Oorsprong van het schaatsen

  1. Glisglijden
  2. Intrede van de houten schaats

 

Auteur Wiebe Blauw

Gedurende het eerste millennium van onze jaartelling werd Nederland bewoond door verschillende volksstammen, die gemeen hadden dat ze alle voornamelijk van de landbouw bestonden. De soms zwervende gemeenschappen voorzagen grotendeels in hun eigen levensbehoeften door de teelt van granen, het houden van vee of het jagen op wild. In geringe mate werd ruilhandel bedreven. De actie­radius van deze bewoners was gering, zeker als de weersomstandigheden slecht en de paden onbegaanbaar waren. In die situatie opende de aanwezigheid van ijs in de winter mogelijkheden om afstanden te overbruggen. Men kon gemakkelijker over het bevroren land lopen dan over moerassige laaglanden. Bovendien kon men dan zonder vaartuig of iets wat daar op leek ook vaarten, rivieren en meren kruisen.

Vanaf grofweg het begin van onze jaartelling beweegt men zich in Nederland op het ijs voort met benen glijders. Er wordt geduwd met een prikstok, want zijwaarts afzetten is met de botte zijkanten van beenderen niet mogelijk. Desondanks kan de glis of glisser worden gezien als een voorloper van de schaats.

Glisglijden

Een glijder op glissen

Door het gebruik van de glis op het ijs wordt de onderkant verder door slijtage geslepen. Aangezien bot vrij veel vet bevat, wordt voorkomen dat slijpsel, ijs of water aan de glis blijft kleven. Mocht de glissenglijder niet tevreden zijn over het waterafstotend vermogen van zijn glis dan kan hij de glis nog insmeren met dierlijk vet, met name varkensvet.

De prikstokken bestaan uit een houten stok met een punt om af te kunnen zetten. De punt moet van hard materiaal gemaakt zijn, anders zou de punt te snel slijten. Aanvankelijk werd op het einde van de stok een stuk bot gezet. Ook dit stuk bot is bewerkt. Er is een gat in gemaakt, waarin de stok gestoken wordt. Het uiteinde van het bot is in de vorm van een punt gehakt of gesneden. Later wordt een ijzeren punt op de stok gemonteerd.

Waarschijnlijk kon men al flinke afstanden afleggen op glissen. Voorwaarde is wel dat het ijs glad, hard en vrij van sneeuw moet zijn. Olaus Magnus beschrijft in 1555 wedstrijden op glissen over trajecten van 5 tot 8 kilometer.

Glis uit periode 1030-1185 AD; datering door Centrum voor Isotopen Onderzoek Rijksuniversiteit Groningen.
Lengte: 22cm
Collectie Frits Locher

Glissen zijn tot in de 19e eeuw gebruikt; toen alleen nog door mensen die zich de aanschaf van een paar schaatsen niet konden permitteren of door kinderen die op deze manier vertrouwd raakten met het ijs.

Naast glissen werden ook wel houten latten onder de voet gebonden, maar door de geringere hardheid van hout was het glijvermogen beperkter. Daar staat tegenover dat het hout gemakkelijker bewerkt kon worden dan bot. Bovendien was hout altijd voorradig.

Van schaatsen kon met de houten lat en de glis niet echt gesproken worden. Dat verandert als er onder het hout een smal ijzer wordt geplaatst, zodat een afzet kan worden gemaakt.

Lees hier meer informatie over typen glissen en het gebruik ervan

Intrede van de houten schaats

Schaatsen uit circa 1225, die opgegraven zijn in Dordrecht.

Pas rond 1200 deed de houten schaats zijn intrede. Dat was in de Lage Landen aan de Noordzee (Holland en/of Vlaanderen). Het is zo goed als zeker dat ook het schaatsen daar zijn oorsprong vindt.

