Schaatsen Scandinavië 1500-1750

Algemeen

Lang werd het hoge noorden beschouwd als de bakermat van de hout-ijzeren schaats. In de 20ste eeuw hield deze aanname niet langer stand. In de lage landen (Holland, Vlaanderen) tonen teksten, miniaturen en opgravingen het gebruik aan van hout-ijzeren schaatsen in de late middeleeuwen. De ‘schaatsen’ uit de oude sagen in Scandinavië bleken bij nader onderzoek ski’s of soms glissen.1

Afb.1: Deel van een glis met een gezicht
uit de opgraving in de Pedersstræde in Viborg, Denemarken.
Bron: KUML 1968, p. 38

De oudste pronkschaats?

Glissen, waarop ik hier verder niet uitgebreid zal ingaan, zijn in de Scandinavische landen dus veel langer in gebruik gebleven dan bij ons. Er zijn bijzondere exemplaren teruggevonden, zoals een fragment van een glis in Viborg, in de kop van Jutland, Denemarken, waarin een menselijk gezicht is gekerfd.2 (afb.1)

Of het in dit geval ging om een kunstzinnige uiting of om een teken van verveling zullen we maar in het midden laten, maar uitzonderlijk was het wel. Het versieren van benen voorwerpen werd namelijk vooral toegepast op duurzamer werktuigen dan glijbotten.

IJzeren glijders versus glissen

In het eerste kwart van de 16e eeuw beweert Olaus Magnus dat niet alleen er niet alleen botten van dieren werden gebruikt als schaatsen, maar ook gladgepolijste ijzers.3 In de schaatsliteratuur wordt er meestal zonder meer vanuit gegaan dat het hier gaat om 'echte' schaatsen met een houten voetstapel en bijbehorende binding. Hieronder, in Modelontwikkeling 1500-1750 / IJzeren glijder zal ik kanttekeningen plaatsen bij deze zienswijze.

Misschien stond de glis zelf de ontwikkeling van een hout-ijzeren schaats wel in de weg. Bot was immers makkelijk te bewerken, ruim voorradig en dus goedkoop. IJzer zou tot circa 1800 een dure grondstof blijven en kon vele honderden kronen per kilo kosten.5 Het bit van een paard bijvoorbeeld was in de middeleeuwen duurder dan het dier zelf en vanwege de hoge prijs bleven arme mensen heel lang houten pluggen gebruiken in plaats van spijkers.6

Afb.3: Historia, p. 392, detail: Glijders op glissen
Bron: Alvin-portal.org

Skritsko en zo

Wanneer precies de echte hout-ijzeren schaats zijn intrede heeft gedaan in Scandinavië is niet bekend, maar we vinden indicaties in de taal. In een woordenboek uit 1640 wordt het Latijnse ‘calopodium ferratum’ letterlijk vertaald met ‘jernsko at löpa på Ijsen med, som skijder och ijsleggior’ (ijzeren schoen om mee op het ijs te lopen, zoals ski’s en glissen).7 Dat lijkt klare taal, maar erg oorspronkelijk klinkt het niet, wat er op zou kunnen duiden dat de samensteller het begrip schaats niet kende.

Johan Ekeblad daarentegen, die een positie had aan het hof van koningin Kristina in Stockholm, wist wel degelijk waarover hij het had. Hij schreef half december 1652 in een brief aan zijn broer Claes ‘... iagh ... försökte till att löpa på skritsko’ (ik probeerde te schaatsen).8 Het woord dat hij gebruikt heeft veel weg van het middelnederduitse ‘schritscho’.9

Verwant hieraan is het middelnederlandse ‘schricschoe’ of ‘scricscoen’, dat voorkomt in teksten rond 1490.10 Etymologisch gezien kan ‘skritsko’ dus zowel uit het Duits als rechtstreeks uit het Nederlands zijn ontleend. Uit de pen van Ekeblad, die vrij kort daarvoor enige jaren aan de universiteit van Frankfurt aan de Oder had gestudeerd, zouden we ‘skritsko’ nog kunnen afdoen als een Germanisme, maar het woord raakte snel ingeburgerd en werd in Zweden al vroeg verbasterd tot ‘skricksko’, ‘skrillsko’ en ‘skrinnsko’.11

