De ijsclub Thialf, Zaandijk
- De schaatstentoonstelling van ijsclub Thialf, Zaandijk in 1879
- Gouden schaatsje ijsclub Thialf, Zaandijk
- Bronvermelding
De schaatstentoonstelling van ijsclub Thialf, Zaandijk in 1879
Auteur Ron Couwenhoven, 2025
De Zaan was eeuwenlang een trekpleister voor schaatsenrijders. De kleurige huizen en de talloze molens zorgden voor een bijzonder decor. Olieslager Claes Arisz Caescoper beschreef het al in zijn beroemde Nootijsijeboeck aan het einde van de zeventiende eeuw. J. Bakker Jsz uit Monnickendam legde het in 1847 vast in het gedicht IJspret op de Zaan
Telkens als de winter naakt
En mijn voet het ijs maar raakt
Is de Zaan de schoonste tocht
Die ik ooit volbrengen mocht
Wilt ge op schaatsen zijn voldaan
Rijdt dan naar d’aloude Zaan
En dr. J.D. Schotel meldde in 1874 in zijn boek Zeden en gebruiken aan De Zaanstreek dat al lang geleden de beste schaatsen in Krommenie werden gemaakt. Maar waar? Onderzoek voor het boek Zaanse Schaatsen leverde voor het eerst antwoorden op.
Deze antwoorden staan beschreven in het boek Zaanse Schaatsen – De schaatstentoonstelling van ijsclub thialf, Zaandijk in 1879. (Ron Couwenhoven 2025)
In maart 1876 werd in Zaandijk de ijsclub Thialf opgericht door een aantal notabelen van het dorp. Helaas verhinderden zwakke winters in de volgende jaren ijsvermaak, maar het bestuur was actief. In december 1878 lanceerde men het bericht dat er een tentoonstelling van schaatsen zou worden georganiseerd in de herberg De Zwaan in Zaandijk. Zo’n expositie was nog nooit eerder gehouden. Niet in Nederland en ook niet elders. Het idee sloeg enorm aan. Alle kranten in Nederland namen het bericht op. Aanmeldingen van deelnemers stroomden binnen uit het hele land. Natuurlijk uit Friesland waar het in Sneek, Warga, Oosterlittens en andere dorpen wemelde van de schaatsenmakers. Maar ook uit Zuid-Holland, Noord-Holland, Utrecht, Groningen en natuurlijk de Zaanstreek kwamen aanmeldingen binnen.
De tentoonstelling trok in totaal 34 exposanten die niet alleen de modernste schaatsen toonden, maar ook stokoude modellen uit de achttiende eeuw. Het evenement werd van half januari tot 9 februari gehouden en aangezien de getoonde schaatsen ook in de verkoop kwamen, besloot Jacobus Johannes Honig, de oudste zoon van streekhistoricus Jacob Honig Jsz jr. een aantal van deze schaatsen aan te kopen. Zijn nog maar vijftien jaar oude halfbroer Gerrit Jan Honig, net als zijn vader en Johannes een prima historicus, breidde de collectie nog verder uit. Pronkstuk zijn de schaatsen van Jacob Honig Jsz jr. die hij in 1834 ontving toen hij achttien jaar was. Zijn naam en het jaartal brandde hij in de voetstapel. De collectie groeide uit tot 22 exemplaren die nu in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem worden bewaard. Ze kwamen daar terecht via Simon Honig, kleinzoon van Gerrit Jan, en conservator in het museum.
Uit familie-overlevering is bekend dat deze schaatsen werden gemaakt door de smid van de papiermolen De Vergulde Bijenkorf in Zaandijk. Deze molen was zeer lang eigendom van de familie Honig. Het smeedwerk voor de molen werd gedaan door de Sociëteit der IJzersmederij aan het Hazenpad in Zaandijk die in 1784 door acht papiermakers werd opgericht onder wie de firma Jacob Honig & Zn uit Zaandijk. De schaatsen hebben een zeer lange hals en ijzers van negen millimeter dik en rond geslepen, zodat ze geschikt waren om te zwieren. Dat was de stijl die in de Zaanstreek zeer populair was.
