zestien rijders hadden daar schriftelijk om gevraagd. Het ging voornamelijk om jonge hardrijders die vreesden dat zij nergens meer aan de start konden komen. Er volgde een heftige discussie, waarin voorzitter Adrian diverse keren aangaf dat hij slechts gepleit had voor het oude standpunt ‘trainen in Noorwegen’ en dat onder goede begeleiding. Tijdens deze bijeenkomst bleek dat de uitgezonden rijders van de KNSB het in Davos min of meer zelf maar moesten uitzoeken. Er was geen begeleiding en er waren geen tegenstanders van formaat, waar de hardrijders wat van konden opsteken. De chaos was zelfs zo groot dat er een paar keer onderlinge vechtpartijen waren uitgebroken.
Maar er gingen in de NVBHS-bijeenkomst stemmen op om het bestuur af te zetten en zo de ruzie met de KNSB – lees Van Laer, die net erevoorzitter van de schaatsenrijdersbond was geworden – in de kiem te smoren. Maar Adrian en zijn bestuur bleven fier overeind. Er werd een schriftelijke stemming gehouden, waarin 44 aanwezigen zich achter het bestuur stelden, terwijl er maar zeven tegenstemmers waren en een onthouding. Er gingen ook stemmen op om uit de KNSB te treden, maar Adrian en Taconis pleitten er voor om binnen de bond te blijven. In de loop van 1937 volgden er besprekingen, waarna de schorsing van de hardrijdersclub werd opgeheven, maar de basis van het conflict bleef gewoon bestaan. Goede begeleiding van hardrijders bleef achterwege.
Natuurlijk was iedereen het er over eens dat de reis bijzonder nuttig was geweest, maar het duurde dus nog ruim drie jaar voor Adrian de definitieve stap naar betere begeleiding van de Nederlandse rijders zette. En dat dat een zeer moeilijk traject was bleek bij de oprichtingsvergadering in hotel De l’Europe waren o.a. Willem Taconis, Wildervanck de Blécourt, Bolt, J.H. Veldhuis en Siem Heiden, die een prima hardrijder zou worden, aanwezig. Allemaal figuren die zich intensief met hardrijden op de schaats bezig hielden. Zij spuiden keiharde kritiek op Gerrit van Laer, de penningmeester van de KNSB en later voorzitter van Internationale Eislaufverein, de voorloper van de ISU. Van Laer was de man die jaarlijks schaatsenrijders aanwees die in Davos konden gaan trainen. Vaak betaalde hij de reizen uit eigen zak. Hij trad zeer autoritair op en daarom verwachtten de NVBHS-mannen ‘dat de heer Van Laer in geen geval tot samenwerking met de eventueel op te richten vereninging bereid zal zijn.’
Toen Adrian tegenstanders van de oprichting van de vereniging vroeg te gaan staan, bleef iedereen zitten. Er waren achttien aanwezigen. Adrian werd tot voorzitter gekozen. Veldhuis werd secretaris en Taconis bestuurslid, terwijl Mettes uit Haarlem als commissielid werd aangesteld. Zijn kleindochter Yvonne van Gennip zou in 1988 in Montreal furore maken door drie gouden Olympische schaatsmedailles te winnen. Een jaar later waren er al 45 leden. Dat leden tal groeide pijlsnel. In 1942 waren er al meer dan 750.
De visie van het bestuur was duidelijk: trainen in buitenland heeft alleen zin als er met sterke buitenlandse rijders geoefend kan worden en die waren in Noorwegen ruim voorhanden, terwijl dat in Davos waar de KNSB zijn rijders naar toe stuurde, niet het geval was. De visie dat samenwerking met Gerrit van Laer moeilijk zou zijn werd bevestigd in de jaarvergadering van de NVBHS die zondag 29 maart 1931 in hotel Krasnapolsky in Amsterdam werd gehouden. Dat blijkt uit de notulen van die bijeenkomst.