Ook in Denemarken gingen rond 1650 zowel mannen als vrouwen met de ‘skredsko’ of ‘schredschou’ het ijs op.12  Behalve ‘skredsko’ was daar destijds bovendien het woord ‘skejte’ (later ‘skeiter’) in omloop, in tegenstelling tot ‘skøjte’, dat voor 1700 nog niet werd opgetekend.13 

Het is niet duidelijk wanneer in de Noorse volkstaal ‘skjese’ of ‘skeisa’ (meervoud: ‘skeiser’) is ontstaan. Professor Hjalmar Falck hield het op een invloed vanuit het Engels. Hij verklaarde de ontwikkeling van ‘skejte’ naar ‘skøite’ uit het enkelvoud ‘skate’ en die van ‘skjese’ naar ‘skeise’ uit het meervoud ‘skates’. Beide Engelse woorden zouden op hun beurt weer afkomstig zijn van het Nederlandse ‘schaats’14.

Ondanks alle laaglandse bemoeienis in Zweden - de nieuwe stad Gothenburg werd vanaf 1619 grotendeels door Hollanders op de kaart gezet en met Hollands kapitaal werd elders in het land een aantal industriële projecten gerealiseerd - lijkt een rechtstreekse, vroeg-zestiende-eeuwse introductie van de ‘schaets’ vanuit Nederland etymologisch gezien geen sterke papieren te hebben.

Dat het Noors en Zweeds, talen die sterk op elkaar lijken, allebei een eigen woord voor ‘schaats’ kennen, maakt het aannemelijk dat het voorwerp via verschillende routes in Scandinavië is geïntroduceerd. Daarbij is de ‘Duitse’ route vermoedelijk iets ouder dan de ‘Engelse’.

 

Geen schaatsen bij aanval over het ijs

De schaats heeft zich waarschijnlijk niet snel genoeg kunnen verbreiden om een rol te kunnen spelen bij een van de sterkste staaltjes aller tijden uit de krijgsgeschiedenis: de ongelooflijk riskante overtocht van het Zweedse leger in 1658 over het ijs van de Kleine Belt en andere Deense zeestraten op weg naar Kopenhagen.

Hoewel de Finse rasverteller Topelius in zijn boek Fältskärns Berättelser een verkenner van het Zweedse leger opvoert, die op schaatsen terugkeert over de stijf bevroren Kleine Belt15, zou het leger van koning Karl X Gustav dit vervoermiddel in werkelijkheid helemaal niet hebben gebruikt.16 Daar waren de omstandigheden ook helemaal niet naar. Onder het gewicht van zoveel voetvolk, ruiters, geschut en voorraadwagens kwam er veel water op het ijs te staan.

Desondanks vormde de onvoorziene belegering van Kopenhagen zo’n bedreiging voor de Deense koning Fredrik, dat hij bereid was om in ruil voor vrede de zuidelijke Zweedse provincies, die de Denen zo’n drie eeuwen lang in handen hadden gehad, op te geven.

 

Afb. 4: Anonieme pentekening uit
Notizie di Svezia van Lorenzo Magalotti, 1674.
Bron: Alvin-portal.org

Hoge halzen

Uiteindelijk duiken er rond 1674 schaatsen op die hoog oplopen. (afb.4+5) Ze zitten nog wat onwennig onder de voeten van enkele lieden die zich ophouden bij een ijsschuit. Het gezelschap, van goede komaf aan hun kleding te zien, bevindt zich vermoedelijk op het Mälarmeer, dat bij Stockholm uitmondt in de Baltische zee.

