Periode 1500-1750

Algemeen

Lang werd het hoge noorden beschouwd als de bakermat van de hout-ijzeren schaats. In de 20ste eeuw hield deze aanname niet langer stand. In de lage landen (Holland, Vlaanderen) tonen teksten, miniaturen en opgravingen het gebruik aan van hout-ijzeren schaatsen in de late middeleeuwen. De ‘schaatsen’ uit de oude sagen in Scandinavië bleken bij nader onderzoek ski’s of soms glissen.1

Afb.1: Deel van een glis met een gezicht
uit de opgraving in de Pedersstræde in Viborg, Denemarken.
Bron: KUML 1968, p. 38

De oudste pronkschaats?

Glissen, waarop ik hier verder niet uitgebreid zal ingaan, zijn in de Scandinavische landen dus veel langer in gebruik gebleven dan bij ons. Er zijn bijzondere exemplaren teruggevonden, zoals een fragment van een glis in Viborg, in de kop van Jutland, Denemarken, waarin een menselijk gezicht is gekerfd.2 (afb.1)

Of het in dit geval ging om een kunstzinnige uiting of om een teken van verveling zullen we maar in het midden laten, maar uitzonderlijk was het wel. Het versieren van benen voorwerpen werd namelijk vooral toegepast op duurzamer werktuigen dan glijbotten.

IJzeren glijder

Olaf Mansson uit Linköping (Zweden), die rond 1520 als priester door Scandinavië trok om aflaten te verkopen, schreef jaren later, toen hij als geloofsgetrouw katholiek al een kwart eeuw lang uit het Lutherse Zweden was verbannen3,  onder de naam Olaus Magnus zijn lijvige Historia. Hij vermeldt daarin dat er bij het ijsvermaak niet alleen beenderen, maar ook effen en gladgemaakte ijzers werden gebruikt. Evenals de glissen waren deze ijzers zo lang als de voet zelf en kon men er alleen op glad ijs snel op vooruitkomen. Hoe goed ze ook gepolijst of ingesmeerd waren, de ijzers wonnen het doorgaans niet van de brede hertenschenkels, die gladgeschaafd en ingewreven met varkensreuzel, veel minder last hadden van oneffenheden in het ijs.4 

In de schaatsliteratuur wordt er meestal voetstoots van uit gegaan dat het hier om ‘echte’ schaatsen ging, met houten voetstapel en binding dus. Daar kunnen we op zijn minst enkele kanttekeningen bij plaatsen.

Om te beginnen geeft het te denken dat de ijzers het moesten afleggen tegen de hertenschenkels. Met een goede zijwaartse afzet - onmogelijk op glissen - en dito schaatsslag zou je mogen verwachten dat de schaatsers de prikkende glijders makkelijk voor konden blijven. Het Latijn - de internationale taal waarvan Olaus Magnus zich bediende - kent bovendien geen afzonderlijk woord voor ‘schaats’ en voor een goed begrip dient dat object dus nader te worden omschreven. In zijn behandeling van de ‘ferro’ (ijzers) laat Olaus Magnus de woorden hout of voetstapel echter volledig achterwege. Dat lijkt een wat magere omschrijving voor iemand die glissen, ski’s en ijssporen daarentegen veel gedetailleerder onder de loep nam.

Afb.2: Historia, p. 45: IJsgereedschap met linksboven
glissen of glij-ijzers met prikstok
Bron: Alvin-portal.org

Schoten de bisschop in ballingschap woorden te kort voor het fenomeen schaats of was er nog helemaal geen sprake van echte schaatsen? Gebruikte men eenvoudige, brede repen ijzer (‘zo lang als de voet zelf’) en moest men de vaart er, net als bij de glissen, met de prikstok zien in te houden?

Het antwoord lijkt min of meer van Magnus zelf te komen. De houtsnede bij het hoofdstuk over ijsgereedschap (afb.2) toont naast ijsbijlen en andere hulpstukken maar liefst drie soorten schoeisel met ijssporen, maar geen schaatsen. Of het zouden de voorwerpen in de linkerbovenhoek moeten zijn, waartussen heel toepasselijk een piekstaf (prikstok) is afgebeeld. Voetstapel en binding ontbreken echter volledig, terwijl dit soort details bij het overige schoeisel juist wel nadrukkelijk is weergegeven. Vermoedelijk moeten de voorwerpen linksboven dan ook glissen voorstellen. 

