Schaatsgeschiedenis Buitenland

  1. Duitsland
  2. Engeland
  3. Frankrijk
  4. Scandinavië en Rusland
  5. Midden Europa
  6. Noord Amerika

 

Auteur Wiebe Blauw

Zoals bij "Oorsprong van de schaats" is aangegeven is het zo goed als zeker dat het schaatsen in de Lage Landen is ontstaan. Dat betekent ook dat hier de eerste schaatsen zijn gemaakt en verder zijn ontwikkeld. Na verloop van tijd werd het schaatsen ook in andere landen gemeengoed, vaak naar het voorbeeld van de traditie uit de Nederlanden. Langzamerhand ontstonden in verschillende Europese landen eigen schaatstradities, zowel in de stijl van rijden als in de daarop afgestemde constructie van de schaats. Om de invloed vanuit het buitenland op de ontwikkeling van de Nederlandse schaatsen te kunnen traceren, wordt hieronder in vogelvlucht het schaatsen in Europa en in Noord-Amerika behandeld.

Duitsland

Het schaatsen in Duitsland dateert waarschijnlijk uit de 15de eeuw. De Duitse kroniekschrijver Olaus Magnus (1490-1550) schrijft dat ‘sommigen een glad ijzer of glis onder de zool binden’, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in die periode de glis en de houten schaats naast elkaar gebruikt werden. Door de minder gunstige geografische gesteldheid van Duitsland is het schaatsen evenwel nooit op grote schaal beoefend. Pas in de loop van de 18de eeuw werd het schaatsen als vrijetijdsbesteding meer algemeen.

Schaatsenrijden deed men veelal op vijvers en meertjes. Dat is van invloed geweest op de schaatsstijl in Duitsland. Modellen die uit de 18de eeuw bekend zijn waren weliswaar geënt op de Hollandse krulschaats, maar ze waren vaak korter van uitvoering en vrij rond geslepen om wendingen op kleine banen mogelijk te maken. Dichters als Friedrich Gottlieb Klopstock (1724-1803) en Johann Wolfgang Goethe (1749-1832) schreven heroïsche en romantische gedichten over het schaatsenrijden. De Noordduitser Klopstock gaf de voorkeur aan Friese schaatsen terwijl zijn vriend Goethe uit Midden-Duitsland de Hollandse krulschaats prefereerde. Zij droegen er in belangrijke mate aan bij dat het schaatsen in Duitsland aan het eind van de 18e eeuw volkssport werd.

Een meer didactische beschrijving van het schaatsen liet de pedagoog Johann Christoph Gutsmuths (1759-1839) volgen in 1793 met zijn

Gymnastik für die Jugend, dat tevens de basis legde voor het turnonderwijs in Duitsland. Een jaar later werkte de wiskundeleraar Gerhard Ulrich Anton Vieth de lessen van Gutsmuths uit in zijn Versuch einer Enzyklopädie der Leibesübungen, waarin hij niet alleen de schaats beschrijft maar ook een aantal kunstrijfiguren. Alleen in de moerasgebieden van Oost-Friesland in het noordwesten van Duitsland en in het stroomgebied van de Spree ten zuidoosten van Berlijn konden tochten gemaakt worden. De schaatsen die daar gebruikt werden waren over het algemeen langer en rechter geslepen.

Tijdens en na de Napoleontische oorlogen zit er weinig ontwikkeling in het schaatsen in Duitsland. In 1860 brengt de Duitse vertaling van het boek The Art of Skating van Cyclos (pseudoniem voor George Anderson, voorzitter van de Glasgow Skating Club) een revival teweeg in het Duitse schaatsen.