Afb. 5: Anonieme pentekening uit Notizie di Svezia
van Lorenzo Magalotti, 1674, detail.
Bron: Alvin-portal.org
 
Afb. 6: Dirck P. Pers, 1608-1610, detail
Rijksmuseum Amsterdam RP-P-OB-2396

 

Ofschoon er van een zijwaartse afzet nog geen sprake is en ze meer lopen dan glijden, is afzetten met de prikstok er niet meer bij. De afbeelding is zonder twijfel Zweeds en is in 1674 gemaakt voor het reisverslag van Lorenzo Magalotti, alhoewel deze Italiaanse diplomaat er tussen juni en september van dat jaar zelf uiteraard geen schaatsers of ijsschuit heeft gezien.17

De schaatsen lijken sterk op Hollandse modellen uit de 17e eeuw en krullen zelfs nog iets verder door dan de hoge halzen die Dirck Pers circa 1610 afbeeldde. (afb.6) Ondanks de gelijkenis weten we niet of de schaatsen op de prent uit 1674 zijn geïmporteerd uit Holland of dat het al een authentiek Zweeds model betreft.

 

Geen elitair tijdverdrijf

Niet alleen de ‘kavaljerer’ uit 1674 en de eerdergenoemde hoffunctionaris Johan Ekeblad bewijzen dat het ‘schaatslopen’ een geliefde bezigheid was in betere kringen. Ene Carl von Roland, die deel uitmaakte van het leger van koning Karel XII van Zweden en in 1708 als krijgsgevangene vastzat in Rusland, werd daar vanwege zijn rang zo goed behandeld dat er zelfs ‘skrillskor’ voor hem werden gemaakt. Samen met enkele andere officieren kon hij zo laten zien hoe goed hij in zijn jeugd had leren schaatsen. Ongemerkt belandde hij op dun ijs, ging er prompt doorheen en werd uiteindelijk gered door een Italiaanse collega.18

Toch moeten we er voor waken een te eenzijdig beeld van de schaatsliefhebber te schetsen. Hoewel dagboeken en verslagen nou eenmaal eerder werden geschreven (en bewaard!) door en voor personen in hogere posities, mogen we rustig aannemen dat rond 1700 ook de doorsnee burger hout-ijzeren schaatsen is gaan gebruiken. Ik kan me in ieder geval niet voorstellen dat de straf van tien stokslagen op het overtreden van de ‘ijswet’, die koning Fredrik I in 1737 uitvaardigde, was bedoeld voor de aristocratie:

Zij die zich op het ijs wagen, met of zonder schaatsen, voordat het overal zo sterk is dat het met volkomen zekerheid man en paard kan dragen en daartoe door het bevoegd gezag in het openbaar vanaf de preekstoel toestemming is gegeven, die zal daarvoor worden gestraft met 10 paar zweep- of stokslagen en allen die onder dergelijke omstandigheden verdrinken, zullen worden beschouwd als zelfmoordenaars en hun lijken zullen, indien ze worden teruggevonden, niet op het kerkhof worden begraven.19 

Ook destijds moest men hemel en aarde al bewegen om de verstokte liefhebber van het ijs te houden!

Wintergezicht van Slottsbacken and Skeppsbron tegenover Blasieholmen en het Makalöspaleis. Enkele schaatsers hebben zich op het ijs gewaagd.
Ongesigneerd olieverfschilderij uit het begin van de 18de eeuw onder voorbehoud toegeschreven aan Johan Philip Lemke, een schilder van veldslagen.
Foto and collectie: Nordiska Museum NMA.0029848

 

 

Afb. 7: Facsimiledruk van pagina 4 van de lijst met smeedwaren van 1724 uit de fabriek van Vedevåg, zo’n 85 kilometer ten noordoosten van Eskilstuna. Er staan circa 150 afzonderlijke producten op de lijst, waaronder ijsbijlen, maar geen schaatsen.
Bijlage 3 uit: Carl Sahlin - Vår järnindustris äldsta reklamtryck , 1923.

Van import tot namaak?

