Circa 1225

Waar stond de wieg?

Auteur: Niko Mulder

De oorsprong van de schaats is voor mij een bijna net zo uitdagende puzzel als de verklaring voor de oerknal. Zo weinig bronnen, nauwelijks houvast, tal van vragen en een scala aan scenario’s. En dan te bedenken dat het raadsel dat wij proberen te ontrafelen in de late middeleeuwen vrij algemeen bekend moet zijn geweest. In de Lage Landen althans …

In dit artikel blik ik terug op eerder onderzoek, haal ik de bezem door ongefundeerde aannames en schets ik de dilemma’s bij het zoeken naar de wieg van de vroegste glijders van hout en ijzer.

Wij wroeten nu al ruim vijftig jaar in de geschiedenis van de schaats. Wiebe Blauw was in de jaren negentig zo wijs om structureel diverse archeologische diensten te benaderen. In 2001 presenteerde hij de oogst in Van glis tot klapschaats (Vgtk): vier middeleeuwse schaatsen. Die kwamen allemaal uit Holland: Amsterdam, Dordrecht, Den Haag en Rotterdam. Voorzichtig keek Wiebe ook wat meer zuidelijk voor de oorsprong van de hout-ijzeren schaats: ‘Hoewel er geen archeologische vondsten uit Vlaanderen bekend zijn, mag worden aangenomen dat ook in Vlaanderen al in de 13e eeuw geschaatst werd. De stedelijke ontwikkeling en de kennis van ambachtslieden in de steden van Vlaanderen lagen voor op die in de Noordelijke Nederlanden.’ Ondanks de slagen die Wiebe om de arm hield, luidde de titel van een interviewverslag in De Volkskrant naar aanleiding van Vgtk nogal plompverloren: ‘Houten schaats is Vlaamse vinding.1

Geen Belgische bodemvondsten!

Wat voor Wiebe gold in 2000, geldt nog steeds anno 2025: de Belgische bodem heeft geen enkele schaats van vóór 1800 opgehoest, terwijl in Nederland het aantal middeleeuwse schaatsvondsten inmiddels is verdrievoudigd.

Dat ligt niet zozeer aan de archeologen, maar vooral aan de bodemgesteldheid bij onze zuiderburen. In het westen van Nederland is de grondwaterstand zo hoog en de wat diepere bodem om die reden zo waterverzadigd, dat er praktisch geen zuurstof in doordringt. Daardoor zijn veel archeologische artefacten redelijk tot goed behouden. In België en in de hoger gelegen delen van Nederland is dat helaas veel minder het geval.

Ik heb voor die streken mijn (ijdele?) hoop gevestigd op vondsten uit diepe beer- of waterputten en op de grachten van vroege mottekastelen; wie weet wordt daarin eens een afgedankt of verloren schaatsijzer gevonden.2

 

Met de billen bloot

Die veronderstelde Vlaamse vinding wil ik hieronder tegen het licht houden, maar niet zonder eerst het nodige herstelwerk te verrichten. In het verleden zijn vroege bronnen namelijk nogal eens foutief geïnterpreteerd. Daarbij moet ik ook zelf met de billen bloot: sommige aannames uit mijn serie artikelen Ten IJse in Kouwe drukte 33-39, 42 en 44 blijken vanwege voortschrijdend inzicht en een kritischer interpretatie van bronnen niet langer houdbaar.3 Daarnaast kunnen er vrij recente vondsten worden toegevoegd, die meer licht werpen op de oorsprong en vroegste ontwikkeling van ons onderzoeksobject.

De belangrijkste getuigen, zowel schaatsen, teksten als afbeeldingen, worden hieronder zoveel mogelijk chronologisch behandeld.

 

Generatie 1 (circa 1225-1325)

Hieronder verstaan we de vroegst bekende schaatsen met ijzeren schenkel en houten voetstapel, maar nog zonder prikpunt. We dachten te beschikken over vier getuigen uit de 13e eeuw: twee schaatsvondsten en een tweetal citaten uit de literatuur. Ik loop ze stuk voor stuk even langs.

 

Afb. 1. Amsterdam, Nieuwendijk, c. 1250-1275.
Monumenten en Archeologie Amsterdam.
Foto Historisch Museum, Amsterdam.