Aangezien het niet erg aannemelijk lijkt dat ‘echte’ schaatsen aan de aandacht van de wijdbereisde Magnus zouden zijn ontglipt, houd ik zijn ‘ferro’ die het moesten afleggen tegen de ingevette hertenschenkels vooralsnog voor simpele glij-ijzers.

Misschien stond de glis zelf de ontwikkeling van een hout-ijzeren schaats wel in de weg. Bot was immers makkelijk te bewerken, ruim voorradig en dus goedkoop. IJzer zou tot circa 1800 een dure grondstof blijven en kon vele honderden kronen per kilo kosten.5 Het bit van een paard bijvoorbeeld was in de middeleeuwen duurder dan het dier zelf en vanwege de hoge prijs bleven arme mensen heel lang houten pluggen gebruiken in plaats van spijkers.6

Afb.3: Historia, p. 392, detail: Glijders op glissen
Bron: Alvin-portal.org

Skritsko en zo

Wanneer precies de echte hout-ijzeren schaats zijn intrede heeft gedaan in Scandinavië is niet bekend, maar we vinden indicaties in de taal. In een woordenboek uit 1640 wordt het Latijnse ‘calopodium ferratum’ letterlijk vertaald met ‘jernsko at löpa på Ijsen med, som skijder och ijsleggior’ (ijzeren schoen om mee op het ijs te lopen, zoals ski’s en glissen).7 Dat lijkt klare taal, maar erg oorspronkelijk klinkt het niet, wat er op zou kunnen duiden dat de samensteller het begrip schaats niet kende.

Johan Ekeblad daarentegen, die een positie had aan het hof van koningin Kristina in Stockholm, wist wel degelijk waarover hij het had. Hij schreef half december 1652 in een brief aan zijn broer Claes ‘... iagh ... försökte till att löpa på skritsko’ (ik probeerde te schaatsen).8 Het woord dat hij gebruikt heeft veel weg van het middelnederduitse ‘schritscho’.9

Verwant hieraan is het middelnederlandse ‘schricschoe’ of ‘scricscoen’, dat voorkomt in teksten rond 1490.10 Etymologisch gezien kan ‘skritsko’ dus zowel uit het Duits als rechtstreeks uit het Nederlands zijn ontleend. Uit de pen van Ekeblad, die vrij kort daarvoor enige jaren aan de universiteit van Frankfurt aan de Oder had gestudeerd, zouden we ‘skritsko’ nog kunnen afdoen als een Germanisme, maar het woord raakte snel ingeburgerd en werd in Zweden al vroeg verbasterd tot ‘skricksko’, ‘skrillsko’ en ‘skrinnsko’.11

Ook in Denemarken gingen rond 1650 zowel mannen als vrouwen met de ‘skredsko’ of ‘schredschou’ het ijs op.12  Behalve ‘skredsko’ was daar destijds bovendien het woord ‘skejte’ (later ‘skeiter’) in omloop, in tegenstelling tot ‘skøjte’, dat voor 1700 nog niet werd opgetekend.13 

Het is niet duidelijk wanneer in de Noorse volkstaal ‘skjese’ of ‘skeisa’ (meervoud: ‘skeiser’) is ontstaan. Professor Hjalmar Falck hield het op een invloed vanuit het Engels. Hij verklaarde de ontwikkeling van ‘skejte’ naar ‘skøite’ uit het enkelvoud ‘skate’ en die van ‘skjese’ naar ‘skeise’ uit het meervoud ‘skates’. Beide Engelse woorden zouden op hun beurt weer afkomstig zijn van het Nederlandse ‘schaats’14.

Ondanks alle laaglandse bemoeienis in Zweden - de nieuwe stad Gothenburg werd vanaf 1619 grotendeels door Hollanders op de kaart gezet en met Hollands kapitaal werd elders in het land een aantal industriële projecten gerealiseerd - lijkt een rechtstreekse, vroeg-zestiende-eeuwse introductie van de ‘schaets’ vanuit Nederland etymologisch gezien geen sterke papieren te hebben.

Dat het Noors en Zweeds, talen die sterk op elkaar lijken, allebei een eigen woord voor ‘schaats’ kennen, maakt het aannemelijk dat het voorwerp via verschillende routes in Scandinavië is geïntroduceerd. Daarbij is de ‘Duitse’ route vermoedelijk iets ouder dan de ‘Engelse’.

 

Geen schaatsen bij aanval over het ijs

De schaats heeft zich waarschijnlijk niet snel genoeg kunnen verbreiden om een rol te kunnen spelen bij een van de sterkste staaltjes aller tijden uit de krijgsgeschiedenis : de ongelooflijke riskante overtocht van het Zweedse leger in 1658 over het ijs van de Kleine Belt en andere Deense zeestraten op weg naar Kopenhagen.