Het model werd ook door Schotel beschreven in zijn boek: ‘Vroeger maakte men de schaatsen zeer lang, tot aan het voorste einde met hout bekleed, en sommige knappe rijders geven daaraan nog de voorkeur. Anderen hielden van kortere schaatsen, welker ijzers slechts zoover met hout bekeeld waren als de voetzool zich uitstrekte. Zij noemden ze halve houten. Voorts had men ze nog met koperen of ijzeren zoolplaten. Sommigen lieten er lederen schoenen op maken, zij schroefden de schaatsen aan de schoen. Anderen verkozen ze met riemen aan te gespen.’
In de collectie Honig kwamen ook de schaatsen terecht die met de gouden medaille van de tentoonstelling werden bekroond. Dat waren fraaie krulschaatsen voorzien van een deftig leren montuur. Ze werden gemaakt door schaatsenmaker Gustav Henckell uit het Duitse Remscheid, een centrum van schaatsenmakers. Goverdinus Leeuwenberg uit Delft importeerde ze exclusief in Nederland. De bekroning werd in de pers gepubliceerd. Dat leverde een storm van bestellingen op.
Uitvoerige briefwisselingen met de deelnemers zijn bewaard gebleven in het Honig Archief dat nu in het Gemeentearchief Zaanstad is ondergebracht. Leeuwenberg schreef aan Thialf-voorzitter Jan Honig Csz, papiermaker met de molens De Veenboer en Het Fortuin aan het Guispad: ‘Alhoewel ik bijna 2000 paren in voorraad had, kom ik er nu wel 2000 tekort. Het regent bestellingen, na Uw vererende uitspraak, van alle liefhebbers door de gehele Nederlanden, zodat ik nu geheel uitgeplukt ben en duizenden paren tekort kom.’
Later meldde hij ook dat hij een nieuwe bestelling bij Henckell had geplaatst voor de winter van 1879 – 1880 en dat die voorzien zouden worden van het stempel Leeuwenberg Delft. Ook de muis – het handelsmerk van Henckell – werd in de schenkels geslagen. ‘Om namaak te voorkomen,’ meldde hij aan het ijsclubbestuur. Het Honig- paar is uit deze reeks afkomstig.
De meest opmerkelijke schaatsen in de expositie waren de narrenschaatsen die door smid Johan Hendrik Delhaes jr uit Zaandijk werden ingeleverd. Hij had de krullen van deze schaatsen voorzien van belletjes. Daarom werden ze narrenschaatsen genoemd. Vermoedelijk werden ze gemaakt om tijdens een gekostumeerd ijsfeest te dragen. Delhaes was dertig jaar toen de expositie werd gehouden. Hij was in 1875 naar Zaandijk gekomen, waar zijn vader, die dezelfde voornamen had, in oktober 1873 de smederij van Gerardus Stevens aan Guispad 33D had overgenomen. De smederij was daar toen ook al meer dan een eeuw.
Stevens kwam ook uit een familie van smeden. Zijn broer Hermanus was smid aan de Sluispad in Koog aan de Zaan en ook hij leverde bijzondere schaatsen in voor de tentoonstelling. Het waren zgn. zwanenschaatsen. Over deze schaatsen meldde hij aan de ijsclub: ‘Dezelve zijn van achteren lager als van voren om reden de Heeren altijd hoge hielen aan de laarzen hebben en dan de voet in een gemakkelijke houding met rijden staat.’
Schaatsen met zwanenkoppen aan de halzen waren bijzonder. Toch meldde Stevens er niets over, maar de prijs duidde wel op exclusiviteit. Ze waren te koop voor 25 gulden. Dat was de familie Honig kennelijk te gortig, want zwanenschaatsen komen niet in de collectie voor.