G1.1255-1265 Amsterdam, Nieuwendijk

Deze schaats Afb.1 werd aanvankelijk gedateerd 1225-1250. Vanwege aantoonbare gebruikssporen, werd verondersteld dat hij mogelijk al circa 1200 werd gemaakt.4

In 2017 is de datering met behulp van de C-14-methode op nevenvondsten door de archeologen uit Amsterdam bijgesteld tot 1250-1275. Oudheidkundigen hanteren perioden van 25 jaar, maar op grond van de opgravingsgegevens kan de datering worden aangescherpt tot 1255-1265. De datum van vervaardiging (objectdatering) was mogelijk nog iets eerder: circa 1240?5

 

Generatie nul

De schenkel van de Amsterdamse schaats loopt van voor (9,5 mm) naar achter (8,3 mm) taps af en heeft pinnetjes aan de bovenkant die het houtje op zijn plaats moesten houden. Uit deze relatief geavanceerde kenmerken kunnen we afleiden dat de schaats eenvoudiger hout-ijzeren voorgangers moet hebben gehad: generatie 0. Vermoedelijk stammen die uit de eerste helft van de 13e eeuw. Als directe opvolger van de glis mogen we er van uitgaan dat er op de schaatsen van generatie 0 nog werd afgezet met de prikstok. Hoe zat dat met de Amsterdamse schaats van een generatie later?

 

Ontwikkeling in twee scenario’s

Bev Thurber vermoedt op grond van haar experimenten met replica’s van de Amsterdamse schaats dat er al zijwaarts op werd afgezet, eerst met prikstokken, later zonder. Ze baseert dat op de drie bindgaten (zeldzaam bij glissen) en de hoekige vorm van het schaatsijzer, ongeveer 1 cm hoog en breed, met randen die geschikt zijn voor een zijwaartse afzet.6

Zelf hecht ik aan een meer geleidelijke ontwikkeling. Een zijwaartse afzet om vooruit te gaan is een zeer onnatuurlijke beweging. Die bedenk je niet zo een-twee-drie zonder voorkennis, voorbeeld of tussenstappen. Ik denk dat het ijzer van de Amsterdamse schaats relatief hoog, smal en taps aflopend was om makkelijk door een laagje sneeuw te kunnen glijden, iets wat op glissen niet ging.7 Dat was op zich al een hele vooruitgang. Ik vermoed daarom dat er op de glijder van generatie 1 nog met de prikstok werd afgezet.8

 

Op hoefijzers kun je niet schaatsen

Taalkundige Jacob Verdam beschouwde de frase ‘twee yserine scoen’ uit de Tweede Martijn (1266-1270) van Jacob van Maerlant als een verwijzing naar schaatsen. Ik nam deze zienswijze over in Kouwe drukte 34. Naderhand ontdekte ik dat met yserine scoen geen schaatsen maar hoefijzers werden bedoeld!9

 

Hy leerde my op den yse gaen / Lopen ende stille staen

Voor deze tekstgetuige geldt mogelijk hetzelfde als voor de vorige. Verdam dacht dat de versregels uit Van Maerlants Historie van Troyen (1264) refereerden aan het schaatsen. In Kouwe drukte 34 ging ik daar niet alleen in mee, maar legde bovendien een verband tussen deze verzen en een telg van het Hollandse gravenhuis. De titel van mijn bijdrage luidde dan ook: Schaatsles voor graaf Floris.

Bev Thurber oppert dat Van Maerlant de oorspronkelijke versregels van de Romeinse schrijver Statius min of meer letterlijk kan hebben vertaald, zonder er de couleur locale van een schaatsscene in te willen leggen. Omdat yserine scoen bij nader inzien toch geen schaatsen blijken te zijn, wankelen met haar aanname ook de aangehaalde versregels uit Troyen als verwijzing naar een schaatsscene. Achter de titel Schaatsles voor graaf Floris kan een vraagteken worden gezet.10

 

Niets nieuws onder de zon?

Het zou dus kunnen dat het glijden op hout-ijzeren schaatsen toch niet is overgeleverd in de literatuur uit de 13e eeuw. Dat is even slikken, maar sluit wel beter aan bij mijn visie dat er van een hemelbestormende vernieuwing nog helemaal geen sprake was: afzetten met een prikstok deed men in onze contreien inmiddels al zo’n kleine duizend jaar. En of je nou voortprikte op een koeienschenkel of op een ijzeren strip onder een houtje, de beweging bleef hetzelfde. Niet de moeite waard om je dure perkament aan te verspillen …?

Als men echter al wel wat voortkrabbelde met een zijwaarts slagje of zelfs al afzette met een prikpunt, maken de verzen van Van Maerlant juist weer wat meer aanspraak op een verwijzing naar schaatsen. Scenario’s, scenario’s ...

 

Afb. 2. Dordtse schaats, Groenmarkt, 1275-1300.
Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek.