De Duitse schaatsenmakers kwamen in drie gebieden voor. In de staalstad Remscheid in het Roergebied zijn vanaf het begin van de 18e eeuw zeer veel schaatsen gemaakt. Aanvankelijk werden de schaatsen nog ambachtelijk gemaakt, maar in de loop van de 19e eeuw werd de productie machinaal en in fabrieken ter hand genomen. Deze productie was voornamelijk gericht op de export naar andere Europese landen (waaronder Nederland) en Noord-Amerika. In Oost-Friesland en in het Spree­stroom­ge­bied werden schaatsen alleen gemaakt door dorpssmeden ten behoeve van de lokale markt. Een aantal Duitse schaatsenmakers heeft zich bij de keuze van hun fabriekstekens laten inspireren door de symbolische vergelijkingen met ‘pijlen’ en ‘vleugels’ die de dichters uit de 18e eeuw zagen in het schaatsen.

Engeland

Het glijden op glissen wordt in Engeland al beschreven in de 12e eeuw door Fitzstephen, de secretaris van aartsbisschop Thomas Becket. James Eccleston schrijft in 1483 in de inleiding van English Antiques, dat de glissen waarvan de inwoners van Londen zich bedienden ‘nog onlangs’ vervangen zijn door ‘echte’. De Duitse schrijver van sporthistorische boeken Heinz Polednik veronderstelt, en naar wij denken met reden, dat hiermee Hollandse schaatsen zijn bedoeld. Van het gebruik van houten schaatsen wordt in de Engelse schaatsliteratuur pas in de 17e eeuw gewag gemaakt. Schaatsen wordt waarschijnlijk aan het eind van de 16e eeuw in Engeland geïntroduceerd in het Fen District (Lincolnshire) door Franse en Vlaamse vluchtelingen. Tot in de 20e eeuw werden schaatsen hier nog ‘pattern’ genoemd naar het Franse woord patin voor schaats.

Engelse hardrijder in de voorovergebogen 'Fen-stijl', afkomstig uit het Fendistrict (Cambridgeshire) ten noordoosten van London. De schaatser werd door de constructie van de schaats gedwongen zich voorover te buigen en dus vooruit te willen, omdat bij de Engelse hardrijschaats uit de 19e eeuw het ijzer van de schaats naar achteren toe hoger opliep. Omdat de schaatser noodgedwongen vooruit wilde, werd de schaats ook wel G0-aheadschaats genoemd.


Het Fen District bestond vroeger uit uitgestrekte moerasgebieden, die na het regenseizoen in de herfst, in de winter in ijsbanen veranderden. Rond 1620 werd de Nederlandse ingenieur Cornelis Vermuyden naar het District gehaald om het moerasachtig gebied in cultuur te brengen door het te bemalen. Zo ontstond een polderland met vele, soms lange afvoerkanalen. Vermuyden rekruteerde voor de uitvoering van zijn plannen werklieden onder de Fransen en Vlamingen en liet vervolgens ook Nederlandse werkers naar Engeland overkomen, die zich ’s winters, als het werk stil lag, met schaatsen vermaakten. Het buitenoverrijden van de Hollanders werd aanvankelijk door de autochtone bevolking overgenomen. Maar de ruw geaarde Fenbewoners transformeerden deze stijl – misschien als reactie op de nieuwkomers – langzaam tot een hardrijstijl.

Ook de Hollandse krulschaats, die sierlijk oogt, werd waarschijnlijk in de 17e eeuw omgebouwd tot een eigen schaatsmodel: de Whittlesea runner, genoemd naar het stadje Whittlesea in het centrum van het Fen Disctrict. In het Fen District werden vanaf de 18e eeuw tochten gemaakt. Het gebied dat tijdens een zachte winter vrijwel onbegaanbaar was, werd met de bevroren kanalen voor schaatsers wel toegankelijk. Ook op de meren van Cumberland (Lake District) in het westen van Engeland en op de meren van Wales werden langere afstanden gereden, maar in mindere mate.