Hoewel de Finse rasverteller Topelius in zijn boek Fältskärns Berättelser een verkenner van het Zweedse leger opvoert, die op schaatsen terugkeert over de stijf bevroren Kleine Belt15, zou het leger van koning Karl X Gustav dit vervoermiddel in werkelijkheid helemaal niet hebben gebruikt.16 Daar waren de omstandigheden ook helemaal niet naar. Onder het gewicht van zoveel voetvolk, ruiters, geschut en voorraadwagens kwam er veel water op het ijs te staan.

Desondanks vormde de onvoorziene belegering van Kopenhagen zo’n bedreiging voor de Deense koning Fredrik, dat hij bereid was om in ruil voor vrede de zuidelijke Zweedse provincies, die de Denen zo’n drie eeuwen lang in handen hadden gehad, op te geven.

 

Afb. 4: Anonieme pentekening uit
Notizie di Svezia van Lorenzo Magalotti, 1674.
Bron: Alvin-portal.org

Hoge halzen

Uiteindelijk duiken er rond 1674 schaatsen op die hoog oplopen. (afb.4+5) Ze zitten nog wat onwennig onder de voeten van enkele lieden die zich ophouden bij een ijsschuit. Het gezelschap, van goede komaf aan hun kleding te zien, bevindt zich vermoedelijk op het Mälarmeer, dat bij Stockholm uitmondt in de Baltische zee.

Afb. 5: Anonieme pentekening uit Notizie di Svezia
van Lorenzo Magalotti, 1674, detail.
Bron: Alvin-portal.org
 
Afb. 6: Dirck P. Pers, 1608-1610, detail
Rijksmuseum Amsterdam RP-P-OB-2396

 

Ofschoon er van een zijwaartse afzet nog geen sprake is en ze meer lopen dan glijden, is afzetten met de prikstok er niet meer bij. De afbeelding is zonder twijfel Zweeds en is in 1674 gemaakt voor het reisverslag van Lorenzo Magalotti, alhoewel deze Italiaanse diplomaat er tussen juni en september van dat jaar zelf uiteraard geen schaatsers of ijsschuit heeft gezien.17

De schaatsen lijken sterk op Hollandse modellen uit de 17e eeuw en krullen zelfs nog iets verder door dan de hoge halzen die Dirck Pers circa 1610 afbeeldde. (afb.6) Ondanks de gelijkenis weten we niet of de schaatsen op de prent uit 1674 zijn geïmporteerd uit Holland of dat het al een authentiek Zweeds model betreft.

 

Geen elitair tijdverdrijf

Niet alleen de ‘kavaljerer’ uit 1674 en de eerdergenoemde hoffunctionaris Johan Ekeblad bewijzen dat het ‘schaatslopen’ een geliefde bezigheid was in betere kringen. Ene Carl von Roland, die deel uitmaakte van het leger van koning Karel XII van Zweden en in 1708 als krijgsgevangene vastzat in Rusland, werd daar vanwege zijn rang zo goed behandeld dat er zelfs ‘skrillskor’ voor hem werden gemaakt. Samen met enkele andere officieren kon hij zo laten zien hoe goed hij in zijn jeugd had leren schaatsen. Ongemerkt belandde hij op dun ijs, ging er prompt doorheen en werd uiteindelijk gered door een Italiaanse collega.18

Toch moeten we er voor waken een te eenzijdig beeld van de schaatsliefhebber te schetsen. Hoewel dagboeken en verslagen nou eenmaal eerder werden geschreven (en bewaard!) door en voor personen in hogere posities, mogen we rustig aannemen dat rond 1700 ook de doorsnee burger hout-ijzeren schaatsen is gaan gebruiken. Ik kan me in ieder geval niet voorstellen dat de straf van tien stokslagen op het overtreden van de ‘ijswet’, die koning Fredrik I in 1737 uitvaardigde, was bedoeld voor de aristocratie:

Zij die zich op het ijs wagen, met of zonder schaatsen, voordat het overal zo sterk is dat het met volkomen zekerheid man en paard kan dragen en daartoe door het bevoegd gezag in het openbaar vanaf de preekstoel toestemming is gegeven, die zal daarvoor worden gestraft met 10 paar zweep- of stokslagen en allen die onder dergelijke omstandigheden verdrinken, zullen worden beschouwd als zelfmoordenaars en hun lijken zullen, indien ze worden teruggevonden, niet op het kerkhof worden begraven.19 

Ook destijds moest men hemel en aarde al bewegen om de verstokte liefhebber van het ijs te houden!

