De taal van schaatshistorie

 

Auteur Bev Thurber, 2025

For the ENGLISH translation click here

Toen ik met mijn onderzoek naar middeleeuwse schaatsen begon, dacht ik dat de vroegste hout-ijzeren schaatsen niet goed bestudeerd waren. Dat was fout: er was al veel geschreven, maar alleen in het Nederlands. In de Engelstalige literatuur over de geschiedenis van de schaats zijn Nederlandse bronnen onbekend.

Deze situatie gaat terug tot de 19e eeuw. George Herbert Fowler, Engels schaatshistoricus, schreef in 1897 ‘A Dutch book is a sealed book to most of us’.1 Zijn voorbeeld was het boek Schaatsenrijden van J. van Buttingha Wichers, dat in 1888 was uitgegeven. Dit boek blijft een van de beste boeken over schaatshistorie en is nog steeds zeker beter dan veel Engelstalige boeken daarover. In de Engelstalige boeken wordt hetzelfde verhaal steeds opnieuw verteld, ook met fouten die Buttingha Wichers al had gecorrigeerd.

Hardnekkige fout
Een voorbeeld is een gevecht uit 1572 waarin Nederlanders op schaatsen zouden zijn geweest.

Afb. 1. Nederlandse soldaten op schaatsen in een afbeelding uit de 19e eeuw van een gevecht
uit 1572.
St. Nicholas 19.4, februari 1892, pagina 244.

 

In zijn grote geschiedenis van het kunstrijden schreef Jim Hines ‘As the Spaniards retreated, Dutch musketeers on bladed skates surprised them by moving with the mobility skates provided. … Alva reportedly ordered seven thousand pairs of skates for his own troops, but no other known battle on skates ever occurred.’2

Buttingha Wichers had al aangegeven dat dit gevecht niet op schaatsen was. Hij ging terug naar de memoires van Bernardo de Mendoça, die schreef ‘Ze hadden een soort van sporen aan … met twee scherpe krammetjes, op een plankje met ijzer beslagen, dat in het holle en op den zool van de voet sluit, om zich zonder uitglijden op het ijs te kunnen staande houden, en zoo te lopen en te vechten’.3 Dit zijn ijssporen, geen schaatsen!

Fowler citeert deze passage in een voetnoot,4 maar dat was niet genoeg. Het verhaal van hoe de Nederlanders die Spanjaarden op schaatsen versloegen, wordt nog steeds verteld in de Engelstalige bronnen. Het Engelse Wikipedia-artikel over dit gevecht heeft het fout, ook al verwijst het naar een Engelse pagina op Schaatshistorie.nl waarin staat dat het ijssporen waren.5

De Engelstaligen zijn niet de enigen die schaatsen hebben willen zien waar dat niet aan de orde was. Dit soort misverstanden gaan helemaal terug naar de 15e eeuw, toen een Schiedams burgermeisje in plaats van schalootsen een paar schaatsen kreeg aangemeten.6 Het verschil is dat de Nederlandse schaatshistorici deze fouten corrigeren. Maar sinds meer dan 100 jaar hebben de auteurs van Engelse boeken fouten van het ene boek na het andere gekopieerd.

De Nederlandse schaatscultuur
Volgens mij ligt de oplossing in de Nederlandse schaatscultuur. In mei 2025 heb ik Nederland voor het eerst bezocht. Ik heb een fietstocht door het land gemaakt, leden van Stichting Schaatshistorie ontmoet en heel veel glissen en oude schaatsen gezien.

Afb. 2. Langs de Elfstedenroute bij Berlikum.

Op de fiets dacht ik vaak na over de Nederlandse schaatscultuur. Tijdens het fietsen, vooral langs de Elfstedenroute, kon ik me gemakkelijk voorstellen dat er schaatsers voorbij zouden komen.

Met Matthy van Klaveren volgde ik mijn fietsroute op oude kaarten met schaatsroutes. Deze kaarten tonen van heel Nederland een complex netwerk waarlangs kon worden geschaatst. Sommige van de kaarten tonen ook aanwijzingen: informatie over de stromingen onder het ijs en tips voor de veiligheid. Ze schetsen een beeld van een gemeenschap van schaatsers die door wateren waren verbonden.