Desalniettemin lijkt het waarschijnlijk dat modellen uit Holland, die vermoedelijk tussen 1600 en 1650 geïntroduceerd werden in Zweden en uiteindelijk ook in de andere noordelijke landen, al vrij snel zijn nagemaakt. Dat zal voor smeden die verstand hadden van wellen en verstalen, zoals bijvoorbeeld de zeisenmakers uit het noorden van de provincie Dalarna, weinig problemen hebben opgeleverd. Maar of er daar in Lima, waar rond 1650 niet minder dan zo’n 350 smeden actief waren die heel Zweden en de Noorse grensstreek van zeisen voorzagen20, destijds ook daadwerkelijk schaatsen werden geproduceerd, blijkt niet uit de documentatie die ik over hun werkzaamheden heb kunnen vinden.21

Rond 1725 begonnen fabrieken en ijzerwerken in Zweden te adverteren door middel van reclamedrukwerken en prijslijsten. Aanvankelijk laten die nog wat ruimte voor speculatie, maar al heel gauw bevatten ze zeer gedetailleerde opsommingen van allerhande smeedwaren. Schaatsen - in tegenstelling tot bijvoorbeeld ijsbijlen ('isbillar') en ijssporen ('broddar') - vinden we er helaas niet in terug.22 (afb. 7+7b)

Afb. 7b: IJsbijlen in de lijst met smeedwaren van Vedevågs bruk, 1724.

Dit geldt zelfs voor Eskilstuna, dat later zo veel naam zou maken met zijn schaatsproductie. In de zogenaamde specificaties voor ijzerwaren die werden vervaardigd door Carl Gustafsstads manufaktuurwerk, zoals het complex van kleine Rademachersmederijtjes in Eskilstuna toen werd genoemd, komen schaatsen niet voor.23 Als daar al schaatsen werden gemaakt, zal het vermoedelijk op bestelling van een enkel individu zijn geweest, maar het ligt meer voor de hand dat de schaatsenmakerij nog een tussendoortje was voor de lokale hoefsmid in dorpen  en steden, en voor boerensmeden op het afgelegen platteland.

Modelontwikkeling 1500-1750

We hebben nauwelijks informatie over Scandinavische schaatsmodellen uit de periode tot 1750. De ijzeren schaatsen die Olaus Magnus beschreef in het begin van de 16e eeuw waren waarschijnlijk niet meer dan een reep ijzer ter lengte van de voet en nog zonder voetstapel of binding. Vermoedelijk werd er een prikstok gebruikt om erop vooruit te komen.

Uiteindelijk zullen die primitieve ijzeren schenkels en mogelijk ook het contact met de lage landen na verloop van tijd hebben geleid tot modellen, waarbij een steeds smaller stuk ijzer verticaal onder een houten voetstapel werd geplaatst. Aan de voorzijde liep de schenkel vermoedelijk uit in een flauw oplopende punt of eenvoudige krul. Aan de achterzijde liep het door tot aan het uiteinde van de voetstapel, waar het aanvankelijk dubbel omheen werd geslagen. Een kenmerk dat niet alleen de aller vroegste Hollandse schaatsen, maar ook primitieve Scandinavische modellen uit de periode rond 1800 soms vertonen, zoals we zullen zien in het volgende hoofdstuk.

Desondanks vormt een doorlopend ijzer onder de hak bij Scandinavische schaatsen geen maatstaf voor een vroege datering, want de primitief ogende verbinding werd met name op het platteland nog lang gebruikt. De Odaler sletskøite bijvoorbeeld, een lage, vlakke schaats uit Noorwegen, kwam in de jaren 1860-1870 nog altijd voor met een kramverbinding achter de houten hak.

Hoewel de vroege ontwikkeling van de Scandinavische schaats moeilijk valt te achterhalen, doet de vrij plotselinge introductie van het begrip ‘skridsko’, dat praktisch een leenwoord was, in ieder geval vermoeden dat er op zijn laatst tussen 1600 en 1640 een of meer buitenlandse modellen opdoken, die aanzienlijk afweken van wat tot dan toe gangbaar was in het hoge noorden. De hoge halzen die we zien op de pentekening bij het reisverslag van Megalotti zijn daar een extreem voorbeeld van, maar het zou kunnen dat er ook andere modellen in omloop waren.

