50 jaar De Nederlandse glissen
Auteur Bev Thurber, 2026
In 1976 was Hans W. Jacobi student prehistorie aan de Universiteit van Amsterdam met middeleeuwse archeologie als bijvak. Zijn scriptie De Nederlandse glissen, was het eerste systematische overzicht van glissen die in de grote openbare musea van Nederland te vinden zijn. Nu, 50 jaar later, blijft zijn werkstuk belangrijk voor het onderzoek naar glissen, vooral in Nederland. Er is nog geen vergelijkbare studie in Nederland gedaan.
Het ontstaan
Jacobi werd op 29 april 1943 te Boskoop geboren. Zijn vader was bioloog en leidde de Rijkstuinbouwschool. Het gezin verhuisde in 1952 naar Amsterdam. Jacobi is daar opgegroeid en studeerde er prehistorie. Aan het einde van zijn studie moest hij een doctoraalscriptie schrijven en zocht daarvoor een thema. Het onderwerp glissen werd voorgesteld door Herman Hendrik van Regteren Altena, die met Louise Hilgonda van Wijngaarden-Bakker de scriptie begeleidde. Van Regteren Altena was de eerste lector middeleeuwse archeologie te Amsterdam (1974-1980); in 1980 werd hij hoogleraar.
Het idee om glissen te onderzoeken kwam voort uit de belangstelling van François Poplin (1943-2024), een bekende archeoloog die bij het Museum National d'Histoire Naturelle te Parijs werkte. Zijn vroege werk ging over oude dierenbotten, maar later raakte hij actief betrokken bij archeologische discussies over uit been gemaakte gereedschappen. Zijn interesse in deze werktuigen zou in de jaren 70 gewekt kunnen zijn. Hij vroeg de Universiteit van Amsterdam om meer informatie over de opgegraven glissen. Wat hij precies uit deze informatie wilde leren, is niet bekend.
Jacobi’s uitgesproken doel was een catalogus van de glissen samen te stellen, zonder uitgebreid literatuuronderzoek. Dit was een nieuw soort onderzoek: de meeste zoöarcheologen houden zich bezig met onbewerkte botten om de domesticatie van dieren te onderzoeken. Jacobi bestudeerde bewerkte botten om het gebruik van deze voorwerpen te begrijpen.
Gelijktijdig onderzoek
Glissen waren al eeuwenlang bekend. Er zijn middeleeuwse verslagen over glissen zoals die van William fitz Stephen en Olaus Magnus. Afb. 1
Afb. 1. Twee mensen op glissen in de Carta marina van Olaus Magnus (1539). Wikimedia Commons.
Mensen gebruikten glissen tot in de twintigste eeuw. In oude tijdschriften zoals de Verhandlungen der Berliner Gesellschaft für Anthropologie, Ethnologie und Urgeschichte werden herinneringen gepubliceerd van mensen die in hun jeugd glisten of op glissen reden. In de jaren zestig begonnen er twijfels te ontstaan over het gebruik van glissen. De invloedrijkste deskundige was S.A. Semenov, die voorstelde dat deze objecten geen ‘schaatsen’ zouden kunnen zijn vanwege de gebruikssporen. Afb. 2
Afb. 2. Gebruikssporen op een glis uit Amsterdam. Stadsarchief Amsterdam OKP-12.
Glissen hebben groeven in de lengterichting aan de onderzijde, terwijl schaatsen volgens Semenov diagonale strepen hebben. Verder herkende H.J. Barthel dat sommige objecten glissen waren en stelde criteria op om artefacten als glissen of wrijfinstrumenten te classificeren. In 1975 deed Arthur MacGregor - toen nog student in Durham, Engeland - experimenten om te laten zien, dat op botten geglist kon worden. Hij maakte glissen en gliste erop. De gebruikssporen waren dezelfde als op de archeologische glissen! Dus de zaak was beklonken. Dit was een keerpunt in de studie van glissen. Na MacGregor was het bekend dat deze artefacten vaak glissen waren in plaats van wrijfinstrumenten, hoewel sommige nog steeds wrijfinstrumenten of andere werktuigen zouden kunnen zijn.
Het werk van Jacobi
Jacobi nam het onderzoek naar de Nederlandse glissen op zich en onderzocht 446 objecten, die als glissen waren geïdentificeerd: 257 in de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO), 184 in het Groninger Museum voor Stad en Lande, drie in het Westfries Museum en twee uit Zwolle. Van deze waren, volgens zijn criteria, van het RMO maar 104 en van het Groninger Museum maar 116 echte glissen, en de vijf uit de andere musea waren volgens zijn criteria ook echt. Dus hield hij 225 glissen over. Van deze waren er 39 afgebroken en zes twijfelachtig.
