Schaatsenmakers- en verkopers Duitsland

Inleiding

In Duitsland zijn de afgelopen paar honderd jaar zeer veel schaatsen gemaakt. Dat gebeurde zowel in lokale smederijen als in fabrieken naast andere metaalproducten zoals scharen, messen, (tuin)gereedschap. De meeste waren gelegen in Remscheid en omgeving (in de regio het Bergisches Land ten zuiden van het Ruhrgebied). Ook waren er fabrieken - met name vanaf het midden van de 19e eeuw - die zich uitsluitend richtten op het maken van (rol)schaatsen, zoals de firma J. P. Becker jr. uit Remscheid.

Andere gebieden in Duitsland waar schaatsen werden gemaakt door veel lokale smederijen, waren Ost-Friesland en het Spreewald (deelstaat Brandenburg) ten Zuid-Oosten van Berlijn. Ook in andere plekken zoals Darss aan de Oostzeekust en Stuttgart werden schaatsen gemaakt.

 

Voor informatie over de diverse Duitse schaatsenmakers - en verkopers klik hier

Voor afbeeldingen uit voorbeeldboeken (Musterbuchs) van de Duitse schaatsenmakers klik hier

Schaatsenmakers Remscheid en omgeving, Inleiding

Remscheid en directe omgeving was eeuwen lang het centrum van de productie van schaatsen in Duitsland. Vanaf rond 1900 tot begin eerste wereldoorlog in 1914 gold zij zelfs als "die Schli­tt­schuhschmiede der Welt". Nadien werd haar positie (inter)nationaal steeds zwakker en nam het aantal schaatsenma­kende bedrijven sterk af tot op dit moment geen enkele meer.

De opkomst en ondergang van Remscheid en omgeving als belang­rijkste centrum in Duitsland voor de productie van schaatsen ging gelei­de­lijk en in diverse fasen.

Dat in Duitsland juist in Remscheid en omgeving de schaatsin­dustrie in grote omvang plaatsvond, kwam omdat daar alle voorwaarden ervoor aanwezig waren. Voor de productie vereiste onderdelen en deelbewerkingen konden er worden verzorgd. Zo hadden de walsmachines van de diverse bedrijven reeds vele profielen die de schaatsindustrie nodig had voor de vervaardi­ging van de glijijzers. In de reeds bestaande (huis)industrie voor houtbewer­king konden de schaatshouten worden gemaakt.

Schaatsenmakers Remscheid en omgeving: De aanloop, 1710 - 1805

Veel informatie over het vervaardigen van schaatsen in Remscheid en omgeving zijn bijeengebracht door Gerhard Esser en door hem vastgelegd in zijn boek Remscheids Weg zur Schlittschuhschmiede der Welt, uitgave Stadtarchiv Remscheid in 1978. De inhoud van dit boek is een belangrijke bron geweest voor de hierna volgende tekst.

De eerste vermeldingen van het vervaardigen van schaatsen in Remscheid en omgeving dateren uit de periode 1710 - 1730.
In die tijd, maar ook lang daarna vond de produktie van  schaa­tsen plaats in kleine ijzersmede­rijen. Behalve schaatsen werden ook zeer veel andere produkten in dergelijke smederijen gemaakt.

Zo konden omstreeks 1750 de kleine bedrijven worden onderver­deeld in 30 productiegroepen die 400 verschillende artikelen maakten. Twee van deze produktiegroepen waren schaa­tsensmede­rijen ("Schrickschuhschmiede") en bedrijven die schaatshouten maken ("Schrickschuhhölzer").

In de periode vanaf 1750 tot 1800 nam het aantal kleine ijzer­smederijen in Rem­scheid en omgeving enorm toe. Het aantal schaa­tsensme­derij­en  bleef echter schommelen rond 2 à 3. Oorzaken van deze stag­natie waren de seizoensafhankelijke produktiewijze en de daardoor bedrijfseconomische kwets­baar­heid.

Er werden diverse modellen schaatsen gemaakt. De meer­derheid van de vervaardigde schaatsen bestond uit de diverse model­len hol geslepen schaatsen, ook wel gleufschaatsen genoemd (H­ohlbahnschlittschuhe).

Voor de afzet waren de smederijen aangewezen op kooplui/groot­handelaren. Een zeer bekende groot­handelaar tussen 1749 en 1779 was Engelbert Luckhaus uit het toenmalige dorp Büchel (nu Remscheid). Via onder andere presentatie op jaarbeurzen werden de schaat­sen uit Remscheid bekend en ver­kocht.

