Klaas Schaap veroverde vijf kruisjes (1956 – 1997)

 

Auteur Philip Detmar, 2022

Klaas Schaap met zijn vijf ingelegde kruisjes
Foto Philip Detmar, 26 januari 2022

Klaas Schaap uit Loosdrecht heeft met succes liefst vijf keer de Elfstedentocht gereden. De vijf ingelijste kruisjes hangen in de gang van zijn woning. Met zijn 93 jaar is hij nog één van de weinige in leven zijnde schaatsers met zo’n indrukwekkend palmares.

‘Opgeven stond niet in mijn woordenboek’

Klaas Schaap uit Loosdrecht – inmiddels 93 jaar - reed in 1956 als toerrijder op 27-jarige leeftijd voor het eerst langs alle elf Friese steden. De helse Tocht van 1963 reed Schaap als wedstrijdrijder en hij eindigde als 47ste op één uur en veertig minuten achter de winnaar Reinier Paping. De laatste drie edities in 1985, 1986 en 1997 voltooide hij weer als toerrijder. ‘Eigenlijk had ik de Tocht van 1956 ook als wedstrijdrijder kunnen schaatsen’, begint Schaap het indrukwekkende verhaal over zijn sportieve leven. ‘Ik was echter twee jaar daarvoor serieus begonnen met trainen voor de lange afstanden. Ik wist niet wat me in Friesland te wachten stond. Om zeker te zijn van een Elfstedenkruisje ben ik bij de toerrijders gestart. Als wedstrijdrijder heb je wel het voordeel dat je vroeg mag starten, maar je hebt uiteindelijk maar 20 procent tijdspeling ten opzichte van de winnaar om te finishen voor het kruisje.’

Zeven jaar later ging Klaas Schaap weer naar Leeuwarden. De Elfstedentocht van 18 januari 1963 gaat de boeken in als een enorme martelgang. Het werd een ware helletocht voor de deelnemers. Nog niet eerder was er een Elfstedentocht verreden onder zulke bizarre weersomstandigheden. De strenge winter van 1962/1963 begon op 22 december en duurde met slechtste enkele dagen dooi tot 4 maart. ‘Voor de Tocht van 1963 was ik goed voorbereid’, vervolgt de nestor onder de Elfstedenschaatsers. ‘Ik was goed getraind en had veel wedstrijden gereden. Achteraf was het mijn geluk dat ik op weg naar het station in Hilversum bij een sportzaak in de Leeuwenstraat een bril zag liggen; een soort motorbril met donkeren glazen. Die heb ik gekocht.’

 

Bril als redding

Tijdens de tocht zelf was het bitterkoud en bij de tweede stempelpost in IJlst begon Schaap minder te zien, vervolgt hij. ‘Omdat die bril donkere glazen had, kon ik die in de duisternis niet opzetten. Op weg naar Sloten viel ik. Een toerrijder hielp me overeind en raapte de rozijnen op die ik in mijn achterzak had zitten. Die stopte hij terug en pakte vervolgens de bril uit mijn zak en zei dat ik die moest opzetten. Ik ging verder en even later ontdooide mijn ogen door de warmte die van mijn gezicht afstraalde. Dat is mijn redding geweest anders was ik nooit in Leeuwarden gekomen. Ik ben in de achtervolging gegaan naar de wedstrijdrijders, want ik wilde op tijd binnen komen. Ik wist er een paar in te halen en kwam in een groep terecht. De echte kopgroep met de latere winnaar Reinier Paping was al te ver weg. Er was wel samenwerking in de groep waarin ik reed. Hoewel er ook enkelen waren, die probeerden weg te rijden als iemand viel of aan de kant moest om te plassen.’

IJzige harde oostenwind

Rond het middaguur werden in 1963 de omstandigheden slechter en slechter. ’s Morgens bij de start was het nog -5 graden. Later op de dag daalde het kwik tot onder de -10. De matige wind draaide van het westen naar het oosten. Door de ijzige harde oostenwind ontstonden er op het ijs sneeuwduinen. Er kon amper fatsoenlijk worden geschaatst. Door de verslechterde weersomstandigheden werd het een slijtageslag in de witte hel tussen Stavoren en Dokkum. In Stavoren en Hindeloopen stapten al veel toerrijders af om per trein terug te keren naar Leeuwarden.