Hij verdeelde de 180 hele en duidelijke glissen in elf typen. Het meest voorkomende type, type 1, heeft geen doorboringen en een omhooggebogen neus. Afb. 3
Afb. 3. Een glis van type 1 uit Dordrecht. Stadsdepot Dordrecht 2002.039.002.
Van de 180 glissen zijn 59 van dit type. De 101 glissen van type 2 tot en met 10 zijn ingedeeld op basis van boorgaten. De 20 glissen uit type 11 zijn als glijders voor sleden geïdentificeerd, niet als glissen, vanwege twee grote verticale gaten.
Jacobi beperkte zich niet tot het bestuderen van glissen. Aan het einde van zijn scriptie vertelt hij over zijn eigen experimenten. Hij maakte glissen uit de middenvoetsbenen van een paard en deed zijn glijproef op de Jaap Edenbaan te Amsterdam. De prikstok was niet toegestaan, dus kon hij alleen de glijfunctie testen met hulp van zijn broer, die hem voortsleepte. De glissen werkten goed! Hij wilde ze in de winter met prikstok op bevroren wateren proberen, maar de winter kwam te laat voor zijn scriptie.
Ook te laat voor Jacobi was het tweede artikel van MacGregor. In 1976 publiceerde deze een artikel dat zich op Engeland richtte over het bewijs voor glissen, kwam in 1976 ook te laat voor Jacobi. Jacobi voegde het later aan zijn scriptie (in een ander lettertype) toe met de opmerking ‘zeer belangrijk artikel!!!’.
De receptie
In 1981 werd Jacobi’s scriptie door Van Wijngaarden-Bakker geciteerd. Dat was een van de weinige keren dat deze werd aangehaald, waarschijnlijk omdat de scriptie niet in een tijdschrift werd gepubliceerd. Het werk van MacGregor werd wél in een bekend tijdschrift gepubliceerd en is het standaardwerk geworden. Misschien speelde de taal ook een rol: MacGregor schreef in het Engels, de internationale wetenschapstaal.
Na zijn afstuderen publiceerde Jacobi niets meer over glissen. In plaats daarvan stortte hij zich op zijn hobby: numismatiek. Hij was bijna zijn hele leven een enthousiast verzamelaar van munten. Van 1976 tot aan zijn pensionering op 17 juni 2004 werkte hij bij het Koninklijk Penningkabinet, een deel van het Rijksmuseum. Jacobi diende als directeur van 1980 tot 1992 en als conservator munten en papiergeld van 1992 tot zijn afscheid in. Daarna ging het Penningkabinet op in het Geldmuseum, dat nu is gesloten.
Tot zijn publicaties behoren Muntvondsten in Nederland (met J.P.A. van der Vin, 1983), Geld door de eeuwen heen (met Bert van Beek en Marjan Scharloo, 1984) en Het is gebeurd met de gulden (1999).
50 jaar onderzoek
De scriptie van Jacobi was het eerste systematische overzicht van Nederlandse glissen en een mijlpaal in de studie van de vroegste Nederlandse schaatscultuur. Wat verrassend is, is dat er niet veel meer wordt gedaan. In de 50 jaar na het werk van Jacobi werd een groot aantal glissen gevonden in Nederland en elders. Alleen al in Dorestad, een middeleeuwse stad in de buurt van het huidige Wijk bij Duurstede, werden sinds 1967 al 296 glissen opgegraven door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Mogelijk zag Jacobi een deel van deze vondsten in het RMO. Sommige van deze glissen zijn goed beschreven in de literatuur, zoals die uit Hoogstraat I, maar de meerderheid is niet, of niet zo gedetailleerd, beschreven. Archeologen hadden nieuwe glisvondsten in een van Jacobi’s elf typen kunnen classificeren. In plaats daarvan richtten de meeste verwijzingen naar Jacobi’s werk zich op het gebruik van glissen, terwijl de zoöarcheologen zich op het aantal en de soort botten richtten, zoals Wietske Prummel, in haar dissertatie. Het was alsof het onderzoek naar glissen klaar was: het werd goed begrepen wat deze voorwerpen waren en hoe ze gebruikt werden.
In de daaropvolgende jaren begon de belangstelling van onderzoekers te verschuiven. De Worked Bone Research Group (WBRG) werd in 1997 opgericht tijdens een bijeenkomst in het British Museum te Londen. Kort daarna, in 2000, werd de groep een onderdeel van de International Council for Archaeozoology.
