Het woord schaats

Scaetse, schoverling, skeuvels enz.

Auteur Wiebe Blauw

De eerste schaatsen in de 13e eeuw werden nog niet aangeduid met het woord schaats. In de Middelnederlandse taalperiode tussen 1100 en 1500 komt het woord scaetse wel voor, maar niet in de betekenis van de huidige schaats. Het woord ‘scaet­se’ had in die periode verschillende betekenissen: stelt, houten been of kruk om op te steunen bij het lopen, dikke zool onder de schoen of schraag en schoorhout voor timmerlieden. Dit Middelnederlandse scaetse is afgeleid van het Midden-latijnse woord ‘scacia’, dat stelt betekent en later in diezelfde betekenis wordt teruggevonden in het Franse ‘échasse’, het Engelse ‘scatches’ en het Nederduitse ‘skak’.

Wanneer het woord schaats in de huidige betekenis van glijdend object over ijs is ontstaan, is niet geheel duidelijk. In 1551 bestaat er reeds een schaatsenmakersgilde in Amsterdam. Ook wordt het woord gebruikt in een dagverhaal rond het beleg van Haarlem in de maand januari van 1573. Maar in dit zelfde verhaal wordt ook het woord ‘schoverlingh’ gebruikt om een schaats mee aan te duiden.

Het Woordenboek van Plantijn van 1573 geeft voor ‘schaetse’ nog de betekenis van stelt, maar in het Woordenboek van Kiliaan (Cornelis Kiel) van 1599 worden de volgende woorden voor schaats aangegeven: ‘schaetse’, ‘schoverlinck’, ‘schaverdijne’, ‘schuyverdijne’ en ‘schrickschoen’. Uit vergelijking van deze gegevens kan worden opgemaakt dat het woord schaats zijn huidige betekenis heeft gekregen in het laatste kwart van de 16e eeuw. De naamgeving valt samen met de overgang van het Middelnederlands naar het Nieuwnederlands. Het Nieuwnederlands stond toen sterk onder invloed van de dominante Vlaams-Brabantse (taal)cultuur en het is dus goed mogelijk dat het woord schaetse in de betekenis van schaats uit Vlaanderen afkomstig is.

Zoals blijkt uit het Woordenboek van Kiliaan bestonden er rond 1600 verschillende synoniemen voor het woord schaats. De woorden schaverdijn, schoverling en schrickschoen zijn wel Middelnederlandse woorden voor de aanduiding van een schaats en werden waarschijnlijk in die betekenis in de 15e eeuw gebruikt. Met welk woord in de 13e en 14e eeuw een schaats werd aangegeven blijft nog onduidelijk. Een tekst uit de 16e eeuw over Maria van Bourgondië (1458-1482) laat haar schaatsen op ‘schrickschoens’ en ‘schaverdeynen’. In een tekst van Vaernewijck uit 1574 wordt eveneens op ‘schaverdeynen’ geschaatst. Schaverdijne en schuyverdijne zijn woorden die afgeleid zijn van een activiteit, namelijk zich snel verwijderen. Schrickschoen wordt wel verklaard als schoeisel waarmee men in korte tijd een grote afstand kan afleggen. Het werkwoord ‘schricken’ betekent met grote passen lopen. In deze betekenis kan men zich direct het verband met de schaats voorstellen. Schoverling is in het laatste kwart van de 18e eeuw nog steeds synoniem aan schaats.

Tot slot is wel gesuggereerd dat het woord ‘scalootse’ of ‘scolootse’ of ‘scoeltse’ het oudst bekende Middelnederlandse woord voor schaats is.

In de Middelnederlandse tekst Tleven staat geschreven: ‘Ghinc si op scoloetsen met haer even oude maechden opt ijs spelen.’ Volgens Groenendaal zouden deze scoloetsen geen schaatsen geweest zijn, maar klompschoenen en is het woord afgeleid van het Franse galoche, dat stelt betekent. In een keur uit die tijd, waarin het woord scalootzen voorkomt, vindt Groenendaal bewijs voor zijn opvatting: ‘Die begijnen en sullen gien scalootzen dregen binnen den hove dan binnen haren husen.’

Het is inderdaad niet waarschijnlijk dat hier schaatsen bedoeld worden, maar eerder verhoogde schoenen om door de sneeuw of modder te lopen, want niemand zal het in zijn hoofd halen om voor zijn plezier op schaatsen over een vloer te lopen. Er is weliswaar in het boek van Brugman, dat in 1498 wordt gedrukt, een afbeelding te zien van Lidwina waarop zij schaatsen aan de voeten heeft, maar in de begeleidende Latijnse tekst bij die afbeelding wordt gesproken van ‘sandalia’, hetgeen dus eerder verwijst naar schoeisel om op te lopen. De afbeelding is naar alle waarschijnlijkheid een vrije interpretatie van de kunstenaar geweest. Als afbeelding van een schaats uit 1498 heeft de tekening wel waarde. Ook in het woordenboek van Kiliaan uit 1599 komt het woord scolootse of scalootse niet in de betekenis van schaats voor, zodat ten zeerste betwijfeld moet worden aan de betekenis ervan voor schaatsen.

In de 17e en de 18e eeuw heeft het woord schaats de hiervoor genoemde aanduidingen voor schaats langzaam verdrongen.

Naast het Nederlandse woord schaats komen er verschillende streekgebonden benamingen voor van schaats. In het Friese taalgebied spreekt men van reed (meervoud redens). De herkomst wijkt volkomen af van het Nederlandse schaats. De meeste andere dialecttalen in het land hanteren afbuigingen van het Nederlandse schaats. In Groningen en Drenthe spreekt men van scheuvel, in Overijssel en Gelderland van schaatsens en skeuvels, in het Zaankanters worden skaas, skees en schees aangetroffen. In de Hollandse provinciën worden schaatsen in de 17e eeuw ook wel schrenckel-schoen, Hollandse muil en klompen-telder genoemd. Volgens Meijerman zouden deze woorden al in de 15e eeuw gebruikt zijn. Het zijn alle aanduidingen van schoeisel en het is niet ondenkbaar dat de woorden door aanduidingen van buitenlandse bezoekers zijn ontstaan, omdat zij immers het begrip schaats in eigen land niet kenden.

Daarnaast komen er diverse literaire aanduidingen van schaatsen voor, zoals bijvoorbeeld ijzeren wieken en ijzeren schuivers.

Het ziet er naar uit dat het woord schaats in de huidige betekenis van schaats een geëvolueerde begripsaanduiding is geweest voor een object dat veel leek op reeds bestaand schoeisel met een verhoging. In de 12e eeuw werd in Nederland en Vlaanderen al verhoogd houten schoeisel gebruikt in de vorm van trippen.

De trip is een houten voetstapel met verhogingen onder de hak en de zool. Later worden trippen aangetroffen met een boogvormige metalen verhoging onder de stapel. Trippen werden gebruikt om het contact met straatvuil, natte sneeuw of modder te vermijden. Archeologische vondsten van een trip vertonen ook morfologisch overeenkomst met archeologische schaatsvondsten. Toch zijn er geen taalkundige overeenkomsten tussen trip en schaats. Dat duidt erop dat de Oudnederlandse schaats (scaetse) als schoeisel een ander doel diende dan de trip.

Bronvermelding

Het artikel 'Het woord schaats' is geschreven door Wiebe Blauw, begunstiger (lid) van De Poolster.
Het is eerder verschenen in zijn boek 'Van Glis tot Klapschaats' (2001)

Lees verder

Bovenkant van de pagina