G1.1275-1300 Dordrecht, Groenmarkt

De datering van de Dordtse schaats, gevonden in een ophogingslaag aan de Groenmarkt, Afb.2 bleek bij het nagaan van de bronnen behoorlijk uiteen te lopen. In Vgtk staat ‘circa 1225’ als datering bij de foto op p. 10. Wiebe moet daar de Dordtse en de Amsterdamse schaats hebben verward; elders in zijn boek dateert hij de schaats uit Dordrecht als eerste helft 13e eeuw. In publicaties van de direct bij de opgraving betrokken archeoloog Herbert Sarfatij wordt echter periode 13d aangehouden, dat wil zeggen: 1275-1300. Deze datering beschouw ik als correct.11

In Kouwe drukte 34 vroeg ik me af of de Dordtse schaats een vroege prikschaats zou kunnen zijn. Vanwege de wat latere datering groeien de kansen voor deze optie, al staat roestvorming harde bewijzen in de weg.12

 

Accentverschuiving

De schaatsen uit de 13e eeuw zijn opgegraven in 1979 (Amsterdam) en 1981-82 (Dordrecht). Dus inmiddels ruim veertig jaar geleden! Sindsdien is er geen enkele schaats uit deze periode meer gevonden, terwijl het aantal bodemonderzoeken juist enorm is toegenomen! Van eventuele voorgangers, ijzeren glijders zonder houten voetstapel bijvoorbeeld, ontbreekt zelfs elk spoor.13

We mogen daarom vaststellen dat de vroegste schaatsen niet alleen pas later opkwamen dan we aanvankelijk dachten, maar ook dat ze destijds kennelijk nog niet erg ruim in omloop waren. Dat lijkt ook logisch; glissen waren immers veel goedkoper en je kwam er vrijwel net zo makkelijk mee vooruit. Ze bleven dan ook nog lang in gebruik.14

Nu de vroegste hout-ijzeren schaatsen wat later worden gedateerd dan voorheen, lijkt de voorsprong in stedelijke ontwikkeling van Vlaanderen een minder zwaarwegend argument om de herkomst van de schaats te verklaren. In Holland kwamen veel steden juist op in de tweede helft van de 13e eeuw. In 1275 telde het dorp Amsterdam niet meer dan ongeveer duizend inwoners, maar er was al wel een smid. De stad Dordrecht zal rond die tijd al zo’n drieduizend inwoners hebben gehad en vermoedelijk meerdere smeden. Qua inwonertal en rijkdom liepen de Hollandse steden gemiddeld ver achter op de Vlaamse, maar speelde dat een rol voor de uitvinding van een simpel ding als de schaats?

 

Doemscenario voor generatie 0

Als de schaatsen uit de tweede helft van de 13e eeuw niet uit Vlaanderen stammen, zouden de voorlijke Vlamingen in een eerder stadium echter nog wel de uitvinders van de allervroegste glijders van hout en ijzer kunnen zijn geweest, van generatie 0 dus. Daarmee wordt de bizarre veronderstelling denkbaar dat deze schuivers in de Belgische bodem inmiddels zijn afgebroken tot onherkenbare kruimels, terwijl ze in Holland wellicht zelfs nooit in omloop zijn geweest ... Als dat doemscenario zou kloppen, zoeken we een speld in een hooiberg zonder speld …

 

Generatie 2 (1300-1500): de prikschaats

Prikschaatsen zijn schaatsen met een prikpunt op de voorzijde van de schenkel. Wiebe Blauw stelde dat de punt ‘in het ijs geprikt kon worden om de afzet te versterken’, maar liet in het midden of hij een voorwaartse of zijwaartse afzet in gedachten had.15

We weten niet zeker hoe de prikpunt aanvankelijk werd gebruikt. Ook hier vervallen we weer in scenario’s.

Ik denk dat er op de eerste prikschaatsen in eerste instantie alleen werd afgezet met de prikpunt. Die maakte de prikstok overbodig. Men zette beurtelings af met het ene been en gleed een stukje voort op het andere. Pas in een latere fase zal men er (deels) ook zijwaarts mee hebben afgezet.

Andere scenario’s zijn echter denkbaar. Bev Thurber vermoedt dat de prikpunt is gebruikt om meer controle te krijgen over de zijwaartse krabbelslag en om wegglijden van de schaats te voorkomen.16

We zijn het erover eens dat de prikpunt ook kan hebben geholpen bij bijvoorbeeld het remmen of om te bukken bij het onderbinden. Ik kom er hieronder op terug.

 

Afb. 3. Jongen op prikschaatsen, circa 1320-1330.
Oxford, Bodleian Library, Douce 5, folio 1v.