Naast de introductie van het schaatsen in Engeland in het Fen District in het begin van de 17e eeuw, wordt via een andere weg het schaatsen in Londen bekend, namelijk vanwege de relatie van het Engelse koningshuis met de Oranjes. De zoon van de Engelse koning James II, Monmouth, leerde omstreeks 1660 onder begeleiding van zijn nicht prinses Mary in Nederland het kanaalschaatsen. Als wederdienst gaf hij Nederlandse dames van stand les in de Engelse Country Dance. Door het huwelijk van Mary met Willem III werd de schaatssport in Londen verder verbreid. Tijdens schaatswinters werd er door leden van het Engelse Hof op de Londense parkvijvers geschaatst, vaak in aanwezigheid van Nederlandse vissers en handelaren waarvan de schepen in de Londense haven vastgevroren lagen. Aangezien de omvang van de vijvers beperkt was, werd hier vooral sierlijk geschaatst. In Engeland wordt in de 18e en 19e eeuw een eigen kunstrijstijl ontwikkeld, die neigt naar technische perfectie.

In Engeland werden in de 18e eeuw vooral schaatsen gemaakt in het staalcentrum Sheffield door fabrieken die zich toelegden op de productie van allerlei staalwaren. In het Fen District waren het voornamelijk dorpssmeden die schaatsen maakten.

Frankrijk

Aangenomen wordt dat de Fransen sinds de 16e eeuw schaatsenrijden. Volgens overlevering zou koning Hendrik II in 1548 zijn maitresse Diana van Poitiers, zeer tegen de zin van zijn vrouw Maria de Medici, het schaatsen hebben geleerd. Het handelsverkeer en culturele uitwisseling met de Nederlanden zal ervoor gezorgd hebben dat de Fransen het schaatsenrijden van de noorderburen overnamen. Schilderijen van Gillot, Watteau, Lancret en Boucher getuigen van een zekere schaatstraditie in de 17e en de 18e eeuw.

In Frankrijk was men evenwel aangewezen op vijvers en kleine meertjes om te kunnen schaatsen. Het schaatsen was in die periode voorbehouden aan edelen en hovelingen, die tot de machtselite van Frankrijk behoorden. Heel geleidelijk raakte het schaatsenrijden verspreid onder een breder publiek.

De sport kwam echt tot ontwikkeling met steun van Lodewijk XVI. Zijn vrouw Marie Antoinette was een verdienstelijk kunstrijdster. Hierdoor werd het kunstrijden in Frankrijk een elitesport, het gewone baanrijden was het domein van de plattelandsbevolking. In 1791 ontsnapte Napoleon Bonaparte, die toen student was aan de Ecole Militaire, ternauwernood aan de verdrinkingsdood toen hij schaatste op de grachten van het Fort van Auxerre en door het ijs zakte.

In het begin van de 19e eeuw lag sterk de nadruk op de artistieke uitvoering van het kunstrijden. Een aantal kunstrijders verenigde zich in een demonstratieclub, de Gilets Rouges (genoemd naar hun rode jasjes). Het Franse kunstrijden was in die tijd verweven met avontuurlijke kunsten en acrobatische toeren op het ijs. In 1812 schreef J. Garcin (zelf een Gilet Rouge) een boek over kunstrijden onder de titel Le Vrai Patineur. Het boek wordt niet opgedragen aan een sporter, maar aan Mademoiselle Gosselen, première danseuse van de Keizerlijke Muziekacademie. Het is tekenend voor de Franse benadering van het kunstrijden, waarbij de artisticiteit de boventoon voert. Garcin voegt tal van nieuwe figuren toe aan het reeds bestaande scala.

Uit "Le vrai patineur", 1812

De schaatsen die in Frankrijk gebruikt worden, vertonen vaak hoge krullen om extra joie de vivre te geven aan het schaatsen. Garcin heeft overigens in Parijs nog een speciale rolschaats ontworpen, waarschijnlijk om zich ook buiten de winterperiode met zijn geliefde sport te kunnen bezighouden.

Over het maken van schaatsen in Frankrijk zijn geen gegevens bekend.