De eerste archeologische vondsten van schaatsen zijn gedaan in steden in wording (Amsterdam, Dordrecht) en dateren uit de eerste helft van de 13e eeuw. Op het platteland wordt dan nog volop gebruik gemaakt van benen van runderen om over het ijs te glijden. Hoewel er geen archeologische vondsten uit Vlaanderen bekend zijn, mag worden aangenomen dat ook in Vlaanderen al in de 13e eeuw geschaatst werd. De stedelijke ontwikkeling en de kennis van ambachtslieden in de steden van Vlaanderen lagen voor op die in de Noordelijke Nederlanden. De introductie van de schaats was het gevolg van de samenloop van de waterstaatkundige situatie, de economische ontwikkeling van het land en de verbeterde technieken van hout- en ijzerbewerking na 1000. In de gebieden die het huidige Nederland en Vlaanderen beslaan, was reeds in de Middeleeuwen veel ondiep en stilstaand water aanwezig.

Rond het jaar 1000 nam de bevolking in de Lage Landen langzaam in omvang toe als gevolg van gunstige graanoogsten, die onder andere mogelijk werden door de toepassing van de ploeg. Het gebied als geheel stond onder bestuur van de Duitse Keizer. Binnen het leenstelsel werden de verschillende regionale deelgebieden onder gezag geplaatst van adellijke graven. Na het uiteenvallen van het rijk van Karel de Grote probeerden de graven, die zelf grote delen van hun rechtsgebied bezaten, in de eeuwen die volgden steeds meer economische en bestuurlijke macht naar zich toe te trekken. Met name Vlaanderen vormde rond 1000 al een vrij zelfstandig graafschap. Richtten de vorst en zijn vazallen zich op de bescherming van hun grondgebied, het innen van belasting en de handhaving van de orde, de wetenschappelijke ontwikkeling en technische vernieuwingen kwamen vooral uit kerkelijke hoek. De verschillende kloosterorden die zich na 1000 in de Nederlanden hadden gevestigd, droegen in belangrijke mate bij aan het in cultuur brengen van het natuurlijke landschap door de aanleg van zee- en binnendijken en het ontginnen van bossen en heidevelden in het oosten en het laagveen in het westen van het land. Daardoor werd het mogelijk de waterstaat van het landelijke gebied beter te beheersen.

Door de toegenomen welvaart kwam in Vlaanderen de stedelijke ontwikkeling op gang, die gepaard ging met groeiende handel en nijverheid. Holland vormde vanaf 1100 een apart graafschap. De huidige provincies Friesland en Groningen, die meer georiënteerd waren op de handel met het Oostzeegebied, hadden al langer de neiging zich te onttrekken aan het centrale gezag van de Keizer. De toename van de economische activiteiten versterkte de behoefte om productie overschotten te verhandelen. Zo ontstonden stapelmarkten waar handelaren uit de wijde omgeving naar toe kwamen om hun producten te verhandelen. Vaak gebeurde dat op plaatsen waar al enige woonconcentratie aanwezig was. Uit oogpunt van efficiëntie werd nu ook de productie zelf naar de directe omgeving van de stapelmarkt verplaatst, wat het begin inluidde van de eerste stedelijke bebouwing. Vaak gebeurde dat in de nabijheid van ridderlijke burchten, die bescherming boden tegen ongewenste indringers.

De stedelijke ontwikkeling in de Noordelijke Nederlanden volgde ruim honderd jaar later dan die in Vlaanderen. In deze stedelijke concentraties kwamen de eerste ambachtelijke beroepen tot ontwikkeling en vonden steeds meer toepassingen plaats van ijzer en hout in dagelijkse gebruiksvoorwerpen.

Bronvermelding

Het artikel 'Oorsprong van het schaatsen' is geschreven door Wiebe Blauw, begunstiger (lid) van De Poolster.
Het is eerder verschenen in zijn boek 'Van Glis tot Klapschaats' (2001)

Lees verder

Bovenkant van de pagina