In Scandinavië is de overstap naar de schaats met een hakschroef door de hak van de stapel, dus met niet-doorlopende ijzers aan de achterzijde, vrijwel zeker te danken aan buitenlandse invloed, hetzij rechtstreeks uit Holland of via een omweg uit Duitsland of Engeland. Vanaf welk moment inheemse krul- en puntschaatsen met ijzerloze hak werden uitgevoerd is niet duidelijk. Mogelijk vond deze ontwikkeling pas plaats vanaf circa 1700, of zelfs na 1750. Vroege bodemvondsten uit Scandinavië zijn mij niet bekend en exemplaren van dit model uit de 17e en zelfs de 18e eeuw ontbreken in de collecties van de belangrijkste musea.1

IJzeren glijder (IG)

Olaf Mansson uit Linköping (Zweden), die rond 1520 als priester door Scandinavië trok om aflaten te verkopen, schreef jaren later, toen hij als geloofsgetrouw katholiek al een kwart eeuw lang uit het Lutherse Zweden was verbannen3,  onder de naam Olaus Magnus zijn lijvige Historia. Hij vermeldt daarin dat er bij het ijsvermaak niet alleen beenderen, maar ook effen en gladgemaakte ijzers werden gebruikt. Evenals de glissen waren deze ijzers zo lang als de voet zelf en kon men er alleen op glad ijs snel op vooruitkomen. Hoe goed ze ook gepolijst of ingesmeerd waren, de ijzers wonnen het doorgaans niet van de brede hertenschenkels, die gladgeschaafd en ingewreven met varkensreuzel, veel minder last hadden van oneffenheden in het ijs.4 

In de schaatsliteratuur wordt er meestal voetstoots van uit gegaan dat het hier om ‘echte’ schaatsen ging, met houten voetstapel en binding dus. Daar kunnen we op zijn minst enkele kanttekeningen bij plaatsen.

Om te beginnen geeft het te denken dat de ijzers het moesten afleggen tegen de hertenschenkels. Met een goede zijwaartse afzet - onmogelijk op glissen - en dito schaatsslag zou je mogen verwachten dat de schaatsers de prikkende glijders makkelijk voor konden blijven. Het Latijn - de internationale taal waarvan Olaus Magnus zich bediende - kent bovendien geen afzonderlijk woord voor ‘schaats’ en voor een goed begrip dient dat object dus nader te worden omschreven. In zijn behandeling van de ‘ferro’ (ijzers) laat Olaus Magnus de woorden hout of voetstapel echter volledig achterwege. Dat lijkt een wat magere omschrijving voor iemand die glissen, ski’s en ijssporen daarentegen veel gedetailleerder onder de loep nam.

Afb.2: Historia, p. 45: IJsgereedschap met linksboven
glissen of glij-ijzers met prikstok
Bron: Alvin-portal.org

Schoten de bisschop in ballingschap woorden te kort voor het fenomeen schaats of was er nog helemaal geen sprake van echte schaatsen? Gebruikte men eenvoudige, brede repen ijzer (‘zo lang als de voet zelf’) en moest men de vaart er, net als bij de glissen, met de prikstok zien in te houden?

Het antwoord lijkt min of meer van Magnus zelf te komen. De houtsnede bij het hoofdstuk over ijsgereedschap (afb.2) toont naast ijsbijlen en andere hulpstukken maar liefst drie soorten schoeisel met ijssporen, maar geen schaatsen. Of het zouden de voorwerpen in de linkerbovenhoek moeten zijn, waartussen heel toepasselijk een piekstaf (prikstok) is afgebeeld. Voetstapel en binding ontbreken echter volledig, terwijl dit soort details bij het overige schoeisel juist wel nadrukkelijk is weergegeven. Vermoedelijk moeten de voorwerpen linksboven dan ook glissen voorstellen. 

Aangezien het niet erg aannemelijk lijkt dat ‘echte’ schaatsen aan de aandacht van de wijdbereisde Magnus zouden zijn ontglipt, houd ik zijn ‘ferro’ die het moesten afleggen tegen de ingevette hertenschenkels vooralsnog voor simpele glij-ijzers.