 

Scandinavië en Rusland

In veel schaatshistorisch werk wordt Scandinavië en in het bijzonder Noorwegen beschouwd als de bakermat van het schaatsen. Daarbij beroept men zich op teksten uit de Edda, een op IJsland in de tweede helft van de 12e eeuw samengestelde verzameling van Oud-noorse goden- en heldenliederen. Deze teksten zijn evenwel doorregen met allegorische vergelijkingen en symbolische verwijzingen en connotaties, en niet gebaseerd op wetenschappelijk vastgestelde gegevens. In de tekst wordt wel gesproken over het ijs­lo­pen, maar waarschijnlijk wordt daarmee geduid op een primitieve langlaufski.

In Scandinavische landen (Finland, Noorwegen en Zweden) en Rusland is sprake van veel overeenkomst waar het de ontwikkeling van het schaatsen betreft. Scandinaviërs en Russen beschikken over uitgestrekte merengebieden. Zij hebben bovendien te maken met lange en vaak strenge winters. De condities voor het ontwikkelen van een schaatstraditie zijn volop aanwezig.

Toch stond het schaatsen in Scandinavië en Rusland ver in de schaduw bij het schaatsen in Nederland. De aanwezigheid van overvloedige sneeuw in het winterseizoen is daaraan debet. Het sneeuwvrij maken van schaatstrajecten in dunbevolkte gebieden is onbegonnen werk, te meer omdat er dagelijks sneeuw bij kan vallen. De aanwezigheid van de sneeuw hebben de Scandinaviërs en in mindere mate de Russen benut door vanaf de late middeleeuwen het skiën en het langlaufen te gebruiken als middel van vervoer. Nog heden ten dage overtreft het aantal skiërs en langlaufers de actieve schaatsbeoefenaren ver in aantal.

Diagram van het verschil in streken tussen een Noorse schaats, een Engelse Fenschaats en een Friese schaats

Doordat de Scandinaviërs en Russen vanwege de sneeuw altijd zijn aangewezen op kleine sneeuwvrij gemaakte banen is het kunstrijden er, maar op kleine schaal, vanaf de 18e eeuw beoefend. Dit kreeg een extra impuls onder invloed van de komst van de Amerikaanse kunstrijder Jackson Haines naar Oslo, Stockholm en St. Petersburg, waar hij tussen 1865 en 1870, naast vele andere Europese hoofdsteden, demonstraties gaf in het kunstrijden. In Zweden verscheen met het vertaalde boek van Cyclos het eerste boek over schaatsen in de Zweedse taal. Onder invloed van Haines, die in 1865 vanuit Stockholm een jarenlange schaatstour maakte langs hoofdsteden in Noord- en Centraal-Europa, werd het kunstrijden in Zweden een echte volkssport. In Noorwegen kreeg het schaatsen vanaf 1880 een belangrijke impuls door Axel Paulsen die zowel in het kunstrijden als in het hardrijden zeer bekwaam was.

De Russen, die Haines ontvingen in St. Petersburg, apprecieerden diens verrichtingen enorm. Wellicht bracht zijn stijl bij de Russen, die cultureel op Frankrijk georiënteerd waren, die van de Gilets Rouges in herinnering. Haines raakte zelfs bevriend met tsaar Alexander II. Nadien vonden regelmatig ijsfeesten plaats op de Neva in aanwezigheid van de keizerlijke familie.

Vanaf 1885 werden er regelmatig internationale wedstrijden georganiseerd, waaraan werd deelgenomen door Noren, Amerikanen, Engelsen, Duitsers, Russen en Nederlanders. Nadat de ISU in 1892 de reglementering ter hand had genomen werd het langebaanschaatsen een officiële wedstrijdsport. Met name door de successen van de Noren Axel Paulsen en Carl Werner kreeg de sport in Scandinavië groot aanzien. Paulsen geldt als de ontwerper van de hoge noor.

