De Kleine IJstijd, de periode 1430-1850

 

Auteur Frits Locher

Na de laatste grote ijstijd die ca.11.000 jaar geleden eindigde waren er relatief veel kleine klimaatschommelingen. Zo was het relatief warm in de Romeinse tijd en de Middeleeuwen.

Daarna volgde een koude periode die wij de Kleine IJstijd noemen. Deze periode duurde grofweg van 1430 – 1850. Het was gemiddeld zo’n twee graden kouder dan tegenwoordig. Maar het was tijdens de Kleine IJstijd zeker niet altijd even koud. Het laatste kwart van de 16e eeuw kende een aantal zeer strenge winters. Die waren er ook in het eerste kwart van de 17e eeuw en tussen 1650 en 1720. Die winters begonnen soms al in november en eindigden pas begin april. Grote rivieren zoals de Rijn en de Theems bevroren nogal eens. Over de exacte periode van de Kleine IJstijd wordt door klimaatonderzoekers nog veel gediscussieerd.  Na 1850 begon het warmer te worden en nam het aantal echte ijswinters af. Op dit moment zitten we in een relatief warme periode.

Gevolgen

De bevroren Thames
Abraham Hondios, 1677

De Kleine IJstijd heeft een grote indruk gemaakt op haar tijdgenoten. Mede daardoor zijn koude winters en ijsvermaak veelvuldig vastgelegd op prenten, schilderijen en tegels, als ook in literatuur en poëzie. Vorst en sneeuwval hadden grote invloed op het maatschappelijk leven. Voedselvoorraden konden uitgeput raken en watervoorzieningen bevroren, maar er was ook veel vertier op het ijs met schaatsen, colven, sleeën en kermissen. In London werd op de bevroren Theems voor het eerst een kermis gehouden in 1607 en voor het laatst in 1814.

Schaatsen
De Kleine IJstijd heeft er mede voor gezorgd dat er vraag kwam naar schaatsen. Rond 1250 ontstond de primitieve houten schaats zoals wij die bij opgravingen gevonden hebben. Daarna kwamen er andere modellen. Aanvankelijk waren die eenvoudig van constructie en vorm.  Al voor 1600 ontstond de eerste schaats met een fraaie krul. Deze is veelvuldig afgebeeld op oude tegels.

Winterschilders
Het Hollandse winterlandschap met ijs is tijdens de Kleine IJstijd vastgelegd door schilders zoals Pieter Breughel de Oude (1525-1569), Hendrick Avercamp (1585-1634) en Aert van der Neer (1603-1677). Op deze schilderijen zijn bevroren wateroppervlakten te zien met aan de kant een kasteel, een oud huis, een boerderij of een molen. Op het ijs gebeurt van alles: allerlei mensen schaatsen, lopen, duwen een slee of vermaken zich op andere manieren. Vaak is ook een koek-en-zopie zichtbaar. Dit ijsvermaak bleef ook na de Kleine IJstijd, dus na 1850, zodanig populair dat veel schilders dit op het doek bleven zetten en dit gebeurt nog steeds. De Kleine IJstijd heeft een onuitwisbare herinnering nagelaten.
 

Winterlandschap bij een stad (circa 1620)
Hendrick Avercamp
Rijksmuseum

 

Bronvermelding

Bovenstaand artikel is eerder gepubliceerd in Kouwe Drukte Jaargang 18 - nummer 50 - april 2014 pag. 8. [ISSN 1572-4476].
Kouwe Drukte is een uitgave van de verzamelaarskring Stichting De Poolster

Bovenkant van de pagina