Oudste schaatsafbeelding is extreem

De miniatuur uit Gent of Brugge Afb.3 met een jongetje op prikschaatsen (1320-1330) is de oudste Vlaamse bron met betrekking tot de schaats.17

Maar helaas een dubieuze. De prikpunt en de ronding in de schenkels zijn extreem overdreven afgebeeld en zeker niet waarheidsgetrouw. Met de twee veel te lange grijphaken als prikpunt zou een glijfase compleet onmogelijk zijn.18 Als de kunstenaar het belang van de voorwaartse afzet daarmee extra wilde benadrukken, dan is de extreme ronding er mee in tegenspraak. De ronding wekt juist de indruk dat er al sprake was van een zwierige slag. Als dat zou kloppen zou het betekenen dat de Vlamingen op dat moment de Hollanders ver vooruit waren in de schaatskunst. Ondersteunend bewijs voor die opvatting ontbreekt echter en een zwierige slag gaat bovendien niet goed samen met een voorwaartse afzet met de prikpunt.

Ik denk dan ook dat het tegenovergestelde het geval was. Uit zijn onbeholpen en misleidende weergave van de prikschaats blijkt dat de Vlaamse kunstenaar het model alleen kende van horen zeggen en er zelf niet mee bekend was. Desondanks kunnen we er wel uit afleiden dat de prikschaats rond 1325 al was uitgevonden. Kennelijk niet in Vlaanderen, maar waar dan wel?

 

Afb. 4. Prikschaats, Amsterdam, Rokin, c. 1300-1450.
Tweepuntspositie 2 cm. Afzethoek 19o.
Monumenten en Archeologie, Amsterdam.

G2.1300-1450 Amsterdam, Rokin

De prikschaats gevonden ter hoogte van het Rokin bij werkzaamheden aan de Noord-Zuidmetrolijn wordt door de Amsterdamse archeologen gedateerd 1300-1450 op basis van typologische kenmerken en materiaalbewerking.19

De schaats staat, vanwege het dubbel omgeslagen ijzer aan de achterzijde, nog dicht bij de schaatsen uit generatie 1 en is daarom vermoedelijk de oudste schaats die we kennen met een prikpunt op de voorzijde van de schenkel. Ook de relatief lage positie van de prikpunt boven het ijsoppervlak (9 mm) wijst daarop. Bij latere prikschaatsen was die ruimte groter.

 

Afb. 5. Prikschaats in tweepuntspositie.
Gemeente-archief Schiedam, incunabel, 1498.

Tweepuntspositie

Als we het Rokin schaatsijzer Afb.4 in de afzethoek20 plaatsen, zien we dat er sprake is van een tweepuntspositie. Niet alleen de prikpunt, maar ook de voorzijde van de schenkel zelf steunt op het ijsoppervlak. Vermoedelijk volgde van hieruit de voorwaartsgerichte afzet.

Afb. 6. Trip met wreefband, circa 1300.
Brede tweepuntspositie. Afzethoek 21o.
Nederlands Leer- en Schoenenmuseum, Waalwijk.

De combinatie van prik- en steunpunt gaf een bepaalde stabiliteit bij het gebruik, zoals bij het bukken om onder te binden bijvoorbeeld, of bij het overeind helpen van iemand die is gevallen, zoals we kunnen zien op de bekende houtsnede met Lidwina uit 1498. Afb.5

Een afzethoek van 19o lijkt extreem, maar kwam grofweg overeen met die van een trip. Afb.6 

Afb. 7. Haagse hofgrachtschaats, 1350-1425.
Tweepuntspositie 3,9 cm. Afzethoek 14,5o.
Archeologie en Natuur- en Milieueducatie, Den Haag.22

In de late middeleeuwen was men er dus wel aan gewend een beetje voorover te hellen.21 

De tweepuntspositie van de trip is echter veel breder dan die van de Amsterdamse prikschaats. Op die trip kon je dus een meer stabiele houding aannemen. 

Een iets bredere tweepuntspositie zien we ook bij latere prikschaatsen. Afb.7-8-9

Er lijkt daarom sprake te zijn van een geleidelijke ontwikkeling, waarbij de prikpunt aanvankelijk alleen werd gebruikt voor een voorwaartse afzet en gaandeweg ook voor andere doeleinden.

Afb. 9. Prikschaats, Rotterdam, St. Jacobsplaats
(waar vroeger de Rotte stroomde),
1400-1500.  Tweepuntspositie 3 cm. Afzethoek 16o.
De lichte ronding in het loopvlak geeft aan dat er met enige zwier op kon worden gereden.
BOOR Rotterdam.24
Afb. 8. Prikschaats Schiedam, Bagijnhof, 1400-1500.
Tweepuntspositie 2,8 cm. Afzethoek 18o.
De prikpunt is ofwel beschadigd,
of bestaat uit twee kartels.
BOOR Rotterdam.23

Hiermee hebben we alweer een aanwijzing dat de Amsterdamse Rokin prikschaats, met zijn nog smalle basis tussen prikpunt en steunpunt, vroeg in de tijd kan worden geplaatst. De datering 1300-1450 van de archeologen is niet gebaseerd op nevenvondsten, zoals aardewerk bijvoorbeeld, en daarom ook niet heel hard. Het schaatsijzer zou naar mijn idee misschien al uit de periode 1300-1325 kunnen zijn, of zelfs nog ietsje vroeger.