Voorzitter Adrian zei daar: ‘Ik heb vaak op KNSB-vergaderingen aangedrongen in het KNSB-bestuur iemand te benoemen die verstand van hardrijden heeft, hetwelk deze sport dan ten goede zal komen en waarom het dan nodig is dat wij blijven ijveren voor een technische commissie. Er begint zich in de KNSB een kern te vormen die zich ook niet langer wenst neere te leggen bij de dictatuur van den heer Van Laer. Hoe een eminente organisator hij ook is en hoeveel hij ook voor de schaatssport heeft gedaan is bekend. Maar uit hoofde van zijn absolute onkunde waar het betreft het hardrijden zelve, is de heer van Laer niet gerechtigd allen de lakens te blijven uitdeelen.’
Duidelijker kon het niet. In NVBHS-kringen was men fel tegen de almacht van Van Laer binnen de KNSB. Dat leverde jaren vol heftige strijd op. Dat bleek op 14 november 1936 nog eens. In de notulen van de algemene vergadering bleek dat Van Laer was benaderd over uitzending van rijders. Van Laer wilde ze weer naar Davos sturen. De NVBHS pleitte voor de zoveelste keer voor Noorwegen. Bestuurslid van der Heide Sr. meldde na een heftige discussie: ‘Toen ik enige tijd terug de heer Van Laer bezocht om over een en ander te spreken zei hij dat ik eerst voor de NVBHS moest bedanken. Dan kon ik bij hem terug komen. Daaruit blijkt toch dat Van Laer geen samenwerking met ons wil.’
Het conflict escaleerde volledig in 1937 toen de KNSB besloot de NVBHS te schorsen. Op 9 januari 1938 werd de kwestie in de jaarvergadering van de hardrijdersclub besproken. Zestien rijders hadden daar schriftelijk om gevraagd. Het ging voornamelijk om jonge hardrijders die vreesden dat zij nergens meer aan de start konden komen. Er volgde een heftige discussie, waarin voorzitter Adrian diverse keren aangaf dat hij slechts gepleit had voor het oude standpunt ‘trainen in Noorwegen’ en dat onder goede begeleiding. Tijdens deze bijeenkomst bleek dat de uitgezonden rijders van de KNSB het in Davos min of meer zelf maar moesten uitzoeken. Er was geen begeleiding en er waren geen tegenstanders van formaat, waar de hardrijders wat van konden opsteken. De chaos was zelfs zo groot dat er een paar keer onderlinge vechtpartijen waren uitgebroken.
Maar er gingen in de NVBHS-bijeenkomst stemmen op om het bestuur af te zetten en zo de ruzie met de KNSB – lees Van Laer, die net erevoorzitter van de schaatsenrijdersbond was geworden – in de kiem te smoren. Maar Adrian en zijn bestuur bleven fier overeind. Er werd een schriftelijke stemming gehouden, waarin 44 aanwezigen zich achter het bestuur stelden, terwijl er maar zeven tegenstemmers waren en een onthouding. Er gingen ook stemmen op om uit de KNSB te treden, maar Adrian en Taconis pleitten er voor om binnen de bond te blijven. In de loop van 1937 volgden er besprekingen, waarna de schorsing van de hardrijdersclub werd opgeheven, maar de basis van het conflict bleef gewoon bestaan. Goede begeleiding van hardrijders bleef achterwege.
Gedwongen reoganisatie in de oorlogsjaren
1929-1949
Nieuwe conflictstof ontstond in de oorlogsjaren toen de KNSB. die zijn predikaat koninklijke uit de naam moest schrappen, door de nazi-sympathisanten die het in de sport voor het zeggen kregen, als leidende schaatsorganisatie werd aangewezen. Dat leidde er toe dat de provinciale ijsbonden zich verplicht moesten aansluiten bij de bond. De ijsbonden hielden zich bezig met het onderhouden van ijsbanen zodra de winter dat toeliet, en het toerschaatsen, dat vanaf de winter 1938-1939 een explosieve groei doormaakte. En bij deze bonden waren in Noord-Holland en Friesland alleen al meer dan 200 ijsclubs aangesloten. Ook in Zuid-Holland en Overijssel waren deze bonden groot, terwijl de KNSB over nauwelijks veertig aangesloten clubs kon beschikken.