Wintergezicht van Slottsbacken and Skeppsbron tegenover Blasieholmen en het Makalöspaleis. Enkele schaatsers hebben zich op het ijs gewaagd.
Ongesigneerd olieverfschilderij uit het begin van de 18de eeuw onder voorbehoud toegeschreven aan Johan Philip Lemke, een schilder van veldslagen.
Foto and collectie: Nordiska Museum NMA.0029848

 

 

Afb. 7: Facsimiledruk van pagina 4 van de lijst met smeedwaren van 1724 uit de fabriek van Vedevåg, zo’n 85 kilometer ten noordoosten van Eskilstuna. Er staan circa 150 afzonderlijke producten op de lijst, waaronder ijsbijlen, maar geen schaatsen.
Bijlage 3 uit: Carl Sahlin - Vår järnindustris äldsta reklamtryck , 1923.

Van import tot namaak?

Desalniettemin lijkt het waarschijnlijk dat modellen uit Holland, die vermoedelijk tussen 1600 en 1650 geïntroduceerd werden in Zweden en uiteindelijk ook in de andere noordelijke landen, al vrij snel zijn nagemaakt. Dat zal voor smeden die verstand hadden van wellen en verstalen, zoals bijvoorbeeld de zeisenmakers uit het noorden van de provincie Dalarna, weinig problemen hebben opgeleverd. Maar of er daar in Lima, waar rond 1650 niet minder dan zo’n 350 smeden actief waren die heel Zweden en de Noorse grensstreek van zeisen voorzagen20, destijds ook daadwerkelijk schaatsen werden geproduceerd, blijkt niet uit de documentatie die ik over hun werkzaamheden heb kunnen vinden.21

Rond 1725 begonnen fabrieken en ijzerwerken in Zweden te adverteren door middel van reclamedrukwerken en prijslijsten. Aanvankelijk laten die nog wat ruimte voor speculatie, maar al heel gauw bevatten ze zeer gedetailleerde opsommingen van allerhande smeedwaren. Schaatsen - in tegenstelling tot bijvoorbeeld ijsbijlen ('isbillar') en ijssporen ('broddar') - vinden we er helaas niet in terug.22 (afb. 7+7b)

Afb. 7b: IJsbijlen in de lijst met smeedwaren van Vedevågs bruk, 1724.

Dit geldt zelfs voor Eskilstuna, dat later zo veel naam zou maken met zijn schaatsproductie. In de zogenaamde specificaties voor ijzerwaren die werden vervaardigd door Carl Gustafsstads manufaktuurwerk, zoals het complex van kleine zogenaamde Rademachersmederijtjes in Eskilstuna toen werd genoemd, komen schaatsen niet voor.23 Als daar al schaatsen werden gemaakt, zal het vermoedelijk op bestelling van een enkel individu zijn geweest, maar het ligt meer voor de hand dat de schaatsenmakerij nog een tussendoortje was voor de lokale hoefsmid in dorpen  en steden, en voor boerensmeden op het afgelegen platteland.

Modelontwikkeling 1500-1750

We hebben nauwelijks informatie over schaatsmodellen uit de periode tot aan 1750.

De ijzeren schaatsen die Olaus Magnus beschreef in het begin van de 16e eeuw waren vermoedelijk niet meer dan een reep ijzer ter lengte van de voet, en nog zonder voetstapel of binding. Naar alle waarschijnlijkheid was er een prikstok bij nodig om erop vooruit te komen.

De schaatsen die werden gebruikt in de zeventiende eeuw leken hoogstwaarschijnlijk op de modellen die gangbaar waren in Holland. De hoge halzen die we zien op de pentekening bij het reisverslag van Megalotti zijn daar een goed voorbeeld van, maar het zou kunnen dat er ook andere modellen in omloop waren.

Schaatsenmakers 1500-1750

In de periode tot aan 1750 werden schaatsen vermoedelijk gemaakt door lokale hoefsmeden in dorpen en steden, en door boerensmeden op het afgelegen platteland. Gegevens over deze gelegenheidsschaatsenmakers zijn niet overgeleverd.

Er is geen bewijs gevonden voor de productie van schaatsen in kleine ijzerfabrieken in de eerste helft van de 18de eeuw.

Bovenkant van de pagina