 

Verminkte getuige

In hoofdstuk CXXXIX (139), versregel 258-259 van een onvolledige en verminkte Brabantse rijmkroniek uit de periode 1325-1328 gaan vier weefsters het ijs van de Heergracht in Brussel op: Nu hoert hoe si gaen ten ijse, Als men op de heergracht gheet, …25

Dit lijkt een verwijzing naar ijsvermaak, maar hoe zag dat er uit? Uit de vervolgverzen worden we geen snars wijzer en vanaf versregel 269 is de tekst zelfs onvolledig. In vers 271 is er sprake van ‘lopen’ en in de regel daarop staat ‘rijdt’. Maar op wie hebben deze woorden betrekking? Nog belangrijker: wat gebeurt er precies? Wordt er wel gelopen op het ijs? En zo ja, waarop? Schoenen? Platijnen? IJssporen? Op trippen met scherp ijzerbeslag? Of op schaatsen? Rijdt men te paard, met een (arren)slee of op de prikschaats? We zullen het nooit weten, tenzij er ooit een compleet exemplaar opduikt van deze oude kroniek.

 

Anekdote of getuigenverslag?

Dat was het dan wat de vroege Belgische getuigen betreft, want het gedicht dat opent met de versregels Daerna zach ic huuthanghen eenen prijs / So wie met scaverdinen best stake opt hijs houdt geen verband met het jaartal 1333, zoals wel is beweerd. De kroniek van kapelaan Jacob de Hondt uit Axel (destijds Vlaams grondgebied), waarin het gedicht voorkomt, is sinds 1961 spoorloos. Desondanks heb ik de inhoud kunnen analyseren met behulp van diverse publicaties die er in het verleden over zijn verschenen. Daaruit blijkt dat historische wetenswaardigheden vrijwel altijd werden vermeld in de eigenlijke kroniek, maar anekdoten en kolderieke verhalen daarentegen juist op los ingevoegde bladen. Folio 245a met het gedicht over de ‘scaverdinen’ is helaas zo’n los ingevoegd blad.

De Hondt vermeldde soms zijn bronnen, maar niet bij dit gedicht. Daarom weten we niet wie die ic (de waarnemer die de prijs zag hangen) in 1333 dan wel zou moeten zijn ...

De vroegste datering die ik aan het gedicht durf te plakken is 1420-1480, als Antonius Stalin de schrijver én waarnemer zou zijn. Deze Stalin, een voorganger van De Hondt, liet namelijk aantekeningen na, waaruit zijn opvolger regelmatig citeert. Als Jacob de Hondt zelf voor de versregels tekende, komt een latere datering (1510-1525) in beeld.

Van een serieus steekspel zal geen sprake zijn geweest, eerder van een parodie daarop, een spottoernooi tijdens vastenavond bijvoorbeeld, zoals ik in Kouwe drukte 35 al aangaf.

Het gedicht is nog altijd een vroege getuige voor het woord scaverdinen, maar moet dus minstens een kleine eeuw later in de tijd worden geplaatst.26

 

Conclusies

We zijn hierboven voor een periode van ongeveer een eeuw alle getuigen van vroege schaatsen langsgelopen. Dit zou voldoende moeten zijn om te bepalen waar de wieg van de eerste schaats heeft gestaan. Maar is dat ook zo?

De kraamkamer van de vroegste schaats lijken we te moeten zoeken in de gewesten Holland, Vlaanderen en Brabant. Daarbij mogen we ook het gebied tussen Vlaanderen en Holland niet vergeten. De Zeeuwse bodem is door alle overstromingen behoorlijk verstoord geraakt en middeleeuwse schaatsen zijn er tot dusverre dan ook niet gevonden, maar we kunnen niet uitsluiten dat de schaats in Zeeland al in een vroeg stadium bekend was.

Of Vlaanderen de primeur had met de veronderstelde vroege glijders van generatie 0 kan vanwege het ontbreken van vroege getuigen niet worden weerlegd noch bewezen.

Holland, met het relatief grote aantal schaatsen van generatie 2 en 3 (respectievelijk prikschaats en snavelschaats) dat is gevonden in de bodem, lijkt betere papieren te hebben als veronderstelde bakermat van de echte schaats, het ding waarop je vooruitkwam zonder prikstok. De knullige weergave van de prikschaats op de Vlaamse miniatuur uit circa 1325 wijst ook in die richting.

Een zuivere en valide vergelijking is echter onmogelijk omdat er, zoals gezegd, vanwege de compleet verschillende bodemgesteldheid bij onze zuiderburen tot op heden geen middeleeuwse schaatsen zijn opgegraven.