De belangrijkste afzetgebieden in de tweede helft van de 18e eeuw waren Nederland, Engeland en Frankrijk. Daarnaast in Duitsland zelf waren dat Bremen en Oost-Friesland.
Als gevolg van de Franse revolutie in 1789 en de Frans-Engel­se-oorlog daarna werden nieuwe afzetgebieden gezocht o.a. in Spanje en Noorwegen.

In Remscheid en omgeving zelf werd nauwelijks geschaatst zodat de productie van schaatsen geheel op export naar elders was gericht.

Bladzijde uit het voorbeeldboek (Musterbuch) ui7 1789 van Johann Schimmelbusch, Solingen
(archief Deutsches Werkzeug Museum, Remscheid)

 

Schaatsenmakers Remscheid en omgeving: De Uitbouw, 1805 - 1870

In de periode tussen ongeveer 1805 en 1870 kwam de schaatsen­produktie in Remscheid en omgeving geleidelijk tot bloei.
Het aantal schaatsen­smede­rijen groeide tot 29 in 1870. En het aantal bedrijven dat schaatshouten maakte nam toe van 3 tot 37.

Vanaf het begin van de 19e eeuw werden al tientallen verschil­lende schaa­tsen­model­len gemaakt.
In de cata­logus uit 1823 van de firma J.T.Schoman uit Rostock spreekt men over "Schli­ttschuhe, Schrittschuhe, Hohlbahn, Englische po­lierte, Doppel­bahn". De "Doppelbahn" had twee glijijzers, een schaats om het te leren (Lernschl­it­tschuhe). De ijzerwarenhandelaar Wilhelm Theune uit Stendal toonde in zijn catalogus van 1810 42 paar schaatsen. De staal- en ijzerwarenhandelaar Fritz Wolff uit Solingen-Gräfra­th bood in zijn catalogus uit 1869/71 47 verschillende modellen houten schaa­tsen en één model als metalen schaats aan.

Bladzijde uit het voorbeeldboek (Musterbuch) uit 1830 van Fa. Johann Bernhard Hasenclever&Söhne, Remscheid
(archief Deutsches Werkzeug Museum, Remscheid)

Aangezien de schaats nagenoeg geheel een ex­portartikel was, werden verschillende soorten ge­maakt die afgestemd waren op de wensen van klanten in de afzet­gebieden elders (Neder­land, Amerika etc.).
Om aan de wensen van de markt te voldoen werden niet alleen gewone schaatsen geproduceerd. Ook werden modellen vervaardigd die gemaakt werden voor de speciale wensen van de steeds talrijker wordende afzetgebieden. Zo verkocht men ook zeer luxe modellen o.a. met messing­platen en andere toebehoren. De firma Engels bracht in de eerste decen­nia van de 19e eeuw schaatsen op de markt waarvan de ij­zers voor­zien waren van erin gegraveerde wintervoorstel­lingen en die tevens kunstig geciseleerde zwanenhalsen hadden.

De toename van de schaatsenproduktie in Remscheid liep paral­lel met de verbreding van de afzetmarkt vooral door de volle­dige opheffing van privileges van bedrijven en gilden in 1804 en de invoering van de vrijheid van beroepsuitoefening in 1809. Door de vrijheid van beroepsuitoefening ontstond voor alle smede­rijen de mogelijk­heid om ook schaatsen te maken. Dat betekende tevens dat schaatsensmederijen vanaf toen ook andere artikelen konden gaan vervaardi­gen. Hetgeen gebeur­de.

Tussen 1810 en 1870 verdrievoudigde het aantal werknemers. In 1870 waren van de 96 werknemers er 59 werkzaam in schaat­sen­sme­derijen en 37 werkzaam als maker van schaatshouten (groten­deels éénpersoonsbedrijven).
Rond 1860 was het schaatsenmaken deels nog huisindustrie.

De fabrikant werd nog schaatsensmid genoemd, terwijl hij alleen het ijzer smeedde en het ijzer buiten de eigen smederij geslepen werd. Ook de produktie van de schaatshouten gebeurde elders en werd door zelfstandige houtenmakers gedaan, die ook het ijzer monteer­den. De schaatshouten werden uit beukenhout gemaakt, de fijnere schaatshouten uit notenboomhout. Na het smeden werden de schaatsijzers gevijld, gericht, gehard en geslepen. Dat slijpen kon niet meer in de smederijen worden gedaan, daar de slijperijen op de waterkracht in de dalen waren aangewezen. Remscheid en de dorpen liggen op heuvels waar tussendoor beken en rivieren stromen.