In één van de Elfstedenboeken staat beschreven: ‘Op het perron in Stavoren leek het wel of er in plaats van schaatsers er honderden zwaar gewonden soldaten stonden die van het front terugkeerden’. Gedurende de middag werden in Bolsward , Harlingen, Franeker en Dokkun duizenden schaatsers van het ijs gehaald. Het was onverantwoord om verder de schaatsen en Leeuwarden zou men sowieso niet kunnen halen. De ‘hel van het Noorden’ was onbegaanbaar geworden. De statistieken spreken duidelijke taal; van de 568 gestarte wedstrijdrijders zijn er 58 aan de finish gekomen. Van de 9294 toerrijders wisten er slechts 69 in Leeuwarden terug te keren. De logistieke problemen om de ruim 9000 gestrande schaatsers terug in Leeuwarden te krijgen waren enorm.

In de hel van het Noorden

Klaas Schaap was mentaal ijzersterk wist zich staande te houden. Opgeven stond niet in zijn woordenboek. Vanaf Franeker reed hij een lang met de Amsterdammers Leen Groothuijse, Hosse Water en Wim Bostdorp. Hobo en Sjoerd Post werden nog ingelopen, maar de groep viel uit elkaar. Ieder vocht zijn eigen strijd tegen de elementen. ‘Het was zwaar, heel zwaar vooral van Franeker naar Dokkum en weer terug naar Leeuwarden.

Het elfstedenkruisje

Het laatste stuk van Bartlehiem naar Leeuwarden was praktisch onbegaanbaar. Maar ja, als je eenmaal in Dokkum bent, wil je ook Leeuwarden halen. De geest om de finish te halen was sterker dan het lichaam, dat vanaf Dokkum constant protesteerde. Ik was kapot en kon nauwelijks meer schaatsen. Ik kwam als 47e over de finish maar ik weet niet meer wie mijn schaatsen heeft uitgedaan en door wie ik naar mijn logeeradres ben gebracht. Dat stuk mis ik. Ik was even van de wereld, maar mijn tweede kruisje had ik wel.’ 

Er komt een glimlach op zijn gezicht. Schaap finishte samen met Leffert Oldenkamp uit Wageningen, Scharloo uit Rotterdam en Woudstra uit Zutphen. In 1985, 1986 en 1997 reed hij de toertocht, maar gedreven als hij was, finishte Schaap in ‘85 en ‘86 tussen de laatste wedstrijdrijders. In 1997, hij was inmiddels 68 jaar, kwam hij ook op tijd in Leeuwarden. ‘Ik ging altijd voor de prestatie; dat zat in me. Je moest wel in het donker starten maar ik wilde altijd voordat de duisternis weer inviel, terug in Leeuwarden zijn.’

Het schaatsen zat er al vroeg in bij Schaap, geboren in 1929 in Ossenzijl, in de kop van Overijssel. Zijn vader zei al: ‘Als je twee stappen kunt lopen, kan je ook drie streken schaatsen’. Het serieuze schaatsen kwam veel later. In 1939 verhuisde hij met zijn ouders naar Hilversum. In de strenge winter van 1944, de hongerwinter, ging hij naar de haven waar de beurschippers Boelhouwer en Taling voedsel aanvoerden voor de winkels in Hilversum. De kade werd bewaakt door Duitse soldaten. 

Goede Duitser

Toch wist Schaap in een onbewaakt ogenblik wat voedsel te stelen. Dat liep verkeerd af en hij werd opgepakt door de Duitsers en naar het hoofdkwartier aan de Doodweg overgebracht. ‘Daar was ook een wat oudere goede Duitser, die me vertelde dat ik op transport zou worden gesteld om in Duitsland te gaan werken. Hij had met me te doen en zei: ‘Ik laat jouw deur en de mijne open en als ik een paar keer met mijn voet stamp, moet je direct wegwezen’. Nadat ik thuis was gekomen, mijn ouders waren ongerust, zei mijn vader dat ik weg moest; naar Ossenzijl waar familie woonde. Daar was ik betrekkelijk veilig. De Duitsers wisten waar ik woonde en zouden me zeker komen halen. Hij legde contact met de beurtschippers en ik kon ongezien in het donkere ruim komen. Daar zaten ook mannen van het verzet. Eén van hen heeft me in Amsterdam op de Lemmerboot gezet. In Lemmer ben ik tien kilometer naar Bantega gelopen waar een oom woonde. Via hem ben ik bij twee ooms in Ossenzijl gekomen waar ik tot het einde van de oorlog ben ondergedoken. Mijn oudere broer was daar ook al eerder ondergedoken.’