Hoe er werd gegleden of gereden op de eerste generatie schaatsen kan evenmin met zekerheid worden afgeleid uit de gevonden exemplaren, afbeeldingen en teksten. Er zijn verschillende scenario’s denkbaar zoals hierboven is geschetst. De afzet met de prikpunt zal de gebruiker letterlijk een kick hebben gegeven. De ‘uitvinding’ van de zijwaartse afzet, was niet minder dan een regelrechte sensatie. Vanaf dat moment zal het schaatsen een stuk populairder zijn geworden!

Helaas kunnen we niet anders dan concluderen dat er nog teveel stukjes ontbreken om de puzzel ‘Waar stond de wieg?’ op te kunnen lossen. We hebben voor alle gewesten oudere afbeeldingen en betere tekstbeschrijvingen nodig en voor Zeeland en België bestaat er een dringende behoefte aan objectgetuigen uit de bodem.

Bronnen

1. W. Klootwijk – Houten schaats is Vlaamse vinding. In: De Volkskrant, 11 januari 2002.

2. Met betrekking tot de bodemgesteldheid voor conservering van voorwerpen:

N.W. Willemse, RAAP - Hydrologie en archeologie / Basiskennis over bodemwater en bodemarchief, 2021, p. 13: Het conserverend vermogen van een waterverzadigde bodem.

Erfgoedinzicht.be (website met erfgoedcollectie België).

Diverse auteurs - Een geschiedenis van België in 100 voorwerpen / Van de prehistorie tot nu, 2024, p. 364-369.

Kanttekening: het ontbreken van archeologische schaatsvondsten uit België kan niet uitsluitend aan de bodemgesteldheid worden geweten, want Romeinse artefacten bijvoorbeeld worden er van tijd tot tijd wel opgegraven.

3. N. Mulder – Ten IJse (Kouwe drukte 33-39, 42 en 44; oktober 2008 tot april 2012).

4. (Bureau) Monumenten & Archeologie Amsterdam is de archeologische dienst van Amsterdam.

E-mail J.H.G. Gawronski, Bureau Monumenten & Archeologie Amsterdam, 16 januari 2006: De schaats wordt gedateerd in de periode 1225-1250. Hierbij is de datering gerelateerd aan de eveneens opgegraven aardewerkvondsten in spoor# 2895. Tevens zijn de aardewerkvondsten uit de onder- en bovenliggende sporen bij de datering betrokken.

E-mail W. Krook, Bureau Monumenten & Archeologie Amsterdam 18 januari 2006 bevestigt deze gegevens.

5. E-mail Ron Tousain, Bureau Monumenten & Archeologie Amsterdam, 20 november 2017:

Afgelopen tijd hebben we de vondstomstandigheden van NDK (opgraving Nieuwendijk, nm) nog eens nader bekeken en ook een aantal vondsten uit depot gehaald. Sommige houtresten konden nog met C14 worden gedateerd en daarmee vielen de puzzelstukjes op hun plaats: de hele terp zal kort na het midden van de 13de eeuw zijn opgeworpen en de schaats moet er daarom ook na 1250 in terecht zijn gekomen.

Tousain bevestigt mijn datering voor de eerste ophogingslaag (circa 1265) en vervaardiging van de schaats (circa 1250) per kerende mail: Wij hanteren liever geen jaartallen zoals 1250 of 1265 omdat die als exact worden geïnterpreteerd. Liever zeggen wij “rond het midden van de dertiende eeuw”. In tijd klopt het schema en de datering van de schaats wel.

R. Jayasena – Graaf- en modderwerk / Een archeologische stadsgeschiedenis van Amsterdam, 2020, p. 60-63: reconstructie van de ophoging van de leemvloeren van de smederij.

6. Bev Thurber – communicatie per e-mail, december 2024, januari 2025 (o.a. poging tot voorwaartse afzet tijdens generatie 1).

7. Met betrekking tot de beperkingen van glissen in de sneeuw:

Bev Thurber – Bone skates in De Proefkeuken, 2024, 3 juli: https://pagophilia.com/category/bone/

8. N. Mulder – Ten IJse 1. In: Kouwe drukte 33, 2008, p. 25-30 (afzet met prikstokken).

9. J. Verdam – Over het woord schaats. In: Bijdragen en Mededeelingen, 1907, p. 367-368;

Francke en Verdam – Jacob van Maerlant’s Strophische Gedichten, Nieuwe uitgave, 1898 (Google Boeken), p. 48, r. 50

Jacob Westerbaen, Gedichten, III. Mengel-dichten, 1657, p. 481. IJzeren schoenen zijn hoefijzers.

Kaal – Leerzaam letterhof voor de Nederlandsche jeugd, 1795, p. 90-91. IJzeren schoenen van de Thessaliërs.