Naar de markt toe - via de groothandelaren - traden de schaat­sensme­derijen op als de produ­cent, de fabrikant. De namen die op de schaatsen voorkomen, zijn die van hen. In de loop van de 19e eeuw zouden de geheel ijzeren (metalen) schaatsen de houten schaatsen gaan verdringen; dat was een geleidelijk proces. Rond 1800 werden nog hoofdzakelijk houten schaat­sen vervaar­digd die door hun rechte kromming het voorwaarts schaa­tsen (Holländern) mogelijk maakten.

De half-ijzerenschaats (halbeisernen Schlittschuh, ca. 1850 - 1870

In het midden van de 19e eeuw kwamen er de zogenaamde half-ijze­ren schaatsen (halbeisernen Schlittschuh) die de ontwikke­ling van het kunstrijden moge­lijk maakten. Door dit soort schaatsen werd het probleem van de bevestiging van de schaats aan de voet gedeeltelijk opgelost.

Men vond dat de schaatsriemen het glijden/schuiven van de schoen op de schaats onvoldoende voorkwam. Verder vond men het aanbinden van schaatsriemen te gecom­pliceerd.

Het vroegste patent voor een halfijzeren schaats was van de Engelsman James Cobbing, aange­meld op 26 januari 1830. Het betrof een houten schaats met ijzeren schroef achteraan bij de hak, die bij het aandraaien 4 ijzeren haken aan de schoen klemt. Op 13 april 1850 werd door C.W.Wirths uit Remscheid een patent voor een dergelijke schaats aangevraagd, maar op 31 mei 1850 afgewezen. Argument: het betrof de bevestigingsmethode van Cobbing. Wel werd een patentaanvraag van Eduard Engels voor een half­ijzeren schaats op 4 aug.1850 goedge­keurd. Blijkbaar heeft Engels een kleine wijziging doorgevoerd.

De halfijzeren schaats werd vrij snel opgevolgd door de geheel ijzeren schaats (metalen schaats).
Reeds in 1850 waren in Noord-Amerika in gebruik de eerste schaatsen die een volkomen vaste verbinding met de schoen beza­ten, door middel van een klemschroef (Klammerschrau­be) bevestigd aan de zool en hak. W.Bushnell moet de uitvinder van deze eerste geheel metalen schaats (Ganzmetallschlittschuh) zonder hout en riemen geweest zijn.

De metalen schaatsen kwamen na 1850 sterk in gebruik toen er (overdekte) ijsbanen kwamen en het kunstrijden een populaire sport werd. Ook ontstonden toen de eerste schaats­ver­enigingen die de ijssport, en vooral het kunstrijden op de schaats stimuleerden. De eerste Amerikaanse schaat­svereniging ("Skati­ngclub") ont­stond in 1849 in Philadelphia. Tussen 1856 en 1858 werden ook in Europa schaatsver­enigingen opgericht, en wel in Wenen, Budapest en Troppau.

De toenmalige Amerikaanse danser Jackson Haines demonstreerde in alle wereldsteden in Europa tussen 1865 en 1870 zijn kun­sten op het ijs. De ijssport werd pas een volkssport toen men in vorstarme gebieden de eerste kunstijsbanen opende.

De eerste ijspaleizen ontstonden in 1870 in New York, 1881 in Frankfurt/Main, 1882 in München, 1892 in Parijs, 1895 in London, 1896 in Neurenberg, 1906 in Melbourne, 1907 in Berlijn en 1910 in Hannover.
Door deze ontwikkelingen nam de vraag naar vooral metalen (veelal kunstrijd-)schaatsen enorm toe.

Schaatsenmakers Remscheid en omgeving: De Expansie, 1870 - 1885

Echter rond 1870 is het aantal fabrieken in Remscheid nog niet noemenswaard; nog steeds overheersten kleine werkplaatsen en huisindustrie. De smederijen werkten nog steeds voor de koop­lui/groothandela­ren in Remscheid en omge­ving.