Papierhandelaar Cornelis Pel jr. uit Koog stuurde één paar schaatsen in en daar kleefde historie aan. Hij schreef: ‘Het zijn schaatsen gemaakt in Zaandam in de smederij De Drie Gekroonde Hamers door den heer Sombroek voor rekening van Jacob Rek, in leven schipper op Purmerend en Alkmaar. Hij was één der Oranjemannen die dood geschoten is te Zaandam om reden dat hij de vrijheid van verlost te zijn van het juk van Napoleon te vroeg lucht gaf. In Alkmaar zijnde was daar de uitroep Leve Oranje en hij bond deze schaatsen onder en binnen een uur was hij met die uitroep in Zaandam.’
Dat klopte niet helemaal, want Jacob Rek was één van de leiders van het oproer dat op 18 en 19 april 1813 in de Zaanstreek plaats vond tegen de conscriptie – de inschrijving – voor het nieuwe leger van Napoleon, nadat in 1812 honderdduizenden soldaten een treurige dood vonden op de Russische steppen. Rek voerde een grote menigte aan die bij burgemeester Göbel de inschrijvingslijsten opeisten en ook kregen. Maar Franse troepen reageerden met keiharde tegenactie. Rek en vijf medestanders werden gearresteerd en de volgende dag geëxecuteerd op de Burcht. Cornelis Pel had de schaatsen gekregen via Klaas Kat, een neef van Geesje Kat die met Rek was getrouwd. En Klaas was een oom van Cornelis.
Een bijzondere deelnemer was ook schipper Pieter Fonds uit Zaandam. Hij leverde miniscuul gouden schaatsje in dat door IJsclub Thialf voor 150 gulden werd verzekerd. Fonds (1820 – 1905) was een echte liefhebber. Op 12 december 1879 was hij met zijn zoon Marcus deelnemer aan de eerste schoonrijderij die in Amsterdam werd georganiseerd door de Amsterdamse Skatingclub. Fonds was toen 59 jaar en veruit de oudste van de 26 deelnemers.
Net zo buitengewoon was een ceintuur voor dames die door Adriaan Barnouw uit Delft werd ingeleverd. Hij was onderwijzer en had eerder in Zaandijk gewerkt. ‘Het was een mode voor juffertjes en diende meer tot sieraad,’ schreef hij. Toevallig stelde Inge Bosman van de klederdrachtgroep De Zaanse Kaper tijdens het onderzoek een vraag over een opmerkelijk schilderij dat zij al jaren geleden in het Museum Rijswijk aantrof. Daarop zien we een Zaanse paar zwierend over het ijs. De vrouw draagt een kaper, zoals in de laatste decennia van de achttiende eeuw gebruikelijk was en die nergens anders werd gedragen dan in de Zaanstreek. De vrouw draagt ook een schort. ‘Waarom draagt zij dat,’ vroeg Inge. Het antwoord werd gevonden in de catalogus van de Tenstoonstelling van Zaanlandsche Oudheden en Merkwaardigheden die in 1874 werd gehouden. Jacob van Wijngaarden uit Zaandam leverde daar zulke linten in en meldde er over:
'Het zijn antieke ceintuurbanden met twee dito rijbandjes bij het schaatsenrijden in oude tijden aan de Zaan gebruikelijk door vrouwen om hun schort van achteren aan te binden.' Zo werd de fraaie klederdracht beschermd.
Uiteraard werd er voor het boek Zaanse Schaatsen ook onderzoek gedaan naar de Krommenieërs die volgens dr. Schotel zulke goede schaatsen maakten. Dat leverde de naam op van Pieter Pietersz Smit die op 2 november 1727 overleed. Zijn smederij stond in de kerkbuurt twee huizen ten noorden van de hervormde kerk. In zijn boedel werden een aantal nieuw gemaakte schaatsijzers aangetroffen. De smederij hield stand tot 23 februari 1924. Die dag werd hij door een felle brand verwoest. Cornelis Gorter was toen eigenaar. In 1888 werd hij net als Pieter Pietersz aangetroffen als schaatsenmaker. Vermoedelijk waren alle opvolgers van Smit actief als producent van schaatsen.