N. Mulder – Ten IJse 2 – Schaatsles voor graaf Floris. In: Kouwe drukte 34, 2008, p. 19;

N. Mulder – https://www.schaatshistorie.nl/literatuur/artikelen/1266-iserine-scoen/#600. Betekenis yserine scoen hoogstwaarschijnlijk hoefijzers!

10. Jacob Verdam – Over het woord schaats. In: Bijdragen en Mededeelingen, 1907, p. 368;

N. Mulder – Ten IJse 2 – Schaatsles voor graaf Floris. In: Kouwe drukte 34, 2008, p. 19

https://www.schaatshistorie.nl/literatuur/artikelen/1264-verwijzing-schaatsen/

Jacob van maerlant – historie van troyen, Fol. 46 verso a, dichtregels 6396-6397 in Brussel, KBR Ms IV 927, digitale versie: https://uurl.kbr.be/2059863 (handschrift Wissen, Kleve/Gelre c.1470-1480)

Zie DBNL https://www.dbnl.org/arch/maer002npau01_01/pag/maer002npau01_01.pdf; naar hs 15e eeuw van Wessel van de Loe.

Het originele manuscript van Istorie van Troyen (c. 1264) is verloren gegaan.

Lokale inkleuring:

Van Maerlant voegde in versregels 6430-6431 het steekspel, dat de Romeinen niet kenden, vrijelijk toe aan de tekst van Statius:

Hoe men oec stryt mit swerden / Ende hoe men oec joesteert mit perden.

Het typisch Hollandse slootje-springen (nunc docet ingentes saltu me iungere fossas = nu leert hij mij om over sloten te springen) nam hij echter niet over en daarmee liet hij een enorme kans liggen voor extra lokale inkleuring.

Hij vertaalde saepe etiam primo fluvii torpore iubebar / ire supra glaciemque levi non frangere planta met: Hy leerde my op den yse gaen / Lopen ende stille staen. (vv 6396-6397). Deze vertaling kan op twee manieren worden gelezen: letterlijk lopen op het ijs zonder het te breken of als verwijzing naar het schaatsen.

11. H. Sarfatij – Dordrecht: Groenmarkt. In: Holland, regionaal-historisch tijdschrift, 15e jaargang nummer 6, december 1983,

p. 271-278. Op p. 277, afb. 18: schematische tekening van de schaatsen. Gedateerd laat 13e eeuw; door mij geïnterpreteerd als 1275-1300;

O. Goubitz – Nederland’s oudste schaats? In: Kouwe drukte 9, september 2000, p. 4-5. Gedateerd tweede helft 13e eeuw. ;

W. Blauw – Van glis tot klapschaats, 2001, p. 10 (datering: circa 1225 (!), p. 48-49 (datering: eerste helft 13e eeuw), p. 57 (datering: eerste helft 13e eeuw);

O. Goubitz – Stepping through time, 2001, p. 252 (13th century); p. 261, fig. 29 = DDT 9-6-35, datering: circa 1275-1300;

H. Sarfatij – Dordracum excavatum: Opgravingen in Dordrecht, archeologie van een deltastad, 2006. Thesis Universiteit van Amsterdam. In 2007 in boekvorm verschenen.

Code DDT-9-6-35 staat gemarkeerd op één van de schaatsen. Deze code correspondeert niet met uitleg van Sarfatij over vondstnummering: ‘de vondsten uit de werkputten 9 tot 14 … zijn per put doorlopend genummerd en worden met put en vondstnummer vermeld, bijvoorbeeld 9-26 … (Sarfatij, 2007, p. 231.) De schaatsen zijn door Sarfatij dus kennelijk gecodeerd als 9-35 en worden in alle gevallen (p. 211, 226) gedateerd met 13d (laatste kwart 13e eeuw = 1275-1300). Gevonden achter voormalig pand Groenmarkt 5. Aangegeven als huis H05D+E+F door Sarfatij.

12. N. Mulder – Ten IJse 2 – Schaatsles voor graaf Floris. In: Kouwe drukte 34, 2008, p. 21-23; Datering: tweede helft 13e eeuw.

13. Inwonertal in Amsterdam en Dordrecht, circa 1275:

G. van Tussenbroek en R. Jayasena – Amsterdam, het water en de mensen / Een dag aan de Amstel in 1275, 2024, p. 63-64 (inwoneraantal).

H. ’t Jong – De oudste stad van Holland / Opkomst en verval van Dordrecht 1000-1421, 2020, p. 81 (inwoneraantal).

14. Interactieve kaart glis- en schaatsvondsten in de Lage Landen op Schaatshistorie.nl (gebruiksperiode glissen)

15. W. Blauw – Van glis tot klapschaats, 2001, p. 57

16. B. Thurber – communicatie per e-mail, januari 2025

17. Bodleian Library ms Douce 5, fol. 1v-2. Jongetje op prikschaats.

Wirth - Les marges à drôleries des manuscrits gothiques, 1250-1350, 2008, div. pagina's.