Met de opkomst van de metalen schaatsen vanaf 1870 veranderde plotseling de organisatie- en produktiewijze van de schaatsen­industrie. Machines deden hun intrede. Het smeden, slijpen en stansen werden in één fa­briek uitge­voerd.
Door de uitvinding van de schroefschaats "Merkur" en de hevel­schaa­ts "Heros" (beide patent in 1877 van Johann Peter Becker jr.) ontwik­kelde zich uit de handwerkmatig gedreven schaatsen­smederijen en houtwerk­plaatsen de moderne schaatsen­fabriek. Het model "Heros" was ontwikkeld op basis van het voor­beeld van de zeer succesvolle "Hali­fax"-schaa­ts (patent in 1865 van Forbes uit de stad Halifax in Canada).

De Hevelschaats Halifax 1865                                               De vastschroefschaats 1868-71
De Merkur schaats van J.P. Becker jr. 1877                                   De Soloschaats van D. Sieper&Söhne 1890

De artikelen van het kleinbedrijf hiel­den zich op de interna­tionale markt stand tot het einde van de 19e eeuw. Dit was nog mogelijk door de zeer ijverige inzet van expor­teurs/groothan­delaren en door de lage verdiensten van het personeel.
Om een hoger inkomen te krijgen was de schaatsindustrie in Remscheid eind 19e eeuw gedwongen snel over te gaan op verbe­terde bedrijfs­voering en produktiemethoden.
Maar de omvang van de afzet/verkoop van de schaatsen bleef zeer afhankelijk van het winterweer. Na ongunstige win­ters zat men met kolossale onverkoopbare voorraden, waardoor ook nog eens de prijzen zakten. B.v. na de slechte winters van 1880/81 en 1881/82. Zo was er rond 1900 als gevolg van slechte vooraf­gaande winters een voorraad van ongeveer 2 miljoen paar schaa­tsen die moest worden verkocht. De winter van 1899/­1900 was gelukkig goed.

Door de onvoor­spel­baar­heid van het winterweer waren dus de ver­diensten onze­ker. Daarnaast was er in Remscheid en omgeving zelf een enorme concurrentie tussen de fabrikanten. Dat leidde tot veelvuldig namaken. Maar daarnaast werd hard gewerkt aan ver­nieuwingen, en daarmee veel strijd geleverd om patenten.

In de jaren 1877-1886 werden meer dan 100 patenten verleend! Deze hadden met name betrekking op de verbinding van de schoen met de ­schaats (klemmen, pootjes tussen glijijzer en voet­blad etc.). Om de ontwikkelingen in de hand te houden werden maatregelen genomen. Zo werden om de patenten en de daaropvolgende produk­ten beter te kunnen onderscheiden fabriekstekens (voor­zien van naam en woon­plaats of initialen) op de produkten verplicht gesteld. Ook sloten de meeste schaatsfabrikanten - om een tot verlies leidende prijzenoorlog te beëindi­gen - reeds in 1889 een prijzenovereen­komst.

De belangrijkste afzetgebieden lagen in de 19e eeuw in de vorstrijke gebieden aan de andere zijde van de Elbe tot ver in Rusland, en in Scandinavië en Canada. Ook aan Nederland werden veel schaatsen geleverd. Zo werden in het jaar 1885 - toen het patent van de Halifax­schaats in de USA afliep - uit Remscheid 200.000 paar schaat­sen naar de USA en Canada geëxporteerd.

Krulschaatsen C.W. Wirths
voor export naar de USA, ca.1875

Twee jaar later werd dit kostbaarder door hoge invoerbelastin­gen. De verdere verhogingen in de jaren er na leidden er toe dat de export naar de USA in 1900 stil kwam te liggen en naar Canada beperkt was door de buitengewoon hoge kosten. Daarentegen was vanaf ca.1900 tot de eerste wereldoorlog Rusland het belang­rijkste exportgebied.

Schaatsenmakers Remscheid en omgeving: De Concentratie, 1885 - 1913

Bladzijde voorbeeldboek (Musterbuch ) voor het maken van schaatsen
Bergischen Fabrikanten Vereins, Remscheid, ca.1900
De schaatsenfabriek van de firma J.P. Becker jr. in Remscheid

Tussen 1895 en 1913 ging de schaatsindustrie geheel over op kapitalistische produktiemethoden. Gecompliceerde en waarde­volle fabrieksinrichtingen werden noodzakelijk. Het gevolg was dat de produktie van schaatsen steeds meer geconcentreerd werd in enkele kapitaalkrachtige grote bedrij­ven. Passend bij het gegroeide produktieapparaat werd ook de ar­beidsdeling net zoals bij de grote bedrijven doorge­voerd. Hierdoor werd het veel beter mogelijk in slechte (win­ter)peri­oden andere artikele­n te maken zoals schroevendraai­ers, tangen en tuinhar­ken.