De oude schaatsen die zoveel Nederlanders hebben - op zolder of in de schuur, in dozen, lades of vitrines - zijn herinneringen aan een samenleving. Een paar schaatsen was je toegangsbewijs tot die maatschappij. Nu zijn de winters niet meer streng genoeg om schaatsers via het ijs met elkaar te verbinden, dus worden ze verbonden door herinneringen aan schaatsen. Het verzamelen is een manier om erbij te horen. Dit zag ik bij de jubileumbijeenkomst in Hindeloopen en ook bij leden van Stichting Schaatshistorie thuis. Zo maakte Harry Karssies in zijn schuur een leuk museumpje met een grote tafel in het midden. Mensen kunnen daar elkaar ontmoeten: het is niet alleen een museum, maar tevens een ontmoetingsplaats voor de gemeenschap, ook als het niet om schaatsen gaat. Aad van den Ouweelen heeft op zolder een prikbord vol krantenknipsels over mensen met wie hij schaatste en een bord van een oude natuurijsbaan. Deze lijken me in de geest van de oude schaatscultuur.

Afb. 3. Het prikbord van Aad van den Ouweelen.
Zijn toelichting: ‘
Op het bord staan verslagen van interviews, actuele krantenartikelen over regionale schaatsers, zoals Angel Daleman. En veelal overlijdensadvertenties van schaatsers en IJsclubbestuurders die ik goed heb gekend. Hier leven ze nog een beetje voort.
Foto: Aad van den Ouweelen.

 

Die schaatscultuur blijft voor de meeste buitenlanders een geheim, net als de taal. In de grote musea - vooral die musea waar de bijschriften in het Engels zijn - zag ik weinig schaatsen. Toeristen krijgen er een glimp van in de IJszaal van het Fries Scheepvaart Museum en misschien via een paar glissen hier en soms een schaats elders.

 

De Nederlandse glissen

De glissen worden gepresenteerd als curiosa naast andere middeleeuwse artefacten; ze nodigen niet uit tot vragen, maar dat zouden ze wel moeten doen. Er werden in Nederland zoveel glissen gevonden dat de archeologen ze niet allemaal konden bestuderen. Iedere verzamelaar heeft er minstens één - Jan van Eijk vond er eentje in de sloot om zijn tuin! -  en er zijn er nog meer in de depots. In het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis liggen bijna duizend glissen in dozen, waar ze wachten om te worden bestudeerd.

Afb. 4 en 5. Al deze dozen zitten vol met glissen in het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis.

Wat deze glissen nodig hebben, is een grondig overzicht van de verschillende modellen. Daarmee begon H. W. Jacobi in 1976 met zijn scriptie De Nederlandse glissen, waarin hij 225 botten analyseerde. Dat was een goed begin, maar nu is een grotere analyse nodig. De moeilijkheid is dat de context voor de meeste glissen onbekend is: de archeologen weten niet hoe oud ze zijn en vaak ook niet waar ze zijn gevonden. Desondanks is er nog veel te doen over bottypes en hun modificaties. Dat betekent: er moet een goede kennis van de glismodellen worden opgebouwd.

Over schaatsen bestaat die kennis al, maar helaas verdwijnt die, vertelde Hans van der Donck mij toen ik het Westlands Schaatsmuseum bezocht. Er zijn steeds minder mensen die alle modellen kennen en weinig jongeren zijn geïnteresseerd om de informatie over te nemen of uit te bouwen. Dus is in het Westlands Schaatsmuseum een tentoonstelling ingericht om het verhaal van het schaatsen te vertellen. Ja, er zijn veel schaatsmodellen, maar er wordt op gelet dat bezoekers niet overweldigd raken door de ongelooflijke hoeveelheid schaatsen die in vitrines zijn gepropt. 

Belemmeren van de vooruitgang
‘A Dutch book is a sealed book to most of us’ geldt nog steeds vandaag. Zo’n boek mag niet alleen verzegeld zijn, maar ook volkomen onbekend. Een goed voorbeeld is Van glis tot klapschaats van Wiebe Blauw, dat twee onderzoekers in het Verenigd Koninkrijk totaal hebben gemist in hun onderzoek over de biomechanica van oude schaatsen.7 Voor een Nederlandse schaatshistoricus is dat een duidelijke misser (Niko Mulder had het meteen door), maar voor iemand die geen Nederlands kan lezen is het afgesloten.

Als voorbeeld geef ik de Canadese schaatsverzamelaar Jean-Marie Leduc aan. Zijn collectie van ruim 350-400 paar schaatsen – niet bijzonder groot voor een Nederlander – is in Noord Amerika bekend als de grootste ter wereld. Op het omslag van zijn boek Lace up: A history of skates in Canada werd hij 'the world’s foremost authority on skates’ genoemd. Zijn topstuk? Een schaats die hij als een Noors model uit 1452 had geïdentificeerd.8

Afb. 6. A Norwegian skate from 1452?! Schaatshistorie.nl.