Na 1880 won het hardrijden ook in Rusland aan populariteit. De Rus Alex von Panschin plaatste het Russische hardrijden op de internationale agenda.

In Noorwegen en Zweden werden in de 19e eeuw aanvankelijk ambachtelijke houten schaatsen gemaakt. Vanaf 1885, als de populariteit van zowel het kunstrijden als het hardrijden is toegenomen, wordt de productie meer fabrieksmatig ter hand genomen. Met name naar de hoge noor was grote vraag, ook vanuit het buitenland.

Midden Europa

Met name in Wenen, waar Haines in 1865 kunst­reed op muziek van Johann Strauss, maakte hij furore met zijn interpretaties op het ijs van een wals, een mazurka, een mars en een quadrille. Zijn bezoek aan Wenen echode na in de oprichting van de Weense Schaatsclub in 1867. Er ontstond een eigen Weense school, die later het uitgangspunt vormde voor het internationale kunstrijden onder leiding van de ISU. Niet alleen voegde Haines nieuwe figuren toe aan de tot dan bestaande figuren (o.a. de sitting spin), ook ontwierp hij een speciale schaats, die decennia lang werd gebruikt door kunstrijders.

In Midden-Europa ontstonden slechts enkele schaatsenfabriekjes die voornamelijk kunstschaatsen maakten.

Noord Amerika

Zowel in Canada als de Verenigde Staten werd het schaatsen ingevoerd door de komst van Engelse troepen. Als beginpunt voor Canada wordt de Engelse overname in 1713 van het Franse Nova Scotia gezien. In de Verenigde Staten wordt het begin gelegd bij de komst van Britse legerofficieren in Philadelphia rond 1750. Eén van de eerste vooraanstaande Amerikaanse schaatsenrijders in de tweede helft van de 18de eeuw was Benjamin West, de latere president van de Royal Academy. West had op 24-jarige leeftijd in Londen kennis gemaakt met het schaatsen.

De Amerikaanse hardrijder Joseph Donoghue, die in 1891 in Amsterdam de eerste officieuze wereldkampioen werd, in de moderne hardrijstijl.

In de loop van de 19e eeuw werd de schaatssport steeds meer tot volkssport verheven. E.V. Bushnell uit Philadelphia ontwierp in 1848 de eerste compleet metalen schaats, die van grote invloed zou worden op het kunstrijden. Een eveneens revolutionaire vinding was die van de Canadees Forbes uit Halifax (Nova Scotia) in 1865. Zijn schaats kon door middel van een hevelsysteem de schoen aan de schaats vastklemmen. In de 19e eeuw werden tal van nieuwe kunstschaatsen ontworpen die de prestatie van de kunstrijders moesten verbeteren. Voor elke kleine nieuwe aanpassing werd patent aangevraagd.

Naast het kunstrijden werd in Noord-Amerika ook over lange afstanden gereden. In 1878 legde John Ennis in Chicago een afstand van 100 mijl af in 11 uur en 37 minuten en de 145 mijl in minder dan 19 uur. In 1879 werd in Amerika het eerste kampioenschap over 10 en 20 mijl gehouden met als winnaar G.D. Phillips. In het laatste kwart van de 19de eeuw kwam het hardrijden opzetten. In 1891 werd de Amerikaan Joseph F. Donoghue de eerste officieuze wereldkampioen lange baan bij de amateurs in Amsterdam.

Vanaf 1850 nam de schaatsfabricage in Noord-Amerika toe. Aanvankelijk werden voornamelijk kunstschaatsen gemaakt, maar na de successen van de Amerikaans hardrijders na 1880 werden ook hardrijdschaatsen gemaakt.

Bronvermelding

Het artikel 'Schaatsgeschiedenis Buitenland' is geschreven door Wiebe Blauw, begunstiger (lid) van De Poolster.
Het is eerder verschenen in zijn boek 'Van Glis tot Klapschaats' (2001)

Lees verder

Bovenkant van de pagina