Het aantal bedrijven verminderde in deze periode tot 1913 van 42 tot 26. Er werkten rond 1900, wan­neer volledig in bedrijf in deze bedrijfstak in Remscheid ca.1200 personen. Omstreeks 1900 gold de firma Johann Peter Becker met 300 personeelsleden als de grootste schaatsfabriek van de wereld.

Een andere grote schaatsfabriek was de firma Gebr.Wirths met ca.110 personen. De bedrijven Eduard Engels, F.W.Hens en David Sieper Söhne die in 1924 zich samenvoegden in Polar-Werke, hadden omstreeks 1900 teza­men ca.150 personen in dienst.

In de decennia voor 1914 had de schaatsindustrie van Remscheid geen noemens­waardige concurrentie in de wereld.
Zij gold als "die Schlittschuhschmiede der Welt".

Doordat de Duitse bedrijven hun schaatsen ook exporteerden naar Neder­land, was er op die afzetmarkt wel concurrentie met de Neder­landse schaatsenmakers. Soms liepen de spanningen daarbij hoog op. Eén Duitse fabrikant maakte het zo bont, dat hij rond 1900 schaatsen van het merk "Nooitgedacht" op de Nederlandse markt bracht; weliswaar Nooitgedacht met "ch" en niet met een "g". De Nederlandse firma Nooitgedagt spande vervolgens een rechtszaak aan tegen de Duitse firma en won die in april 1909.

Schaats Duitse fabrikant voor export naar Nederland, ca. 1900
met merkteken NOOITGEDACHT
Etiket firma J. Nooitgedagt uit IJlst met waarschuwing voor schaatsen, 1910-1930 met merkteken NOOITGEDACHT

 

Schaatsenmakers Remscheid en omgeving: De Neergang, 1914 - 1990

Na 1914 trad - als gevolg van de eerste wereldoorlog - een periode van inkrimping op voor de schaatsin­dus­trie in Rem­scheid en omgeving. Deze inkrimping zette zich voort, ook na de tweede wereld oorlog. In de laatste decennia van de 20e eeuw eindigde de productie van schaatsen in Remscheid en omgeving zelfs geheel.

Het aantal schaatsfabrieken in Remscheid nam af van 26 voor de eerste wereld­oor­log tot 17 in 1922 en verder tot 11 in 1935, en na de tweede wereld­oorlog van 6 in 1951 tot 3 in 1974. Die 3 bedrijven waren Gloria (Hermann Becker), Polar-Werke (Engels&Sieper) en Richard Weigand. De grote schaatsfabriek Stürmerwerk had zijn deuren vlak daarvoor gesloten. In het nabij Remscheid gelegen Radevormwald produceerde toen ook nog het bedrijf Hudora schaatsen.

De beide wereldoorlogen hadden een dramatische uitwerking gehad op de internationale positie van de schaatsindustrie in Rem­scheid en omgeving. Na de eerste wereldoorlog vielen afzet­ge­bieden weg, ont­stonden schaatsfabrieken in andere landen en daarmee grote inter­nationale concurrentie. Aan omvangrijke afzetge­bieden die wegvielen zoals Rusland en Canada werden voor de eerste we­reldoorlog nog respec­tievelijk 210.400 en 83.500 paar s­chaat­sen (incl.rolschaat­sen) verkocht. Terwijl in 1913 nog 671.400 paar schaatsen werd uitgevoerd, was dat in 1935 nog maar 167.900 paar.

Na de tweede wereldoorlog verscherpte de concurrentie verder. Verre exportgebieden vielen weg. Daarnaast probeerden deze landen met de produkten van hun schaatsfabrieken de Duitse markt te bedienen. De nieuwe concurrenten kwamen uit Noorwe­gen, Zweden, USA en Tsjechoslowakije. Daarnaast viel na de tweede we­reldoorlog ook Oost-Duitsland als afzetgebied weg.