Elke twee jaar heeft de WBRG een bijeenkomst waarbij de leden hun ideeën over uit been gemaakte gereedschappen delen. François Poplin was actief in de groep tot aan zijn dood. Gelijktijdig met de oprichting van de groep publiceerde Alice Choyke, een van de eerste leden, haar studie over de vervaardiging van glissen.
Op de vierde WBRG-bijeenkomst presenteerden Hans Christian Küchelmann en Petar Zidarov, hun onderzoek naar glissen. Evenals Jacobi beschreven Küchelmann en Zidarov de glissen met hun systeem van genummerde modificaties. Ze begonnen ook een online-databank en stelden voor dat onderzoek naar de details van de modificaties behulpzaam kon zijn.
Twaalf jaar later gingen Rune Edberg en Johnny Karlsson een stap verder met hun studie van 679 glissen uit Birka en Sigtuna in Zweden. Ze gebruikten de structuur van Küchelmann en Zidarov om de glissen te beschrijven en deden een statistische analyse. Hun conclusies zijn interessant en vergroten de kennis, niet alleen van het gebruik van glissen maar ook van de gemeenschap waarin ze gemaakt waren: wie heeft de glissen gebruikt? Waarom gebruikten mensen glissen? Was het slechts om zich te vermaken?
Deze studies houden zich niet bezig met Nederland, ondanks het enorme aantal glissen daar. Een vergelijkbare studie naar Nederlandse glissen zou veel nieuwe inzichten kunnen opleveren. Misschien zouden verschillende typen glissen aan perioden of groepen kunnen worden verbonden. In mijn boek Skates Made of Bone viel het me op dat glissen uit Nederland en omgeving niet volledig gedocumenteerd zijn. Vanwege het grote aantal is dat een enorme opgave. Afb. 4
Afb. 4. Een doos met glissen in het Noordelijke Archeologische Depot in Nuis.
De huidige status
Veel glissen zijn in Nederland gevonden en door de archeologen gemeld, maar Jacobi’s studie blijft de grootste over de details van glissen in Nederland. Tegenwoordig zijn glissen goed bekend bij alle schaatshistorici en -verzamelaars en daardoor bij het publiek; ze liggen in zowel schaats- als stadsmusea en zijn door archeologen en historische re-enactors nagemaakt om de oude schaatscultuur te beleven.
De schaatshistorici besteedden aandacht aan het werk van Jacobi: Wiebe Blauw (Van glis tot klapschaats) en E.J. Braakman (Gissen met glissen) namen zijn systeem over. Jacobi legde de basis voor de studie van de Nederlandse glissen. Nu, vijftig jaar nadat hij zijn scriptie had afgerond, liggen er duizenden glissen in Nederlandse depots, te wachten om bestudeerd te worden. Glissen blijven een belangrijk deel van de Nederlandse schaatscultuur.
|
Het Nationale Kampioenschap Glisrijden Op zaterdag 16 februari 1991 hielden de IJsvereniging Ezinge en de Stichting Museum Wierdenland het eerste Nationale Kampioenschap Glisrijden. Afb. 5 Deelnemers waren uitgenodigd om 12 uur op de glissen te komen trainen op de ijsbaan Ezinge voor de wedstrijd. De vijf paar glissen werden door vrijwilligers nagemaakt en uitgeprobeerd voor de wedstrijd. Deelname en toegang waren allebei gratis. Met slechts vijf paar glissen beschikbaar kon niet iedereen tegelijkertijd rijden. Dus werd er ‘één tegen één’ gereden.
Een bijzonder record In 1991 was het wereldrecord ongeveer 30 meter in 10,67 seconden. De prijs was een zilveren glis die oud-staatssecretaris J.F. Scherpenhuizen, voorzitter van de stichting, uitreikte. Helaas werd de naam van de winnaar niet in de krant gepubliceerd. De tweede keer In 1996 werd het kampioenschap weer gehouden. Robert-Jan Tel uit Groningen werd de winnaar, maar zijn tijd werd niet genoteerd. De archeoloog W.A. van Es, die vele glissen opgroef, nam op zijn eigen glissen deel aan de wedstrijd. Het museum wilde het kampioenschap jaarlijks houden, maar helaas werkte het weer niet mee.
Bronnen Museum Wierdenland. Middeleeuwse ‘glissen’ nagemaakt: Schaatswedstrijd op botten in Ezinge. In: Groninger gezinsbode 16.02.1991. Wereldrecord op botten. In: Nieuwsblad van het Noorden, 18.02.1991. Ina Vogel - Schaatsen op traditionele botten in Ezinge. In: Nieuwsblad van het Noorden, 12.02.1996. Bijschrift Afb. 5. Het Nationale Kampioenschap Glisrijden. Foto: Museum Wierdenland. |