Lezers van Kouwe drukte zullen onmiddellijk zien hoe hij de plank hier volledig mislaat. En zijn bewering over uit 15.000 jaar oude buffelbotten gemaakte glissen kan ik alleen maar als pure nonsens bestempelen.

De zogenaamde ‘middeleeuwse’ schaatsen van Jean-Marie Leduc

Afb. 7. Merkteken CG7: Verkeerd gelezen als C & Co.? Schaatshistorie.nl.

Op pagina 30 van zijn boek Lace up (2017) dat gaat over de ontwikkeling van de schaatsen door de eeuwen heen, schreef de Canadees Jean-Marie Leduc dat zijn schaatsen uit 1452 waren gemaakt door ‘the Staal Company’ en dat er een merkteken 'C & Co.' staat op het schaatsijzer.

De schaats in afb. 6 lijkt vrijwel identiek aan zijn schaatsen. Deze schaats is een Kampioenschaats uit ca. 1930 die door de firma C.G. Sieben & Co. werd gemaakt. ‘Staal’ staat op het schaatsijzer naast het merkteken ‘CG7’.
Las hij het merkteken verkeerd? Het lijkt een beetje op ‘C & Co.’ Dankzij Ed Braakman en Frits Locher biedt Schaatshistorie.nl waardevolle informatie over C. G. Sieben & Co.

Het getal 1452 zou het serienummer van de schaatsen kunnen zijn. Misschien interpreteerde Leduc dit nummer foutief als een jaartal. Hij zou niet de enige zijn om zo'n fout te maken. Ik heb zelf schaatsen op eBay gezien waarbij het serienummer werd gebruikt om ze als bijzonder oud te dateren.

Afb. 8. Nog een paar schaatsen uit de jaren 1450? Schaatshistorie.nl.

Leduc had een tweede paar schaatsen waarvan hij dacht dat ze uit de jaren 1450 kwamen. Opnieuw levert Schaatshistorie.nl een foto van een vrijwel identiek paar schaatsen, ditmaal Friese doorlopers gemaakt door Klaas Eeltje de Vries uit IJlst.

Leduc had gelijk dat deze schaatsen ongeveer even oud zijn als zijn eerste paar, hij zat er slechts circa 500 jaar naast. Spijtig dat hij door het serienummer misleid werd!

Met dank aan Frits Locher voor de foto’s en informatie.

Ondanks deze fouten is zijn collectie interessant vanwege hoe het van de collecties van Nederlanders verschilt. Leduc verzamelde wat hij ‘personality skates’ noemde: schaatsen die door een beroemd persoon werden gebruikt. Daarom vertelt zijn collectie verhalen over schaatsers, niet over de ontwikkeling van de schaats of het schaatsen. Zulke verhalen zijn vaak niet het doel van Nederlandse verzamelaars, maar ze komen ook voor in Nederland, bijvoorbeeld in het Fries Scheepvaart Museum. In de IJszaal ligt het paar schaatsen waarop Pieter Koopman in 1763 op één dag van Den Haag naar Leeuwarden schaatste.

Afb. 9. De schaatsen van Pieter Koopman in het Fries Scheepvaart Museum.

Meer informatie over deze tocht is beschikbaar op Schaatshistorie.nl.

Er zitten meer verhalen zoals deze in de Elfstedenkamer van het Eerste Friese Schaatsmuseum in Hindeloopen. Elke Elfstedenrijder heeft zijn eigen verhaal over de tocht, bijvoorbeeld het verhaal van Harry Karssies in Kouwe drukte 84. Dit is wat de tegeltjesbrug in Gytsjerk laat zien: kleine blauwe foto’s van rond 7000 Elfstedenrijders vormen samen één grote afbeelding van de Elfstedentocht.

Afb. 10. De tegeltjesbrug in Gytsjerk.
Foto: Harry Karssies.

Met Harry bezocht ik de tegeltjesbrug en zag ik hoe deze foto’s samen het schaatserfgoed symboliseren in een netwerk van mensen, dat parallel loopt aan het netwerk van routes op de kaarten van Matthy.

Helaas kreeg Leduc geen kans om deel uit te maken van dit netwerk. De Nederlandse verzamelaars waren hem onbekend: in een interview met de Ottawa Citizen zei Leduc dat hij nooit iemand had ontmoet die een grotere collectie had of meer over schaatsen wist dan hij.9 Hoe eenzaam moet hij zijn geweest! Jammer dat hij Stichting Schaatshistorie nooit had gevonden. Op 12 augustus 2024 overleed hij.