Punt- en krulschaatsen

Desondanks waren punt- en krulschaatsen vermoedelijk al ruim voor 1750 algemeen gangbaar. We kunnen dit opmaken uit de vrij uniforme manier waarop de hals van schaatsen uit de direct daaropvolgende periode (1750-1800) werd uitgevoerd. Naast enkele schaatsen met doorgedraaide krullen, zijn verreweg de meeste exemplaren uitgevoerd met een miniem krulletje op de punt. Een tussenvorm die de indruk wekt dat punten en krullen al veel langer in omloop waren.

Tekening van een oude Bolkesjø-schaats uit de jaren 1720.

Zo lag er in de vergaderkamer van de Oslo Skøiteklub in het Frogner Stadion een eenvoudige krulschaats ten toon gesteld uit de omgeving van de Bolkesjø in Telemarken, die uit de jaren 1720 zou stammen.2 Hoewel de datering niet nader wordt verantwoord of toegelicht, zou een dergelijke aanspraak wel kunnen kloppen.

Puntschaatsen (PS) (Snabelskøyter; Snablar; Snudeskøyter)

Puntschaatsen werden aangeduid met verschillende benamingen. Falck-Ytter heeft het in 1867 over schaatsen met een vooruitgestoken of enigszins omhoog gebogen ‘Snude’.3 Het woord betekent snuit en ook de punt van de schoen werd zo genoemd.

Bijna 25 jaar later schrijft Urdahl: ‘... de gangbare houten schaats ... die vaak uitmondde in een grote, spitse ‘Snabel’, wat erg gevaarlijk kon zijn bij een val.4 Ook het woord ‘snabel’ betekent letterlijk snuit, maar staat ook voor de slurf van een olifant.

Beide heren hadden het ongetwijfeld over hetzelfde type schaatsen. Naderhand is men het begrip ‘snabelskøyter’ - in een Zweedse context ben ik het woord ‘snablar’ ook al eens tegengekomen - echter eveneens gaan gebruiken voor schaatsen met een krulletje in de punt en weer later zelfs voor schaatsen met platte krullen. In deze serie artikelen zal ik de (ooit) ingeburgerde begrippen ‘snudeskøiter’ en ‘snabelskøiter’ door elkaar heen gebruiken voor allerlei schaatsen met een schuin naar voren en enigszins omhooggestoken, vrij spitse punt, ook als die (vaak provisorisch) zijn teruggebogen in een kleine krul. Pas als de krul wezenlijk doordraait of breder is uitgesmeed komt het begrip krulschaats om de hoek kijken. Een schaats met een platgeslagen krul ter breedte van de schenkel valt in de categorie platte krul.

Een zeldzaam voorbeeld van een puntschaats met een primitief hakijzer. Daniël-9. Collectie Erwin Daniël, Emden.
Ondanks het minieme krulletje en de extreem volle hals rangschik ik deze schaats onder de noemer puntschaats.
Eenvoudige puntschaats uit later tijd.
Collectie Teun Wanink.

Puntschaatsen uit de zuidoostelijke provincie Blekinge werden door de plaatselijke bevolking steevast ‘kuggebodaskridskor’ genoemd. De naam verwees naar de bekwame smid Pål Johnson en zijn nakomelingen uit het gehucht Kuggeboda, gemeente Listerby. Zowel de smid als het model zal ik bespreken in het hoofdstuk Schaatsenmakers 1800-1857.

Krulschaatsen (KS) (Spiskrokar, Krullskøiter)

Vanwege hun uiterlijk noemde men krulschaatsen in Zweden vroeger ‘spiskrokar’. Een ‘spiskrok’ (meervoud: ‘spiskrokar’) is een ovenhaak om de ringen van de ‘kakelugn5 te lichten.

Naderhand verbasterde het begrip ‘spiskrokar’ echter en werd het een verzamelwoord voor allerlei schaatsen van uiteenlopend model, zoals platte krullen en zelfs puntschaatsen. Zo’n brede betekenis werkt misverstanden in de hand en daarom zal ik ‘spiskrokar’ uitsluitend gebruiken voor schaatsen met een traditionele hakverbinding en een (niet-platte) krul.