De dwang van bovenaf met de dreiging van opheffing van clubs, die zich niet bij de schaatsenrijdersbond aansloten, was enorm, maar leidde ook tot felle oppositie. De NVBHS sloot zich daarbij aan, omdat men tegen de opgelegde aansluiting door NSB-ers en SS-ers was. Dat conflict leidde er na de oorlog gelijk toe dat er een afscheidingsbeweging in de schaatsenrijderij opstond. NVBHS-secretaris Smit was een van de grote voorstanders, omdat de KNSB nog steeds geen goede organisatie voor hardrijders van de grond had gebracht. In 1947 leidde dat tot initiatieven tot de oprichting van de Algemene Nederlandse Vereniging van Schaatsenrijders (ANVS). Daarbij waren niet alleen de ijsbonden en de NVBHS met zijn ruim 750 leden betrokken, maar ook de schoonrijders en kortebaanrijders.
De KNSB zag zich daardoor gedwongen tot een rigoureuze reorganisatie. De totaal verouderde stemverhouding in de algemene vergadering werd overboord gezet. Zo werd de macht van de Amsterdamsche IJsclub van Gerrit van Laer, de Leeuwarder IJsclub en ijsclub Kralingen uit Rotterdam gebroken. Zij waren in 1887 oprichters van de Nederlandsche Schaatsenrijdersbond en hadden zich zelf zoveel stemmen toegeëigend dat zij steeds een meerderheid in de algemene vergadering hadden. Ook werd besloten om in het bestuur vertegenwoordigers van alle ijsorganisaties, inclusief de NVBHS, op te nemen en een technische commissie hardrijden aan te stellen. Zo werden alle voorstellen waar de hardrijdersclub al sinds de oprichting in 1929 voor pleitte, eindelijk doorgevoerd. In 1948 kwam de nieuwe KNSB tot stand, waarop de oprichting van de ANVS niet doorging.
seizoen 1951-1952
De opheffing van de NVBHS
Natuurlijk bleef het binnen de schaatsenrijdersbond rumoerig. Dat is een traditie die tot op de dag van vandaag voort duurt, maar dat de bikkelharde conflicten van voor 1948 voorgoed tot een verleden waren bleek in 1967. Op zaterdag 2 september vond de laatste algemene vergadering van de NVBHS plaats. Voorzitter jonkheer mr. W.H.D. Quarles van Ufford concludeerde deze dag dat zijn club na 38 jaar zijn doelstellingen had bereikt. De begeleiding van wedstrijdrijders was op hoog niveau gekomen en de resultaten waren er naar. Nederland beleefde het gouden Ard en Keessie-tijdperk! Het bestuur stelde daarom voor de vereniging op te heffen. Dat was geen triest besluit, maar de definitieve afronding van bijna vier decennia strijd. Niemand was tegen het voorstel. De NVBHS behoorde tot het verleden. In de Schaatskroniek van 2 oktober zwaaide KNSB-voorzitter Henk Wesselo de club uit: ‘De NVBHS heeft haar werk verricht. Het is voor de schaatssport uitstekend werk geweest, waarvoor we de vereniging met haar lange naam en alleen die haar inhoud hebben gegeven, dankbaar in onze herinnering houden.’
Een jaar later werd jonkheer Quarles van Ufford zijn opvolger als voorzitter van de KNSB.
Bron afbeeldingen
De NVBHS attributen Speldje, Muts, Medaille en Bewijs van lidmaatschap zijn afkomstig uit de collectie A.J. Jansen, Amsterdam