Na ca.1980 toen de schaatsproduktie in Remscheid stopte werd door de voormalige schaatsfabrikant Gloria nog wel schaatsen als groothandelaar verkocht, maar die waren in "lage lonen landen" zoals China vervaardigd. Ook Hudora uit Radevormwald werd een dergelijke groothandelaar.

Leegstaande panden van schaatsfabrieken in Remscheid, foto's 27 juni 1998

Voormalig pand schaatsfabriek R. Weigand
Voormalig pand schaatsfabriek Stürmer Werk
Voormalig pand schaatsfabriek Hudora

 

 

 

De ontwikkeling van metalen schaatsen

Voor afbeeldingen van de diverse metalen schaatsmodellen uit Remscheid klik hier

 

Bladzijde uit het voorbeeldboek (Musterbuch) uit 1875/76 van Jacob Grothaus, Remscheid
(archief Deutsches Werkzeug Museum, Remscheid)

 

Na 1870 nam de productie van diverse typen metalen schaatsen steeds meer toe. Aanvankelijk werden ook nog veel houten schaatsen vervaardigd. Aan de hand van catalogussen is goed na te gaan welke modellen schaatsen door de jaren heen werden ge­maakt.

De oudste catalogus - dat voor het eerste geheel uit staal vervaardigde schaatsen toonde - was de catalogus uit 1878 van de hande­laar in ijzerwaren E.L.Meyer uit Hildesheim. Getoond werden 4 soorten houten en 8 soorten metalen schaat­sen. Van die laatste waren 6 modellen uitgerust met riemen aan de voorzijde. 2 modellen hadden klemmen aan de voorzijde. Daaronder bevond zich ook de "Halifax-Patentschlittschuhe" (Hebelschlittschuh). Dit was in de catalogus de eerste schaats waarvoor men een speciale sleutel nodig had.

Rond 1890 traden de aanschroefbare schaatsen (Anschraubs­chlittschuh) voor het kunstrijden sterker op de voorgrond. Deze werden in diverse kwaliteiten geleverd: vernikkelde, niet-vernikkelde, verstaalde nieuw-konische (neukonisch) dubbele glijijzers (Doppelläufe), verstaalde gladde glijij­zers, hol geslepen stalen glijijzers etc.

In de catalogus van de firma Bernhard Basedow, Hamburg, uit 1910 werd zelfs een aluminium schaats (met stalen glijij­zer) te koop aangeboden. Johan Peter Becker jun. maakte rond 1910 multiplexschaatsen naar het model van de multiplexschaatsfabriek uit Groningen.

Omstreeks 1957/1960 ging de schaatsindustrie in Remscheid over van klemschaatsen (Klammerschlittschuhe) op complete schaat­sen (Komplettschlittschuhe). Deze laatste type schaats bestaat uit een metalen schaats met daarop reeds gemonteerd een schoen. Tegenover de vroeger ongeveer 50 modellen Klammerschlittschuhe waren er in 1970 nog maar 2 modellen. De Komplets waren met 7 modellen vertegenwoordigd.

Naast de metalen schaatsen werden zeker nog tot aan de tweede wereldoor­log houten schaatsen gemaakt. Deze laatste werden hoofdzake­lijk naar Nederland geëxporteerd. De schaatsen die voor de Nederlandse markt gemaakt werden, voorzag men menigmaal ook van in het glijijzer ge­schreven Nederlandse woorden als "staal", "verstaald" en "IJlster­schaats".

Friese doorloper Stürmer Werk, Remscheid, ca.1925
gemaakt voor export naar Nederland
Kwaliteitsmerk YLSTER-SCHAATS
op Friese doorloper Stürmer Werk, Remscheid
Merkteken Stürmer Werk, Remscheid
op Friese doorloper

 

Bronvermelding

Remscheids Weg zur Schlittschuhschmiede der Welt
Gerhard Esser, uitgave Stadtarchiv Remscheid in 1978

Informatie archief Deutsches Werkzeug Museum Remscheid en stadsarchief Solin­gen

Wiebe Blauw en Frits Locher (Nederland)
Schaatsenmakers Remscheid e.a., centrum van de Duitse schaatsenindustrie, 1750-1975, december 1999

Boek "Nachweis­ung der im Deutschen Reiche ge­setz­lich geschützt­en Waar­enzei­chen"; Gruppe VC, 1875 bis 1890 und 1893; Waarenzeichenblatt Klasse 9C, 1898 und 1899

Aanvullingen Frits Locher, 2018

arc

Bovenkant van de pagina