De tentoonstelling van ijsclub Thialf had nog een bijzonder gevolg. Het inspireerde grofsmid en hoefsmid Pieter Klinkenberg uit Wormerveer om schaatsen te gaan maken. Hij bood ze op 3 december 1879 voor het eerst te koop aan: ‘SCHAATSEN. In grote voorraad voorhanden. Zeer geschikt als Sint Nicolaasgeschenk.’ Zijn schaatsen merkte hij vermoedelijk met de letters SK – smederij Klinkenberg - in de ijzers. Zo’n paar met de typisch Zaanse kenmerken – lange halsen en vioolvormige voetstapel – is in de collectie van het Schaatsmuseum in het Friese Arum aangetroffen. Klinkenberg was de eerste Zaanse smid die adverteerde met de productie van schaatsen.
Gouden schaatsje ijsclub Thialf, Zaandijk
De publicatie van het boek Zaanse Schaatsen van Ron Couwenhoven en een verhaal daarover in het magazine Zaans Erfgoed leverde een bijzondere vondst op: een gouden schaatsje van drie centimeter lang en 8 millimeter hoog, voorzien van de tekst Thialf aan de ene kant en Zaandijk Febr 1879 aan de andere zijde.
Dit schaatsje werd in februari 1879 door het bestuur van de ijsclub Thialf in Zaandijk geschonken aan Jacob Cornelisz Vis. Hij was voorzitter van de keurmeesters die de kwaliteit van ruim honderd paar schaatsen beoordeelde door er zelf op te rijden. De schaatsen waren ingezonden door smeden uit het hele land, Duitsland, België, terwijl er door importeurs ook schaatsen uit Canada en Engeland waren ingezonden voor de tentoonstelling die men van 15 januari tot en met 9 februari in de Zaandijker herberg De Zwaan hield.
Dit was de eerste expositie van schaatsen die ooit werd gehouden. Jacob Vis was houthandelaar in Zaandijk en vormde met drogist Nan van Pomeren en de huisarts dr. L. van Eeckeren de jury van de tentoonstelling. Het schaatsje werd ongetwijfeld gemaakt door G. Schoorl, de zilversmid van het dorp die ook bestuurslid van de in 1876 opgericht ijsclub was. Ongetwijfeld kregen ook de twee andere keurmeesters zo’n schaatsje.
Dat het aan Vis was geschonken als waardering voor zijn werk blijkt uit het feit dat zijn kleindochter het aan een vriendin gaf. Die het op haar beurt ook weer doorgaf aan de familie, waar het schaatsje nu werd gevonden.
Jacob Vis Csz was 46 jaar toen hij tot keurmeesteer werd benoemd. Hij was houtkoper met de zaagmolens De Windhond en Het Konijn in Zaandijk, maar in 1876 had hij de stoomzagerij Voorwaarts aan de Sluissloot in het dorp laten bouwen. In 1879 was hij lid van de gemeenteraad van Zaandijk. Hij zou ook wethouder worden. Vis was zeer actief in het dorpsleven. Naast kerkelijke functies was hij directeur van het zang- en muziekgezelschap Door Eendracht Bloeijende en penningmeester van de vereniging tot bevordering van uiterlijke welsprekendheid Bogaers. Ook op sportgebied was hij actief. Hij hoorde bij de oprichters van de Zaanlandsche Zwem- en badinrichting op de grens met Wormerveer.
Bronvermelding
Boek Zaanse Schaatsen – De schaatstentoonstelling van ijsclub thialf, Zaandijk in 1879, Ron Couwenhoven 2025