Krulschaatsen werden in Noorwegen ook wel ‘krullskøiter’ genoemd, een woord dat vroeger of later uit Nederland zal zijn overgewaaid.

Krulschaatsen kennen enkele bijzondere varianten, zoals de gesloten krul en de buitenwaartse krul. Deze submodellen worden later afzonderlijk behandeld.

Vermelding van een spiskrok in een catalogus.
Met dank aan Stefan Flóög, Blekinge Museum, Karlskrona, Zweden 
Spiskrok uit Gysinge järnbruk, Zweden.
Foto Torbjörn Pedersen
Eenvoudige krulschaatsen uit later tijd.

 

Schaatsenmakers 1500-1750

In de periode tot aan 1750 werden schaatsen vermoedelijk vooral gemaakt door lokale hoefsmeden in dorpen en steden, en door boerensmeden op het afgelegen platteland. Gegevens over deze gelegenheidsschaatsenmakers zijn niet overgeleverd.

Er is geen bewijs gevonden voor de productie van schaatsen in kleine ijzerfabrieken in de eerste helft van de 18de eeuw. Desalniettemin mogen we die mogelijkheid niet helemaal uitsluiten.

Kandidaat-maker van de Bolkesjøschaats (circa 1720)

Tekening van de Bolkesjø-schaats uit de jaren 1720.

We hebben geen enkele informatie over de maker(s) van de krulschaats die afkomstig zou zijn uit de omgeving van Bolkesjø, Telemarken, Noorwegen. Naar alle waarschijnlijkheid betreft het een plaatselijke hoef- of boerensmid uit het gebied.

Door de eeuwen heen moeten er honderden plaatselijke smeden zijn geweest die voor de gelegenheid schaatsen maakten.

Kandidaat-schaatsenmakers: zeissmeden uit Lima en omgeving

De zeisenmakers uit het noorden van de provincie Dalarna hadden verstand van wellen en verstalen. Maar of er daar in Lima, waar rond 1650 niet minder dan zo’n 350 smeden actief waren die heel Zweden en de Noorse grensstreek van zeisen voorzagen1, destijds ook daadwerkelijk schaatsen werden geproduceerd, blijkt niet uit de documentatie die ik over hun werkzaamheden heb kunnen vinden.2

Kandidaat-schaatsenmakers: Rademachersmeden uit Eskilstuna

Het wapen van Eskilstuna toont het belang van hamer, aambeeld en stromend water.

Net als het Duitse Remscheid had Eskilstuna alles mee om een plaats van betekenis te worden in de ijzer- en staalindustrie. Erts en houtskool werden gewonnen in de omgeving en water dat de raderen van de hamer- en slijpwerken in beweging kon zetten stroomde er genoeg. Al rond 1600 laaide het vuur er in de smeltovens van de ‘bruk’ (ijzerfabriek) om ten behoeve van leger en vloot de spijker- en wapensmeden van smeedijzer te voorzien.

In 1656 werd de Nederlander Reinhold Rademacher door de Zweedse koning Karel X Gustaaf min of meer gedwongen zijn ‘manufakturverk’ (ijzerfabriek) in Riga (Lijfland, destijds onder Zweeds gezag; nu Letland) over te plaatsen naar Eskilstuna. Hij bracht onder andere twintig meestersmeden uit het Baltisch gebied met zich mee die aan de slag gingen in de Rademachersmedjorna. Rond het complex van deze smederijtjes werd Karl Gustav stad gebouwd. De koning gaf de gemeenschap als tegenprestatie twintig jaar lang het alleenrecht op allerlei kleinere smeedwaren zoals bijlen, sloten en messen.Schaatsen werden niet vermeld in de bronnen, voor zover ik weet, maar mogelijk wel al gemaakt als gelegenheidsproduct. Een stuk of zeven oude ‘Rademachersmedjorna’ zijn bewaard gebleven en tegenwoordig toegankelijk voor het publiek.4

Meer over de schaatsenmakerij in Eskilstuna in het volgende hoofdstuk.

Rademachersmederijtje. Bron: Wikimedia
Interieur Rademachersmederij. Bron: Wikimedia
Bovenkant van de pagina