Hobbels
Zonder kennis van het Nederlands is schaatshistorie meestal gesloten. En zelfs met zulke kennis kan het moeilijk zijn om informatie te vinden buiten Nederland. Omdat ik in Chicago woon, geeft Google mij vaak de tip ‘Search for English results only’ en verbergt de Nederlandse resultaten, zelfs als ik mijn zoekwoorden in het Nederlands schrijf. Ik had het geluk dat ik op Schaatshistorie.nl stuitte en Stichting Schaatshistorie vond.

Deze situatie is vergelijkbaar met onderzoek naar glissen in de jaren zeventig. Arthur MacGregor, een van de helden van glissen, schreef:

‘The fact that archaeology and ethnology had useful things to say to each other became obvious from the beginning of my interest in animal bones. Having gathered references to archaeological works which “proved” scientifically that certain polished bones from the early medieval period were used in leather working, I was fortunate to discover a more extensive and persuasive ethnographical literature which showed the same objects to be ice skates, in regular use in certain communities up to the present century.’10

Deze objecten waren glissen. Ook schaatsen werden soms verkeerd geïnterpreteerd of blijven onbekend buiten Nederland.

Nederlands is een must
Het idee bestaat dat iedereen die Engels kent, geen Nederlands hoeft te leren omdat alle Nederlanders Engels kunnen praten. Dat mag goed genoeg zijn voor toeristen en mensen met een oppervlakkige interesse in schaatshistorie, maar de echte nerds moeten ten minste Nederlands leren lezen. Anders missen ze te veel, vooral bij oudere bronnen zoals Buttingha-Wichers. Het archeologische onderzoek wordt gesteund door Nederlandse belastingbetalers die, volgens James Kennedy, een Amerikaans historicus die het Nederlands voortreffelijk beheerst, ‘recht [hebben] op onderzoeksresultaten in mooi Nederlands proza, en deels omdat wetenschappers niet vervreemd moeten raken van de Nederlandse samenleving.’11

Desondanks is een verschuiving van het Nederlands naar het Engels in de wetenschappelijke literatuur zichtbaar: de oudere archeologische rapporten zijn meestal in het Nederlands, de nieuwere vaak in het Engels. Glissen en oude schaatsen krijgen hun eerste - en soms enige - vermelding in deze rapporten, vaak zonder details. De details zijn bijna uitsluitend te vinden in Nederlandse bronnen zoals Kouwe drukte. Zoals de wereld leerde van Hans Brinker, is schaatsen een deel van het Nederlandse culturele erfgoed. 

Dit artikel moet eindigen met een oproep tot actie. Maar die is niet gericht aan jullie, die al Nederlands kunnen lezen. Het is voor die mensen die Nederlands nog niet kennen. Alle schaatshistorici moeten Nederlands leren, precies zoals de archeologen hebben geleerd om etnografische bronnen te gebruiken. Jullie kunnen helpen door genoeg onderzoek in het Engels beschikbaar te stellen, zodat Engelstalige lezers nieuwsgierig worden naar de Nederlandse bronnen. Het Engels mag de internationale taal zijn, maar het Nederlands blijft de taal van de schaatshistorie.

Bronnen

In een andere vorm werd dit artikel in Kouwe drukte 83 (mei 2025) en 85 (december 2025) gepubliceerd.

  1. G. Herbert Fowler - On the outside edge, 2018 [1897], p. 26.
  2. James R. Hines - Figure skating: A history, 2006, p. 19.
  3. J. van Buttingha Wichers - Schaatsenrijden, 1888, p. 86.
  4. G. Herbert Fowler - On the outside edge, 2018 [1897], p. 32.
  5. Wikipedia  Battle of IJsselmeer
  6. Niko Mulder - Lidwina - op schaatsen of schalootsen. In: Kd77, 2023.
  7. Federico Formenti en Alberto E. Minetti - Human locomotion on ice: The evolution of ice-skating energetics through history. In: Journal of experimental biology 210: 1825–1833, 2007.
  8. Jean-Marie Leduc - Lace up: A history of skates in Canada, 2017, p. 25, 30-31.
  9. Ottawa man's 'unique' skate collection sharpest thing on ice. In: Ottawa Citizen 16 januari 2015.
  10. Arthur MacGregor - Bone, antler and horn: An archaeological perspective. In: Journal of museum ethnography 2: 28–38, 1991, p. 29.
  11. James Kennedy - In het Engels vloeken lukt beter dan spreken. In: Trouw, 13 juli 2013.
Bovenkant van de pagina