18. N. Mulder - Ten IJse 3 – Een steekpartij op scaverdinen? In: Kouwe drukte 35, 2009, p. 27-31.

19. (Bureau) Monumenten & Archeologie Amsterdam is de archeologische dienst van Amsterdam.

belowthesurface.amsterdam/nl/vondst/NZR2.00271MTL008?index=19388

E-mail Peter Kranendonk, Monumenten en Archeologie, Amsterdam, 1 november 2017:

NZR2 betreft de ontgraving voor het Station Rokin. Dateringen op basis van typologische kenmerken en materiaalbewerking.

Gegevens uit database Archeologie Amsterdam door Jan Dirk Bindt

20. B. Thurber – e-mail 18 januari 2025 (meten van de afzethoek)

21. O. Goubitz – Stepping through time, 2001, p. 249-250, p. 256 fig. 5. (lopen op trippen)

M. en S. Volken – Lopen op trippen / Het belang van het experiment. In: Westerheem, no. 5, oktober 1997, p. 12-18. Digitaal geraadpleegd via issuu.com/westerheem/docs/1997

22. Archeologie en Natuur- en Milieueducatie is de archeologische dienst van Den Haag.

O. Goubitz – Nederland’s oudste schaats? In: Kouwe drukte 9, september 2000, p. 4.

W. Blauw – Van glis tot klapschaats, 2001, 49-50, 57.

N. Mulder - Ten IJse 4. In: Kouwe drukte 36, 2009, p. 37-38.

M. van Veen - Het grafelijk en stadhouderlijk hof Den Haag / Een overzicht van opgravingen en waarnemingen van 1770 tot en met 2013, 2015, p. 273-275, afb. 4.3.16

B. Thurber – video van experiment met replica’s van de Haagse prikschaats, 11 januari 2025

23. BOOR (Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam), tegenwoordig Archeologie Rotterdam is de archeologische dienst van

Rotterdam en omstreken.

Archeologie Zuid-Holland, inventarisnummer 33355 via website archeologie.zuid-holland.nl/collectie/

C. Hoek – Schiedam. Een historisch-archeologisch stadsonderzoek. Digitaal geraadpleegd op: tijdschriftholland.nl/wp-content/uploads/1975-07-02.pdf

M. Phlippeau (Provinciaal archeologisch depot Zuid-Holland) – communicatie per e-mail, oktober 2024.

24. BOOR (Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam), tegenwoordig Archeologie Rotterdam is de archeologische dienst van

Rotterdam en omstreken.

W. Blauw - Van glis tot klapschaats, 2001, p. 37.

WNA Westerheem 38, 1989, p. 265-273: algemene informatie over opgraving. Digitaal geraadpleegd via issuu.com/westerheem/docs/1989.

Arnold Carmiggelt, BOOR – communicatie per e-mail: XV = 15e eeuw.

Peter Kalkman, BOOR - communicatie per e-mail op 4 en 7 november 2022.

25. J. Cuvelier - Eene onbekende rijmkronijk van het begin der XIVe eeuw. In:

Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1928, p. 1039-1052 (p. 1052, v. 258)

Digitaal geraadpleegd via www.dbnl.org/tekst/_ver025192801_01/_ver025192801_01_0067.php

H. Pleij – De sneeuwpoppen van 1511 / Stadscultuur in de late middeleeuwen, 1988, p. 232.

26. Napoleon de Pauw - Middelnederlandsche Gedichten en Fragmenten II – 1914, p. 383.

A. de Mul - Kroniek van Axel en omgeving tot 1525 in uittreksels uit een handschrift van Jacob de Hont. In: Oudheidkundige kring “De vier ambachten” Hulst - Jaarboek 1939/1940, p.33-244. Met een vertaling van de Latijnse fragmenten door B.A.TH.M. Truffino.

Jozef Lenoir – Niet-historische gedichten uit Jacop de Hondts Cronycke Beginnende in ’t jaer 621 en Eyndigende in ’t jaer 1525, Deel I en II, 1960-1961. Digitaal beschikbaar gesteld door Universiteitsbibliotheek Gent.

Jan van Loo – De verdwenen schatten van Axel. Of de geschiedenis van de handschriftencollectie van de familie Van Hoorebeke uit Gent en die van de kroniek van Jacob de Hondt uit Axel in het bijzonder. In: Archief 2021-I / Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Digitaal geraadpleegd op de website kzgw.nl

N. Mulder - Ten IJse 3Een steekpartij op scaverdinen? In: Kouwe drukte 35, mei 2009, p. 26-31

Bovenkant van de pagina