Na de bevrijding keerde Schaap weer terug naar zijn ouderlijk huis in Hilversum, maar ging niet meer naar school. ‘Ik heb eerst in een fabriekje in Kortenhoef gewerkt en in 1950 ging ik aan de slag bij de NSF, de Nederlandse Seintoestellen Fabriek, aan de Jan van der Heijdenstraat. Later werd dat Philips en ik heb daar ruim zes jaar gewerkt. Vervolgens ben ik in Loosdrecht gaan werken. Twaalf jaar later ben ik verzekeringsagent geworden en heb dat 25 jaar gedaan.’

Start van de carrière

Sportief was Schaap ook actief. Hij voetbalde korte tijd bij Bloemenkwartier. In de winter schaatste hij op de plassen en vaarten in de omgeving. Op een avond in de winter van 1954 op de ondergespoten sintelbaan van het sportpark in Hilversum is de basis gelegd voor zijn latere schaatscarrière. ‘Daar zag ik twee kleine kereltjes, ik ben ook niet zo groot, constant rondjes rijden. Ik ging een aantal ronden met hen mee. Maar ik moest steeds na een paar rondjes afhaken om daarna weer aan te sluiten. De volgende dag op het werk bij de NSF werd ik aangesproken door een collega; dat was Hans Vollenbroek. Hij zei: ‘Was jij gisterenavond ook op de ijsbaan op het sportpark. Ik: ‘ja daar was ik en zag twee kereltjes constant rondjes rijden.’ Hans: ‘Dan was jij die klootzak die steeds achter ons reed.’ Ik: ‘Ja dat kan best. Ik kon het niet zolang volhouden als jullie.’ Hans: ‘Dan moet je meer en beter trainen.’ Hij nodigde me uit om mee te gaan naar de trainingen van de NVBHS, de Nederlandse Vereniging tot Bevordering van Hardrijden op de Schaats.’

V.l.n.r. Hans Vollenbroek, Klaas Schaap en Joop van de Berg
Foto collectie Klaas Schaap

‘Zo ben ik contact gekomen met Hans Vollenbroek en zijn broer Frits. Met de NVBHS verzamelden we bij Groot Kievitsdal waar we ons ook konden omkleden. Daar gingen we het bos in om lang en hard te trainen. Dat was voor mij iets nieuws en genoot er van. Het was in 1956 dat Hans vertelde dat hij een wedstrijd over tachtig kilometer in Maasland ging rijden en dat ik best mee kon. Ik twijfelde maar heb het toch gedaan. De veertiende plaats in mijn eerste schaatswedstrijd is, naast de vijf Elfstedenkruisjes, één van de mooiste herinneringen uit mijn carrière. Hans werd daar twaalfde. Op 14 februari in 1956 reed ik daarna mijn eerste Elfstedentocht.’

Rottemerentocht

In de vele winters die daarna kwamen, was het één groot schaatsfeest. Met Hans en Frits Vollenbroek plus nog een aantal schaatsvrienden uit de regio reden zij stad en land af om wedstrijden te rijden, deelnemen aan toertochten. Bij alle grote schaatsevenementen waren zij van de partij; zoals de bekende Rottemerentocht bij Zevenhuizen. ‘Dat was bijzonder,’ zegt Schaap. ‘Naast de ijsbaan was een overdekt zwembad. Na de tocht over tweehonderd kilometer kon je heerlijk bijkomen in het warme water van het zwembad. En als er ijs lag, reden we na een training in Utrecht over Westbroek naar huis om daar nog even op natuurijs te schaatsen. Ook op de Lange Akker aan de Nieuw Loosdrechtsedijk, niet ver van mijn woning, gingen we veel schaatsen.’

Klaas Schaap kan terugzien op een schitterend schaatsleven met veel hoogtepunten. Het was soms afzien en pijn lijden; de voldoening naderhand was des te groter. Tot 2006 stond hij nog regelmatig op het ijs. Door een aantal lichamelijke ongemakken kon hij niet meer schaatsen. Hij berust er in en dan is hij even stil na een stortvloed van schaatsbelevenissen. Het is mooi geweest.

Bovenkant van de pagina